1; Leg de volgende begrippen uit:
Conjuctie
Disjunctie
Negatie
Contradictie
Equivalentie
Uitsluiting
Implicatie
2; Geef de waarheidstabellen van de volgende begrippen.
p q p
q
, p q p
q
p q p
q
p q p
q
p q p
q
3; Verwoord de volgende uitspraken
p: “Het regent”
q: “Ik neem een jas”
Schrijf in woorden:
1. ¬p
2. p∧q
3. p∨q
4. p⇒q
5. p⇔q
Noteer de volgende uitspraken met logische symbolen: