Wijsbegeerte en ethiek
Les 1
Filosofie: de inzet
- Er zijn vragen waaraan je je niet kan ontrekken
- De meeste mensen hebben al een antwoord, zonder de vraag te hebben gesteld
- Het zijn vragen waarbij iets op het spel staat voor jezelf
- De 3 grote Griekse antieke filosofen:
o Socrates
o Plato
o Aristoteles
- Wij kijken naar praktische filosofie = gaat over menselijke praktijken, is minder abstract
De oorsprong van de filosofie
- 1776 (2500 jaar geleden) in Athene
o Toen verscheen het boek “the wealth of nations” van Adam Smith (een filosoof)
- Filosofie is de moederdiscipline van alles wetenschapsvakken
- Waarom is dit in Athene ontstaan op dat moment?
o Door maatschappelijke/historische omstandigheden
- Eerst was er presocratische (natuur)filosofie = wat is de ultieme aard van de natuur
o Ging al in de richting van filosofie
o Bv Thales
- De 3 grote:
o Socrates (469 – 399 BC)
o Plato (427 – 347 BC)
o Aristoteles (384 – 322 BC)
o => alle 3 denken ze rationeel/theoretisch na over de grote vragen
- Filosofie = begrijpen wat er rond je gebeurt
- Maatschappelijke ontwikkelingen:
o Vroeger deden ze dit door mythes/verhalen, maar verloren aan geloofwaardigheid in
de Griekse samenleving
Ze hadden dus een alternatief nodig
o Ook kwam de democratie op
En dus publieke discussie, daarvoor moest je elkaar kunnen overtuigen en
dus rationaal/beredeneerd nadenken
o Handel werd belangrijk in de Griekse samenleving
Zorgde voor een nieuwe sociale klasse, die ook bepaalde macht wou
Gingen traditionele politiek in vraag stellen
Handel in het oude Griekenland
- Er is ook een andere theorie rond invloed van handel op filosofie:
o Opkomst van een klasse van handelaars eb ambachtslieden
o Hadden nood aan vorming en ideen
o Filosofie was een nieuwe denk manier -> abstract
o Geld doet hetzelfde, het maakt abstractie van iets
o => er was dus reele en intellectuele abstractie
- Maar de verhouding van filosofie tot geld en handel is erg dubbelzinnig, en vaak negatief
1
,De dood van Socrates
- Socrates was ter dood veroordeeld, want had goden beledigd
- Zijn vrienden hadden bewakers omgekocht, om tot bij hem te komen en hem te helpen
ontsnappen
- Dit bracht hem tot de vraag: “is ontsnappen wel het juist om te doen”
- Hij vond van niet (corrupt), maar dan zouden mensen denken dat zijn vrienden hem in de
steek lieten
- Dus moest hij rekening houden met de massa
- Dezelfde masse die ervoor had gezorgd dat hij daar was?
- Hij besloot om niet te ontsnappen
Negatieve attitudes tegenover geld en handel
- Odysseus: stelen, roven en doden is minder erg dan handel
- Socrates: geld is vies
o Trots op armoede, want toont dat hij enkel om de waarheid geeft
- Geld heeft verontrustend vermogen:
o Zich iets toe-eigenen zonder het te verdienen:
Kunst zonder smaak te hebben
Liefde zonder een partner te hebben
Eer kopen zonder het te verdienen
Geld is een instrument voor bedrog, werkt corrumperend
o Geld trekt zich niets aan van tradities en conventies
Alles is koopbaar
o Geld stelt alles gelijk: nivellering
Geld maakt abstractie en miskent de specificiteit of uniciteit van dingen
Is wel democraties
- Paradox van de filosofie: is er niet een gelijkenis tussen geld en concepten?
Plato tegen de handelaars
- Redenen:
o Ze hebben geen productieve functie
o Ze zijn vaak vreemdelingen
o Ze waren vaak tegelijk bankiers
Wie woekerprijzen vroegen
- Plato ging heel ver:
o Was tegen havensteden
Stad isoleren van externe slechte gedachten
Handelaars buiten de stad houden
Pro-autarchie = voor het onafhankelijk zijn van andere
Overwicht van politiek op economie
- Plato en Socrates zijn wel niet tegen bezit/rijkdom
o Er is goede rijkdom = uit productieve arbeid
o Er is slechte rijkdom = uit handel en financiele activiteit
Is onbeperkte rijkdom, ook al heb je rijkdom niet meer nodig
2
,Sofisten
- Waren ze ook tegen
- Aristoteles: “de Sofist is een man die geld verdient met wat kennis lijkt te zijn maar het
eigenlijk niet is”
o Ze verkochten volgens hem opinies (= losse floders)
- Sofist = iemand die rondtrok en zijn kennis deelde in de ruil voor geld
- Bekende Sofisten: Protagoras, Gorgias
Heeft waarheid een prijs?
- ‘echte’ filosofen weigeren geld als betaling voor hun inzichten:
o Aristoteles: “tussen het weten en het geld is er geen gemeenschappelijke maatstaf”
o De prijs is moeilijk te bepalen
o Een prijs plakken op kennis is intrinsiek problematisch
o De waarheid is onbetaalbaar
o Filosofie of wetenschap vereisen belangeloosheid, onvoorwaardelijke toewijding
Je moet het doen gewoon voor het vak niet voor iets anders
Transformatie van de waarheid
- Waarheid kwam door de Sofisten onder druk te staan -> waarheidsbegrip verandert stilaan
- Presocratisch: Aletheia
o Het onthullen/bovenbrengen van het verborgene, het vergetene
o Verbonden met de praktijk van poëten, magiërs, waarzeggers
o Vb Heidegger
o Voorbeeld van deze denkmethode
Als je nagel in muur klopt met hamer denk je alleen aan de nagel in de muur
te kloppen
Je denk niet aan de hamer tot als deze kapot gaat
Dan zie je hamer pas als object, en verschijnt hij dus
- Ontstaan van de publieke ruimte
o Hervorming: gelijkheid van krijgers, die hun buit samenbrengen op 1 plaats en ze via
loting verdelen
o Dit wordt de publieke ruimte = plaats van discussie en contestatie
o Waarheid wordt ‘doxa’
Situatiegebonden, toegankelijk voor iedereen
Doxa waarheid = opinies
De Sofisten
- Paradox: herwaardering voor de sofisten in de context van de moderne democratie
- Sofisten als maatschappelijke tendens:
o De intellectuelen van een nieuwe generatie en nieuwe klasse die zich richten tegen
de oude aristocratische waarden, na de oorlogen tegen de Perzen en hervormingen
en economische groei onder Perikles
- Nieuwe waarde:
o Niet: krijger met militaire deugeden
o Maar: deelname aan het leven in de polis (politiek)
- => niemand heeft ultieme waarheid, iedereen mag mening delen -> democratie
- Plato: de Sofisten verkopen een pseudo-waarheid, er is maar 1 waarheid
o Sofisten: een verkoopbare ‘opninie’, ‘expertenkennis’, een ‘techniek’
o Filosofen: objectieve waarheid = Plato’s ideeënleer
3
, - De sofist is een handelaar
o Plato: de handelaar kent het product dat wordt verkocht niet echt
o Hij is niet een auteur maar enkel ene verkoper
o Indifferentie t.o.v het product (en de waarheid)
- De sofist is onwetend, en weet niet dat hij onwetend is
- Socrates weet dat wel, en dat is de basis van zijn wijsheid
- Sofisten zijn niet helemaal ter goeder trouw
o Sofisten laten zich betalen: marktruil
o Maar willen tegelijk het prestige en erkenning van de oude wijze
o => ze verlagen zichtzelf, maar willen wel eer
- De echte filosofen herken je aan het feit dat ze zich niet laten betalen
- Transformatie van educatie:
o Democratisering van de kennis: niet langer doorgeven via initiatierituelen
o Sofisten: onderwijs voor wie betaalt
o Kritiek van filosofen:
Private handel vs publieke zaak:
Het verkoopbaar maken van educatie bereidt jonge mensen niet
langer voor op het dienen van de publieke zaak
Transformaties van relaties:
Toegang tot kennis wordt afhankelijk van rijkdom
De betaler wordt klant of zelf werkgever -> meer macht
Waren dus eerder traditioneel in dit opzicht want vonden hierarchie
belangrijk van leerraar staat boven leerling
Paradoxale positie van de filosofen
- Socrates’ positie:
o Enderzijds: idee van kennis gebaseerd op tegensprekelijk debat, uitwisseling van
ideeën: ‘democratisch’
o Anderzijds: oude wijsheid van de ingewijde, de meester
- Kennis kan niet gereduceerd worden tot een technisch middel, maar is ook niet gegrond in
goddelijk gezag
- Proces van betekenisverandering (en -verlies?) van kennis
Aristoteles over chrematistiek
- Aristoteles: “de sofistiek is een soort van chrematistiek”
- Maakt onderscheidt tussen oikonomia en chrematistiek
o Er is niks mis met handel op zich: geld en ruil maken differentiatie van activiteiten
mogelijk
o Maar binnen bepaalde limieten
Chrematistiek = slechte economie
o Oikonomia = huishoudkunde:
Productie en ruil behoren tot het domein van de ‘oikos’ (privésfeer) onder
leiding van het hoofd van de familie
Daar is deze activiteit perfect eervol
Maar de telos (= doel) van de oikos is de polis (= politiek)
De eigendom en de economische activiteit staan in functie van het
goede leven in de praxis
4
Les 1
Filosofie: de inzet
- Er zijn vragen waaraan je je niet kan ontrekken
- De meeste mensen hebben al een antwoord, zonder de vraag te hebben gesteld
- Het zijn vragen waarbij iets op het spel staat voor jezelf
- De 3 grote Griekse antieke filosofen:
o Socrates
o Plato
o Aristoteles
- Wij kijken naar praktische filosofie = gaat over menselijke praktijken, is minder abstract
De oorsprong van de filosofie
- 1776 (2500 jaar geleden) in Athene
o Toen verscheen het boek “the wealth of nations” van Adam Smith (een filosoof)
- Filosofie is de moederdiscipline van alles wetenschapsvakken
- Waarom is dit in Athene ontstaan op dat moment?
o Door maatschappelijke/historische omstandigheden
- Eerst was er presocratische (natuur)filosofie = wat is de ultieme aard van de natuur
o Ging al in de richting van filosofie
o Bv Thales
- De 3 grote:
o Socrates (469 – 399 BC)
o Plato (427 – 347 BC)
o Aristoteles (384 – 322 BC)
o => alle 3 denken ze rationeel/theoretisch na over de grote vragen
- Filosofie = begrijpen wat er rond je gebeurt
- Maatschappelijke ontwikkelingen:
o Vroeger deden ze dit door mythes/verhalen, maar verloren aan geloofwaardigheid in
de Griekse samenleving
Ze hadden dus een alternatief nodig
o Ook kwam de democratie op
En dus publieke discussie, daarvoor moest je elkaar kunnen overtuigen en
dus rationaal/beredeneerd nadenken
o Handel werd belangrijk in de Griekse samenleving
Zorgde voor een nieuwe sociale klasse, die ook bepaalde macht wou
Gingen traditionele politiek in vraag stellen
Handel in het oude Griekenland
- Er is ook een andere theorie rond invloed van handel op filosofie:
o Opkomst van een klasse van handelaars eb ambachtslieden
o Hadden nood aan vorming en ideen
o Filosofie was een nieuwe denk manier -> abstract
o Geld doet hetzelfde, het maakt abstractie van iets
o => er was dus reele en intellectuele abstractie
- Maar de verhouding van filosofie tot geld en handel is erg dubbelzinnig, en vaak negatief
1
,De dood van Socrates
- Socrates was ter dood veroordeeld, want had goden beledigd
- Zijn vrienden hadden bewakers omgekocht, om tot bij hem te komen en hem te helpen
ontsnappen
- Dit bracht hem tot de vraag: “is ontsnappen wel het juist om te doen”
- Hij vond van niet (corrupt), maar dan zouden mensen denken dat zijn vrienden hem in de
steek lieten
- Dus moest hij rekening houden met de massa
- Dezelfde masse die ervoor had gezorgd dat hij daar was?
- Hij besloot om niet te ontsnappen
Negatieve attitudes tegenover geld en handel
- Odysseus: stelen, roven en doden is minder erg dan handel
- Socrates: geld is vies
o Trots op armoede, want toont dat hij enkel om de waarheid geeft
- Geld heeft verontrustend vermogen:
o Zich iets toe-eigenen zonder het te verdienen:
Kunst zonder smaak te hebben
Liefde zonder een partner te hebben
Eer kopen zonder het te verdienen
Geld is een instrument voor bedrog, werkt corrumperend
o Geld trekt zich niets aan van tradities en conventies
Alles is koopbaar
o Geld stelt alles gelijk: nivellering
Geld maakt abstractie en miskent de specificiteit of uniciteit van dingen
Is wel democraties
- Paradox van de filosofie: is er niet een gelijkenis tussen geld en concepten?
Plato tegen de handelaars
- Redenen:
o Ze hebben geen productieve functie
o Ze zijn vaak vreemdelingen
o Ze waren vaak tegelijk bankiers
Wie woekerprijzen vroegen
- Plato ging heel ver:
o Was tegen havensteden
Stad isoleren van externe slechte gedachten
Handelaars buiten de stad houden
Pro-autarchie = voor het onafhankelijk zijn van andere
Overwicht van politiek op economie
- Plato en Socrates zijn wel niet tegen bezit/rijkdom
o Er is goede rijkdom = uit productieve arbeid
o Er is slechte rijkdom = uit handel en financiele activiteit
Is onbeperkte rijkdom, ook al heb je rijkdom niet meer nodig
2
,Sofisten
- Waren ze ook tegen
- Aristoteles: “de Sofist is een man die geld verdient met wat kennis lijkt te zijn maar het
eigenlijk niet is”
o Ze verkochten volgens hem opinies (= losse floders)
- Sofist = iemand die rondtrok en zijn kennis deelde in de ruil voor geld
- Bekende Sofisten: Protagoras, Gorgias
Heeft waarheid een prijs?
- ‘echte’ filosofen weigeren geld als betaling voor hun inzichten:
o Aristoteles: “tussen het weten en het geld is er geen gemeenschappelijke maatstaf”
o De prijs is moeilijk te bepalen
o Een prijs plakken op kennis is intrinsiek problematisch
o De waarheid is onbetaalbaar
o Filosofie of wetenschap vereisen belangeloosheid, onvoorwaardelijke toewijding
Je moet het doen gewoon voor het vak niet voor iets anders
Transformatie van de waarheid
- Waarheid kwam door de Sofisten onder druk te staan -> waarheidsbegrip verandert stilaan
- Presocratisch: Aletheia
o Het onthullen/bovenbrengen van het verborgene, het vergetene
o Verbonden met de praktijk van poëten, magiërs, waarzeggers
o Vb Heidegger
o Voorbeeld van deze denkmethode
Als je nagel in muur klopt met hamer denk je alleen aan de nagel in de muur
te kloppen
Je denk niet aan de hamer tot als deze kapot gaat
Dan zie je hamer pas als object, en verschijnt hij dus
- Ontstaan van de publieke ruimte
o Hervorming: gelijkheid van krijgers, die hun buit samenbrengen op 1 plaats en ze via
loting verdelen
o Dit wordt de publieke ruimte = plaats van discussie en contestatie
o Waarheid wordt ‘doxa’
Situatiegebonden, toegankelijk voor iedereen
Doxa waarheid = opinies
De Sofisten
- Paradox: herwaardering voor de sofisten in de context van de moderne democratie
- Sofisten als maatschappelijke tendens:
o De intellectuelen van een nieuwe generatie en nieuwe klasse die zich richten tegen
de oude aristocratische waarden, na de oorlogen tegen de Perzen en hervormingen
en economische groei onder Perikles
- Nieuwe waarde:
o Niet: krijger met militaire deugeden
o Maar: deelname aan het leven in de polis (politiek)
- => niemand heeft ultieme waarheid, iedereen mag mening delen -> democratie
- Plato: de Sofisten verkopen een pseudo-waarheid, er is maar 1 waarheid
o Sofisten: een verkoopbare ‘opninie’, ‘expertenkennis’, een ‘techniek’
o Filosofen: objectieve waarheid = Plato’s ideeënleer
3
, - De sofist is een handelaar
o Plato: de handelaar kent het product dat wordt verkocht niet echt
o Hij is niet een auteur maar enkel ene verkoper
o Indifferentie t.o.v het product (en de waarheid)
- De sofist is onwetend, en weet niet dat hij onwetend is
- Socrates weet dat wel, en dat is de basis van zijn wijsheid
- Sofisten zijn niet helemaal ter goeder trouw
o Sofisten laten zich betalen: marktruil
o Maar willen tegelijk het prestige en erkenning van de oude wijze
o => ze verlagen zichtzelf, maar willen wel eer
- De echte filosofen herken je aan het feit dat ze zich niet laten betalen
- Transformatie van educatie:
o Democratisering van de kennis: niet langer doorgeven via initiatierituelen
o Sofisten: onderwijs voor wie betaalt
o Kritiek van filosofen:
Private handel vs publieke zaak:
Het verkoopbaar maken van educatie bereidt jonge mensen niet
langer voor op het dienen van de publieke zaak
Transformaties van relaties:
Toegang tot kennis wordt afhankelijk van rijkdom
De betaler wordt klant of zelf werkgever -> meer macht
Waren dus eerder traditioneel in dit opzicht want vonden hierarchie
belangrijk van leerraar staat boven leerling
Paradoxale positie van de filosofen
- Socrates’ positie:
o Enderzijds: idee van kennis gebaseerd op tegensprekelijk debat, uitwisseling van
ideeën: ‘democratisch’
o Anderzijds: oude wijsheid van de ingewijde, de meester
- Kennis kan niet gereduceerd worden tot een technisch middel, maar is ook niet gegrond in
goddelijk gezag
- Proces van betekenisverandering (en -verlies?) van kennis
Aristoteles over chrematistiek
- Aristoteles: “de sofistiek is een soort van chrematistiek”
- Maakt onderscheidt tussen oikonomia en chrematistiek
o Er is niks mis met handel op zich: geld en ruil maken differentiatie van activiteiten
mogelijk
o Maar binnen bepaalde limieten
Chrematistiek = slechte economie
o Oikonomia = huishoudkunde:
Productie en ruil behoren tot het domein van de ‘oikos’ (privésfeer) onder
leiding van het hoofd van de familie
Daar is deze activiteit perfect eervol
Maar de telos (= doel) van de oikos is de polis (= politiek)
De eigendom en de economische activiteit staan in functie van het
goede leven in de praxis
4