INHOUDSTAFEL
Les 1: Inleiding & Sociale Semiotiek
Wat is een tekst? Breed gedefinieerd als een georganiseerde
verzameling tekens (woorden, beelden, kledingstijl) die betekenis
dragen.
Kijk op media: Media als spiegel (reflectie van de wereld) versus
media als 'shaper' (constructie van de werkelijkheid).
Encoding/Decoding (Stuart Hall): Het proces waarbij zenders
betekenis in een boodschap leggen en ontvangers deze
interpreteren via drie lezingen: dominante, onderhandelende of
aberrante/oppositionele decodering.
Procestheorieën van communicatie:
o Shannon & Weaver: Focus op technische ruis en drie
probleemniveaus (technisch, semantisch, effectief).
o Redundantie vs. Entropie: Voorspelbaarheid versus hoge
informatiewaarde.
o Lasswell & Newcomb: Focus op sociale relaties en context.
Grondslagen van de Semiotiek:
o Peirce: Drie soorten tekens: Icoon (gelijkenis), Symbool
(afspraak), en Index (direct verband).
o Saussure: Het teken bestaat uit de Signifiant
(betekenaar/vorm) en de Signifié (betekende/concept).
o Roland Barthes: Onderscheid tussen Denotatie (letterlijk
wat je ziet) en Connotatie (associatieve betekenis).
Les 2: Media als dragers van ideologie
Sociale Semiotiek (Halliday): Nadruk op de ideologische rol van
tekens en het multimodale aspect (combinatie van verschillende
communicatievormen zoals kleur en lettertype).
Ideologie in de media:
o Marxisme: Media behouden de status quo en weerspiegelen
de ideeën van de dominante klasse.
o Gramsci: Introductie van hegemonie (het proces waarbij
visies als 'common sense' worden aanvaard).
, o Althusser: Media als Ideologisch Staatsapparaat (ISA).
Glasgow University Media Group (GUMG): Onderzoek naar 'bias'
en onevenwichtige berichtgeving (bijv. de Bad News-studies).
Tekstuele analyse: Kritisch ontleden hoe de werkelijkheid
geconstrueerd wordt door teksten, vaak gericht op de relatie tussen
tekst en identiteit (bijv. Kerktorenfictie en LGBTQ+-representatie).
Les 3: Tekstanalyse & Grounded Theory
Kwantitatief vs. Kwalitatief: Kwantitatief telt manifeste
fenomenen (meten); kwalitatief interpreteert latente betekenissen
en discoursen.
Typologieën van Hijmans: Onderscheid tussen retorische,
narratieve, discours- en interpretatieve analyse.
De 'Logic' van interpretatieve analyse (Pleijter): Een cyclisch
proces in zes fasen, van voorbereiding tot rapportage.
Grounded Theory (Glaser & Strauss): Een inductieve methode
die theorieën opbouwt vanuit data via drie types codering: open,
axiaal en selectief coderen.
Tabloidisering (Esser): Het proces waarbij nieuws sensationeler
wordt en de grens tussen 'hard' en 'soft' nieuws vervaagt.
Les 4: Retorische en argumentatieanalyse
Retoriek vs. Argumentatie: Retoriek is de kunst van het
overtuigen (stijl); argumentatie is de logische onderbouwing van
standpunten.
Aristoteles: De drie overtuigingsmiddelen: Ethos
(geloofwaardigheid), Pathos (emotie) en Logos (logica).
Anatomie van een argument (Toulmin): Bestaat uit Claim,
Data, Warrant, Backing, Rebuttal en Qualifier.
Persuasie in Reclame:
o Hard sell (rationeel/productinformatie) vs. Soft sell
(emotioneel/levensstijl).
o Evolutie van Idolatrie (focus op product) naar Totemisme
(focus op lifestyle-groep).
Les 5: Narratieve analyse & Conversatieanalyse
Narratologie: Onderscheid tussen Story/Fabula (gebeurtenissen)
en Plot/Sujet/Récit (de manier waarop het verteld wordt).
, Narratieve structuren:
o Episodisch: Losse delen zonder strikte causaliteit.
o Driedelige structuur: Begin (set-up), midden (confrontatie)
en einde (resolutie).
Personages: Round characters (psychologische diepgang) vs.
Flat characters (stereotiep).
Actantieel model (Greimas): Analyseert rollen in een verhaal
zoals Subject, Object, Helper en Tegenstander.
Focalisatie: Wie kijkt? (Nulfocalisatie, interne of externe
focalisatie).
Conversatieanalyse (CA): Bestudeert hoe sociale interacties
structureel georganiseerd zijn op microniveau (bijv.
beurtwisselingen).
Les 6: Frameanalyse
Framing (Entman): Het selecteren van aspecten van de realiteit
om ze opvallender te maken en zo een specifieke probleemdefinitie
of moreel oordeel te promoten.
Onderdelen van een frame: Reasoning devices (logische
bouwstenen zoals oorzaak/oplossing) en Framing devices
(metaforen, woordkeuze, beelden).
Inductief vs. Deductief: Nieuwe frames zoeken in de tekst versus
het testen van bestaande frames (zoals de 5 generische frames van
Semetko & Valkenburg).
Les 7: (Kritische) Discoursanalyse & Discursieve Psychologie
Discoursanalyse (DA): Bestudeert taalgebruik als een vorm van
sociale actie die niet neutraal is.
Kritische Discoursanalyse (CDA): Focus op hoe taal macht,
ideologie en sociale ongelijkheid weerspiegelt of versterkt (Teun Van
Dijk & Norman Fairclough).
Discursieve Psychologie (DP): Onderzoekt hoe mensen via taal
(in interactie) hun identiteit en emoties vormgeven als sociale
handeling.
Les 8: Lexicale analyse & Netwerkanalyse
Les 1: Inleiding & Sociale Semiotiek
Wat is een tekst? Breed gedefinieerd als een georganiseerde
verzameling tekens (woorden, beelden, kledingstijl) die betekenis
dragen.
Kijk op media: Media als spiegel (reflectie van de wereld) versus
media als 'shaper' (constructie van de werkelijkheid).
Encoding/Decoding (Stuart Hall): Het proces waarbij zenders
betekenis in een boodschap leggen en ontvangers deze
interpreteren via drie lezingen: dominante, onderhandelende of
aberrante/oppositionele decodering.
Procestheorieën van communicatie:
o Shannon & Weaver: Focus op technische ruis en drie
probleemniveaus (technisch, semantisch, effectief).
o Redundantie vs. Entropie: Voorspelbaarheid versus hoge
informatiewaarde.
o Lasswell & Newcomb: Focus op sociale relaties en context.
Grondslagen van de Semiotiek:
o Peirce: Drie soorten tekens: Icoon (gelijkenis), Symbool
(afspraak), en Index (direct verband).
o Saussure: Het teken bestaat uit de Signifiant
(betekenaar/vorm) en de Signifié (betekende/concept).
o Roland Barthes: Onderscheid tussen Denotatie (letterlijk
wat je ziet) en Connotatie (associatieve betekenis).
Les 2: Media als dragers van ideologie
Sociale Semiotiek (Halliday): Nadruk op de ideologische rol van
tekens en het multimodale aspect (combinatie van verschillende
communicatievormen zoals kleur en lettertype).
Ideologie in de media:
o Marxisme: Media behouden de status quo en weerspiegelen
de ideeën van de dominante klasse.
o Gramsci: Introductie van hegemonie (het proces waarbij
visies als 'common sense' worden aanvaard).
, o Althusser: Media als Ideologisch Staatsapparaat (ISA).
Glasgow University Media Group (GUMG): Onderzoek naar 'bias'
en onevenwichtige berichtgeving (bijv. de Bad News-studies).
Tekstuele analyse: Kritisch ontleden hoe de werkelijkheid
geconstrueerd wordt door teksten, vaak gericht op de relatie tussen
tekst en identiteit (bijv. Kerktorenfictie en LGBTQ+-representatie).
Les 3: Tekstanalyse & Grounded Theory
Kwantitatief vs. Kwalitatief: Kwantitatief telt manifeste
fenomenen (meten); kwalitatief interpreteert latente betekenissen
en discoursen.
Typologieën van Hijmans: Onderscheid tussen retorische,
narratieve, discours- en interpretatieve analyse.
De 'Logic' van interpretatieve analyse (Pleijter): Een cyclisch
proces in zes fasen, van voorbereiding tot rapportage.
Grounded Theory (Glaser & Strauss): Een inductieve methode
die theorieën opbouwt vanuit data via drie types codering: open,
axiaal en selectief coderen.
Tabloidisering (Esser): Het proces waarbij nieuws sensationeler
wordt en de grens tussen 'hard' en 'soft' nieuws vervaagt.
Les 4: Retorische en argumentatieanalyse
Retoriek vs. Argumentatie: Retoriek is de kunst van het
overtuigen (stijl); argumentatie is de logische onderbouwing van
standpunten.
Aristoteles: De drie overtuigingsmiddelen: Ethos
(geloofwaardigheid), Pathos (emotie) en Logos (logica).
Anatomie van een argument (Toulmin): Bestaat uit Claim,
Data, Warrant, Backing, Rebuttal en Qualifier.
Persuasie in Reclame:
o Hard sell (rationeel/productinformatie) vs. Soft sell
(emotioneel/levensstijl).
o Evolutie van Idolatrie (focus op product) naar Totemisme
(focus op lifestyle-groep).
Les 5: Narratieve analyse & Conversatieanalyse
Narratologie: Onderscheid tussen Story/Fabula (gebeurtenissen)
en Plot/Sujet/Récit (de manier waarop het verteld wordt).
, Narratieve structuren:
o Episodisch: Losse delen zonder strikte causaliteit.
o Driedelige structuur: Begin (set-up), midden (confrontatie)
en einde (resolutie).
Personages: Round characters (psychologische diepgang) vs.
Flat characters (stereotiep).
Actantieel model (Greimas): Analyseert rollen in een verhaal
zoals Subject, Object, Helper en Tegenstander.
Focalisatie: Wie kijkt? (Nulfocalisatie, interne of externe
focalisatie).
Conversatieanalyse (CA): Bestudeert hoe sociale interacties
structureel georganiseerd zijn op microniveau (bijv.
beurtwisselingen).
Les 6: Frameanalyse
Framing (Entman): Het selecteren van aspecten van de realiteit
om ze opvallender te maken en zo een specifieke probleemdefinitie
of moreel oordeel te promoten.
Onderdelen van een frame: Reasoning devices (logische
bouwstenen zoals oorzaak/oplossing) en Framing devices
(metaforen, woordkeuze, beelden).
Inductief vs. Deductief: Nieuwe frames zoeken in de tekst versus
het testen van bestaande frames (zoals de 5 generische frames van
Semetko & Valkenburg).
Les 7: (Kritische) Discoursanalyse & Discursieve Psychologie
Discoursanalyse (DA): Bestudeert taalgebruik als een vorm van
sociale actie die niet neutraal is.
Kritische Discoursanalyse (CDA): Focus op hoe taal macht,
ideologie en sociale ongelijkheid weerspiegelt of versterkt (Teun Van
Dijk & Norman Fairclough).
Discursieve Psychologie (DP): Onderzoekt hoe mensen via taal
(in interactie) hun identiteit en emoties vormgeven als sociale
handeling.
Les 8: Lexicale analyse & Netwerkanalyse