PERIODE 1
Lessen 1,2 en 3:
1. Je kan de definitie van psychologie geven
2. Je kent de 3 criteria voor wetenschappelijkheid
3. Je kent de 5 stappen van de wetenschappelijke procedure
4. Je kan de volgende begrippen toepassen:
Significantie, betrouwbaarheid, validiteit, representativiteit
1. Je begrijpt wat convergerende evidentie is
DEEL 1 PSYCHOLOGIE ALS WETENSCHAP
1 WETENSCHAPPELIJKHEID VAN DE PSYCHOLOGIE
Definitie:
Psychologie is de wetenschappelijke studie van het gedrag en de onderliggende mentale
processen.
4 belangrijke elementen:
1. De wetenschappelijkheid
2. De studie
3. Het gedrag
4. De mentale processen
Criteria om psychologie wetenschappelijk voldoende te maken.
1. Objectief waarneembare gegevens: iedereen kan tot dezelfde bevindingen komen
als ze diezelfde onderzoeksmethode gebruiken.
2. Ze moeten systematische observatie hebben dus geen toevallige observatie: op
voorhand de methode vastleggen en beschrijven waardoor ze die observatie
kunnen herhalen.
3. Uitspraak is éénduidig: de feiten die worden vastgesteld moeten worden uitgelegd
zodat andere verklaringen voor hetzelfde verband uitgesloten worden.
Criteria wetenschappelijke methode van 5 stappen:
1. Ontwikkelen van hypothese: formuleren verband dat iemand vermoedt en
variabelen. Hypothese= veronderstelling van hoe 1 of meer factoren zich
verhouden tegenover elkaar.
2. Verband onderzoeken in een gecontroleerd experiment: onderscheidt gemaakt
tussen onafhankelijke en afhankelijke variabelen (feiten die variëren afhankelijk
van een aantal condities). Condities die ze gaan manipuleren = onafhankelijke
variabelen.
(onafhankelijk kan veranderen / afhankelijk wat je gaat meten)
, 3. Verzamelen van onderzoeksresultaten op een objectieve manier: vermijden dat je
observatie zo subjectief is dat je enkel de resultaten opmerkt die de hypothese
bevestigen.
4. Analyse van gegevens: nagegaan of de verzamelde gegevens de hypothese
bevestigen of tegenspreken. gebruik van statistische methodes.
5. Bekendmaken & discussiëren van resultaten: representativiteit, significantie,
betrouwbaarheid en validiteit
- Representativiteit: groep die betrokken is bij het onderzoek goede
vertegenwoordiging van de uitspraak?
- Significantie: mate van onafhankelijke en afhankelijke variabelen beïnvloeding
voldoende?
Toeval?
- Betrouwbaar: dezelfde resultaten als je het onderzoek op zelfde manier maar later
uitvoert?
- Validiteit: begrippen goed vertaald in experiment? Begrippen uit theorie echt
gemeten?
DOELSTELLINGEN VAN DE PSYCHOLOGIE
1) Theoretische psychologie:
Wetenschappelijke werkwijze = belangrijk.
Doel = algemene uitspraken of wetmatigheden over gedrag formuleren.
3 doelstellingen:
1. Beschrijven: fenomenen nauwkeurig omschrijven.
2. Verklaren: oorzaken van verschijnselen opzoeken.
3. Voorspellen: oorzaak kennen van fenomeen gevolgen herhalen als oorzaak nog
eens optreedt. + menselijk gedrag = onmogelijk volledig in wetmatigheden te
brengen.
2) Toegepaste psychologie:
Gedrag beïnvloeden + diepgaande kennis van menselijk gedrag.
1.3 DEFINITIE VAN GEDRAG
Gedrag is een zinvolle reactie op een zinvolle stimulus.
Onderscheidt betekenisloos en betekenisvolle stimulus en reactie:
Stimulus: betekenis geven aan stimulus = betekenisvol
Vb. er is veel wind = loos
Ik vind wind onaangenaam = vol
Automatische fysiologische reactie en zinvolle reactie (bewust of onbewust)
Vb. ik krijg kippenvel van de sensatie van de wind op mijn huid = fysiologisch
Ik blijf niet stilstaan in die wind, ik wandel naar een aangenamere plek = zinvol
Onderscheid objectief waarneembaar en interpretatie:
Stimulus + fysiologische reacties = objectief waarneembaar niet altijd zichtbaar.
Snellere hartslag = meten maar niet zien.
, Interne processen die stimulus omzet in zinvolle situatie + zinvolle reactie = niet
objectief waarneembaar.
= interpreteren of meer info krijgen.
Vaak snel naar interpreteren zonder voldoende info van basis van interpretatie.
1.4 WAT ZIJN INTERNE PROCESSEN?
Niet zomaar waar te nemen belangrijke interne processen die ervoor zorgen dat een
stimulus een zinvolle situatie wordt en dat er een zinvolle reactie volgt.
Niet zomaar waarneembaar = moeilijk toetsbaar te maken wel vereist in
wetenschappelijke methode.
Validiteitsvraag moeilijk om zeker te zijn dat je meet wat je wilt meten.
Validiteit = reden waarom zelfde zaken vaak onderzocht moeten worden.
1.5 WANNEER NEMEN WE IETS VOOR WAAR AAN?
Resultaat onderzoek = aantal voorlopige conclusies.
Dichter bij verklaring van werkelijkheid = herhalen van onderzoeken door onderzoekers
over heel de wereld.
Convergerende evidentie: hoe meer verschillende onderzoeksresultaten in dezelfde
richting wijzen, hoe dichter we bij de waarheid denken te komen.
Einstein: een conclusie is de plaats waar we het denken moe zijn.
2 ASSOCIATIEVE LEERTHEORIEËN
Doelen:
De verschillende associatieve leertheorieën uitleggen aan de hand van
experimenten
De associatieve leertheorieën onderling, en met het gewenningsleren
vergelijken
Leertheorieën toepassen in concrete situaties
Toepassingen van de leerpsychologie in de hulpverlening uitleggen en toepassen
in beschreven reële situaties
Ingesproken ppt:
Schema klassieke conditionering:
Voedselpoeder op tong (onvoorwaardelijke stimulus) speeksel (onvoorwaardelijke
reactie)
Onvoorwaardelijk = automatische reflex die niet aangeleerd is maar die natuurlijk zo is.
Stimulus: prikkel die wordt aangeboden
Reactie: gedrag dat erop volgt.
Belgeluid (neutrale stimulus) hond kijkt rond (oriënteringsreflex)
Neutraal = opgemerkt zonder specifieke reactie
Oriënteringsreflex = opgemerkt iets
Belgeluid onvoorwaardelijke stimulus: speeksel
Belgeluid wordt voorwaardelijke stimulus speeksel wordt voorwaardelijke reactie