Morfologie van de uier
Lactatie is het proces waarbij de melkklieren melk produceren en uitscheiden om
het pasgeboren jong te voeden. De uier/melkklier is een gespecialiseerd orgaan
onder invloed van anatomische, fysiologische en hormonale factoren. De
basisstructuur is bij alle zoogdieren vergelijkbaar, maar verschilt per diersoort in
aantal spenen, aantal melkklieren, vorm van de uier en opbouw van het
afvoersysteem.
1. Ophangstructuren van de uier
De uier wordt ondersteund door:
Huid: dun, zacht, soepel en fijn behaard; beschermt maar biedt weinig
steun.
Laterale ophangbanden: vertrekken o.a. van ischium en pubis, zorgen voor
laterale steun, vormen lamellen/tussenschotten in het uierweefsel en
voorkomen druk op bloedvaten en alveolen; bevatten veel collageen →
weinig elastisch.
Mediane ophangband: vertrekt uit de linea alba en vormt de centrale
steun; klinisch belangrijk bij runderen voor de draagkracht tussen de
achterbenen.
2. Opbouw van de uier
De uier bestaat uit:
Klierweefsel (parenchym): functioneel deel waar melk geproduceerd wordt.
Bestaat uit:
o alveolen (kleine melkproducerende structuren met secretorische
cellen)
o kanaalsysteem (afvoer melk)
o myo-epitheliale cellen (trekken samen en helpen melk uitdrijven)
Bindweefsel: fibreus weefsel + vetweefsel; geeft structuur en ondersteunt
bloedvaten, lymfevaten en zenuwen.
3. Macroscopische structuur
Slotgat + tepelkanaal (ductus lactiferus):
toegang tot de uier, omgeven door een
sfincter die melkverlies voorkomt en
beschermt tegen ziektekiemen → belangrijk
tegen mastitis.
Tepelcisterne: tijdelijke opslagruimte in de
speen.