1 – 7/11: 12:45 EXAMEN
HOOFDSTUK 6 HET BASISPAKKET VAN DE HULPVERLENER
6.1 ACTIEF LUISTEREN
Luisteren: hoe de persoon in kwestie deze situatie ervaart, echt luisteren naar het verhaal
van een persoon zonder er ons eigen verhaal van te maken.
Om mensen gepast te kunnen helpen niet zoals jij zelf geholpen zou willen
worden.
Vaak:
- Oplossingen formuleren
- Niet echt luisteren
- Vragen stellen
- Oplossingen geven die vaak verstopt zitten in onze vraagstelling
- Te weinig luisteren naar vraag cliënt
Vb. hebben jullie al gezocht naar een opvang?
= oplossing suggereren.
Je bekijkt de hulpvraag vanuit jouw referentiekader en geeft aan hoe jij dat zou
aanpakken.
Krachten van cliënt miskennen
Vaak heeft cliënt al idee + nagedacht over oplossing er ontbreekt moed en energie om
er iets aan te doen. / luisterend oor = actief luisteren.
Actief luisteren:
echt luisteren zodat cliënt het gevoel heeft geluisterd te zijn.
Echt luisteren = ander helpen om zelf een beter zicht te krijgen op emotionele betekenis
van verhaal.
Inleven = meer dan proberen objectieve betekenis van boodschap te begrijpen.
Zoeken naar betekenis die de ander vanuit zijn referentiekader aan geeft.
Proberen de ander verstaan vanuit diens perspectief en betekenisgeving.
Eigen referentiekader opzij zetten en checken bij de ander of je datgene wat die
zegt ook begrepen hebt.
- Kan via parafraseren, toetsen, open vragen stellen,…
Helpt cliënt diens ervaringswereld verder te verwoorden en verkennen.
Je zet een goede grondhouding om in concrete vaardigheden. (heb je nodig om je
grondhoudingen waar te maken).
6.2 NON-VERBALE GESPREKSVAARDIGHEDEN
- lichaamshouding die respectvolle benadering uitdrukt
- aandacht voor jou non-verbale communicatie + wat je hiermee aan cliënt
communiceert.
Aandachtspunten:
- setting: rechtzitten voor de ander + gericht op de ander
- oogcontact: toont aandacht en betrokkenheid.
- Lichaamshouding: open en ontspannen houding nodig cliënt aan om te spreken.
, - Gelaatsuitdrukking: oog hebben voor gelaatsuitdrukking.
- Toon: paralinguïstisch gedrag = intonatie, pauzes tussen woorden, ritme van
spreken, klemtonen, stiltes,… bewust inzetten om cliënt aan te sporen om diens
verhaal verder te zetten.
Ook lichaamstaal van cliënt observeren.
Digitaal + analoog luisteren.
Luisteren naar woorden en verhaal + lichaamstaal, gelaatsuitdrukking, intonatie,
klemtonen,…
TOTALE BOODSCHAP
6.3 VERBALE GESPREKSVAARDIGHEDEN
Diverse gespreksvaardigheden inzetten in gesprek.
Luisteren naar betekenis en gevoel. samen te vatten + toetsen of je ander goed
begrepen hebt.
Spiegelen wat de cliënt verteld.
PAPEGAAIEN
Sleutelwoorden echoën + aanmoedigingen geven en tonen dat je verhaal volgt. (hm
hm…)
PARAFRASEREN
In eigen woorden teruggeven wat je hoort en begrijpt.
- De essentie van de boodschap weergeven, essentiële betekenissen en
verhaalelementen.
- Behoudt klemtoon van cliënt zonder selecteren in functie van wat je belangrijk
vindt.
Zonder te oordelen.
(GEVOELS)REFLECTIE GEVEN
Kan op verschillende niveaus: oplopend qua moeilijkheid en intensiteit.
Feiten: teruggeven van feiten, benoemen/ bespreken van feitelijke gebeurtenissen =
interesse in verhaal.
Veel feiten heb je nodig om verhaal te begrijpen + antwoord te zoeken op hulpvraag.
= meest elementaire vorm van actief luisteren. herformuleren van verhaalaspecten.
Sluit aan bij parafraseren = nog geen gevoelens geformuleerd.
Gevoelens: teruggeven van gevoel komt overeen met primaire empathie, niet alleen
feiten maar vooral beleving van cliënt teruggeven;
= gevoelsreflecties.
Bevestiging van beleving cliënt.
Erg ondersteunend.
Helpend in kader van opbouwen van affectieve band.
Impliciete gevoelens: teruggeven van impliciete gevoelens = vorm van gevorderde
empathie op een dieperliggend niveau de beleving van de cliënt aanvoelen en
terugkoppelen.
Teruggeven van impliciet aanwezige gevoelsreflecties.
Herhaalt niet alleen gevoelens die cliënt aangeeft maar benoemt gevoelens die de cliënt
non-verbaal uitstraalt.
Helpen cliënt om moeilijke gevoelens te herkennen en verdragen, minder invloed
hebben op gedrag.