Escrito por estudiantes que aprobaron Inmediatamente disponible después del pago Leer en línea o como PDF ¿Documento equivocado? Cámbialo gratis 4,6 TrustPilot
logo-home
Resumen

Samenvatting Alle literatuur voor de opdracht Onderlinge Gedragsmodificatie. Week 1, Week 2 en een 2 paragrafen van week 3. GT1V2612 Basiscursus cognitieve gedragstherapie (100 uur) - Op locatie

Puntuación
-
Vendido
-
Páginas
54
Subido en
01-06-2026
Escrito en
2025/2026

Dit zijn aantekeningen van lesdag 1 uit de Basiscursus Cognitieve Gedragstherapie (100 uur), gebaseerd op hoofdstuk 3.2 van 'Geïntegreerde cognitieve gedragstherapie' (Korrelboom et al., 2025). De aantekeningen behandelen de fundamentele leerpsychologie: de drie niveaus van leerervaringen, vier leerparadigma's (niet-associatief leren, klassieke en operante conditionering, sociaal leren), en specifieke fenomenen zoals habituatie, sensitisatie, het Mere Exposure Effect en latente inhibitie. Perfect voor het begrijpen van de theoretische basis van CGT en voorbereiding op vervolgcolleges.

Mostrar más Leer menos
Institución
Grado

Vista previa del contenido

Basiscursus Cognitieve Gedragstherapie (100 uur)


Lesdag 1

Literatuur: Korrelboom, C.W, ten Broeke, E., Dijk, M. van (2025) Geïntegreerde cognitieve
gedragstherapie.


Hoofdstuk 3 enkel paragraaf 3.2 (23p)

Leren verwijst naar min of meer duurzame veranderingen in gedrag (en betekenisverlening
bij menselijk gedrag) ten gevolge van ervaringen.

Bij het tot stand komen van leerervaringen kunnen 3 niveaus worden onderscheiden:
1. De leerprocedure: welke handelingen en stappen moeten worden uitgevoerd om tot een
leereffect te komen (hoe ontstaat het leren?)
2. Het leereffect: Hieraan zie je dat leren heeft plaatsgevonden: (Tot welke veranderingen in
gedrag en betekenisverlening heeft het proces geleid?)
3. Het leerproces: geeft aan welke neurale, hormonale en/of psychologische processen
verantwoordelijk zijn voor de leereffecten die middels de leerprocedure tot stand zijn
gekomen (hoe kunnen leereffecten worden verklaard?)

Binnen de leerpsychologie worden 4 verschillende paragima’s onderscheiden:
1. Niet-associatieve leren: De effecten die ontstaan door (meestal) herhaalde blootstelling
aan dezelfde prikkel.


(de volgende 2 vormen zijn vormen van associatief leren)
2. Operante of instrumentele conditionering: De effecten die optreden bij (meetstal
herlhaade) blootstelling van consequenties van gedrag.
3. klassieke conditionering: De effecten die voortkomen uit de (meestal) herhaalde)
blootstelling aan twee contigent aangeboden stimuli.

4. Sociaal leren: De effecten die ontstaan bij het observeren en imiteren van het gedrag van
anderen. Sociaal leren combineert de aspecten van zowel operante/instrumentele als
klassieke conditioneren (punt 3 en 4).
Het gaat hier niet om de aard van de verworven kennis maar de wijze waarop de kennis is
verworven (hierbij staat het observeren en imiteren van soortgenoten centraal).

CS= Geconditioneerde Stimulus
US= Ongeconditioneerde Stimulus

3.2.1 Niet-associatief leren
Hierin worden de leereffecten bestudeerd wanneer een proefdier of proefpersoon
eenmalig of meerdere keren (net wat het geval is) wordt geconfronteerd met één
dezelfde prikkel. Voorbeelden hiervan zijn:
 Het Mere Exposure Effect, het fenomeen dat een voorheen relatief onbekende
prikkel positiever wordt geëvalueerd naarmate deze vaker wordt aangeboden. Het
Mere Exposure Effect is sterker wanneer het gaat om voor de proefpersoon relatief
nieuwe prikkels waarover nog niet a-priorisch een waardeoordeel is gevormd.
 Habituatie, het herhaald aanbieden van dezelfde prikkel leidt tot een afname van
de responsiviteit op die prikkel. Habituatie is een tijdelijk fenomeen. Wanneer een

,eerder gehabitueerde stimulus na een poosje achterwege te zijn gelaten opnieuw
wordt aangeboden, of een prikkel die daar sterk op lijkt, komt de eerder ‘verdwenen
reactie erop weer naar voren.

Sensitisatie is in een aantal opzichten het omgekeerde van habituatie. De reactiviteit
op een prikkel neemt niet af, maar juist toe. Proefpersonen (of proefdier) lijken
gevoeliger te zijn geworden voor de betreffende prikkel.
sensitisatie gaat pas een rol spelen wanneer een persoon zich al in een staat van
agitatie verkeert.
-Sensitisatie wordt experimenteel geïllustreerd in een studie waarin proefpersonen
eerst een seksueel opwindende film bekeken. Na afloop daarvan bleken zij minimale
aanrakingen van de vingers eerder te detecteren dan na het zien van een meer
neutrale film.
-Misofonie is een goede illustratie uit het dagelijkse leven; mensen die lijden aan
misofonie raken in toenemende mate geïrriteerd en geobsedeerd door allerlei
(volgens anderen niet of nauwelijks hoorbare) geluiden waaraan zij zich eerder niet
of nauwelijks stoorden.


Echter zijn habituatie en sensitisatie niet de twee uiteinden van een continuüm
(afname van responsiviteit en de toename ervan). Volgens de dual proces theory
worden habituatie en sensitisatie aangestuurd door twee verschillende neurale
processen, namelijk de reflexboog tussen de sensorische en motorische zenuw en
het state-system. Overheersing van het habituatieproces zal voornamelijk optreden
wanneer de arrousal van de persoon laag is en sensitisatie moet vooral worden
verwacht wanneer die arrousal hoog is.

--

Latente inhibitie, blocking en US-pre-exposure zijn andere fenomenen uit het
paradigma van het niet associatieve leren.

Niet iedere willekeurige neutrale prikkel kan in een procedure van klassieke
conditionering worden getransformeerd tot een geconditioneerde stimulus (CS).
Latente inhibitie: Wanneer je een neutrale stimulus al een aantal keren
gepresenteerd hebt gekregen, is het moeilijker om van die neutrale stimulus een CS
te maken dan wanneer je de neutrale stimulus als ‘nieuw’ aangeboden krijgt. Dit
komt doordat de CS-in-wording doordat de stimulus al een aantal keer
gepresenteerd is, als het ware heeft geleerd dat deze stimulus ‘niet erg relevant is’.
Dit bemoeilijkt de transformatie naar de status van CS, een stimulus die door
leerervaringen per definitie wél relevant is geworden voor het organisme.
Voor Blocking wordt de moeizame associatievorming veroorzaakt doordat
een andere CS het verschijnen van de ongeconditioneerde stimulus (US) reeds
adequaat voorspelt. Een nieuwe stimulus wordt niet aangeleerd als deze
tegelijkertijd wordt aangeboden met een stimulus die de uitkomst al volledig
voorspelt. De nieuwe info is overbodig en wordt daarom 'geblokkeerd'.
US-pre-exposure: Niet de CS maar de US ondergaat een ‘voorbewerking’.
Wanneer men een proefdier elke keer een schok toedient (US) zonder lampje,
zoemer of welke CS dan ook die de schok eerst aankondigd, is het moeilijk om voor

,het proefdier in een later stadium te leren dat er deze keer wel een specifieke CS
bestaat die de schok aankondigt. Het proefdier reageert alsof de schok
onvoorspelbaar onderdeel is geworden van zijn leefomgeving.

Klinische relevantie en praktische implicaties:
Psychopathologie bestaat voor een belangrijk deel uit disfunctionele, problematische
evaluaties van objecten, situaties, gebeurtenissen en andere aspecten in het
dagelijkse leven van de patiënt. Evaluatie kunnen te negatief zijn (zoals bij angsten
of somberheid) of te positief (zoals bij verslavingen). De therapie is er dan op gericht
om die evaluaties te corrigeren en bij te stellen.
Klinische relevantie van het mere-exposure effect kan als tweede route worden
gebruikt die aan zo’n evaluatiecorrectie kan bijdragen.
Als onderdeel van Competitive Memory Training (COMET) halen patiënten met een
negatief zelfbeeld bijv. met herhaling positieve aspecten en kenmerken van zichzelf
naar boven waar ze nauwelijks bij stil staan. De herhaalde activering van zelfden
ervaren positieve zelfwaardering heeft enkele overeenkomsten met het mere-
exposure en draagt daardoor als ‘tweede route’ wellicht bij aan het verhogen van
zelfwaardering.

Inhibitory Retrieval Approach: Exposure leidt volgens deze theorie niet tot
angstreductie langs de weg van habituatie maar langs die van inhibitie. De eenmaal
verworven kennis/ideeën over angstwekkende situaties verdwijnt niet via exposure,
maar blijft ‘ergens in het geheugen’ bestaan. De inhibioire processen zouden echter
beletten dat deze kennis al te gemakkelijk kan worden geactiveerd om zo het doen,
laten en beleven van de patiënt aan te sturen. De exposure therapie is vanuit deze
visie gericht op het versterken van die inhibitoire processen.
Habituatie lijkt ook een kleine rol te spelen bij exposure, maar deze rol is minder
dominant dan werd gedacht.

De klinische relevantie van sensitisatie komt meer naar voren in
verklaringsmodellen voor verslaving:
Incentive-sensitization theory (IST): Regelmatig gebruik van een verslavend
middel leidt ertoe dat zowel het verslavende middel zelf als ook allerlei aan dat
middel en het gebruik ervan gerelateerde stimuli (zoals de situaties, omstandigheden
en handelingen die bij het gebruik horen) het vermogen hebben om gevoelens van
verlangen en hunkering op te roepen die veel sterker zijn dan het meer alledaagse
‘trek hebben’ of ‘lekker vinden’.
Zo draagt sensitisatie er middels een deels onbewust verlopende route toe bij dat het
middel en het gebruik ervan extra aantrekkingskracht uitoefenen op de gebruiker
(wanting), naast de operante conditionering verworven direct belonende waarde
(liking) van het middel.
Fysieke pijn: Bij aandoeningen waar fysieke pijn een rol speelt is er dikwijls (ook)
sprake van sensitisatie. Bij het voortduren van pijn kan het pijnsysteem ontregeld
raken, waardoor de pijndrempel daalt en pijnprikkels steeds eerder en intenser
worden ervaren.

Klinische relevantie van US-pre-exposure: Is onder meer in verband gebracht met

, het ontstaan van aangeleerde hulpeloosheid en in het verlengde daarvan met het
ontwikkelen van depressie. Door de ervaring dat aversieve gebeurtenissen zowel
onvoorspelbaar als oncontroleerbaar zijn (de belangrijkste kenmerken van de US-
pre-exposure), zouden hulpeloosheid en machteloosheid ontstaan, en langs die weg
depressiviteit. Wanneer de aversieve gebeurtenissen langer en intenser waren, kan
in plaats van aangeleerde hulpeloosheid ook onverschilligheid en verharding
optreden (dit wordt toughening up genoemd). Het subject wordt minder vatbaar
voor straf en leert op zijn doel af te gaan ongeacht de negatieve en pijnlijke
consequenties die dat heeft.
- De bevindingen rondom US-pre-exposure raken aan het gegeven dat negatieve
ervaringen in de jeugd gerelateerd zijn aan een verhoogde kans op het ontwikkelen
van depressiviteit en andere vormen van psychopathologie.

3.2.2. Associatief leren.

Waar niet-associatief leren kennis genereert die voortkomt uit (meestal herhaalde)
confrontatie met een enkele stimulus), heeft associatief leren betrekking op
verbanden die worden geleerd tussen twee verschillende stimuli (S-S relatie)
(Klassieke of Pavloviaanse conditionering), dan wel tussen bepaald gedrag (R) en
een stimulus (R-S-relaties) (instrumentele of operante conditionering).

Operante conditionering: het subject leert met behulp van welke gedragingen het
invloed kan uitoefenen op zijn omgeving en waarmee het deze, in het verlengde
daarvan, tot op zekere hoogte kan controleren.

Klassieke conditionering: Gaat over het leren van betekenissen.
Hierbij worden twee verschillende soorten kennis verworven:
1. Enerzijds de voorspelbaarheid van de leefomgeving (signaalleren): Hierbij leert het
subject welke gebeurtenissen en situaties voorafgaan aan relevante andere
gebeurtenissen in die leefomgeving.
2. Evaluatief leren: Heeft betrekking op affectieve evaluatie van die leefomgeving:
Welke elementen zijn fijn en plezierig en welke niet (de likes en dislikes met
betrekking tot objecten, situaties en gebeurtenissen).


Klassieke of Pavloviaanse conditionering (blz. 69)
De basiselementen van de Pavloviaanse conditioneringsprocedure zijn de
1.Ongeconditioneerde Stimulus (US); iets dat automatisch een reactie oproept
(bijv. eten)
2.Ongeconditioneerde respons (UR); de automatische reactie (bijv. kwijlen)
3.Geconditioneerde Stimulus (CS); De eerst neutrale stimulus krijgt later een
betekenis (bijv. belletje)
4.Geconditioneerde Respons (CR); Aangeleerde reactie op CS (bijvoorbeeld
kwijlen bij belletje).
5. De associatie tussen CS en US is de kern van het leren.

Libro relacionado

Escuela, estudio y materia

Grado

Información del documento

¿Un libro?
No
¿Qué capítulos están resumidos?
Hoofdstuk 3 enkel paragraaf 3.2 (23p), hoofdstuk 4 (57p), hoofdstuk 5, hoofdstuk 7, hoofdstuk 2: par
Subido en
1 de junio de 2026
Número de páginas
54
Escrito en
2025/2026
Tipo
RESUMEN

Temas

$8.87
Accede al documento completo:

¿Documento equivocado? Cámbialo gratis Dentro de los 14 días posteriores a la compra y antes de descargarlo, puedes elegir otro documento. Puedes gastar el importe de nuevo.
Escrito por estudiantes que aprobaron
Inmediatamente disponible después del pago
Leer en línea o como PDF

Conoce al vendedor

Seller avatar
Los indicadores de reputación están sujetos a la cantidad de artículos vendidos por una tarifa y las reseñas que ha recibido por esos documentos. Hay tres niveles: Bronce, Plata y Oro. Cuanto mayor reputación, más podrás confiar en la calidad del trabajo del vendedor.
Universiteits Vrije Universiteit Amsterdam
Seguir Necesitas iniciar sesión para seguir a otros usuarios o asignaturas
Vendido
112
Miembro desde
8 año
Número de seguidores
73
Documentos
9
Última venta
4 meses hace

4.8

4 reseñas

5
3
4
1
3
0
2
0
1
0

Por qué los estudiantes eligen Stuvia

Creado por compañeros estudiantes, verificado por reseñas

Calidad en la que puedes confiar: escrito por estudiantes que aprobaron y evaluado por otros que han usado estos resúmenes.

¿No estás satisfecho? Elige otro documento

¡No te preocupes! Puedes elegir directamente otro documento que se ajuste mejor a lo que buscas.

Paga como quieras, empieza a estudiar al instante

Sin suscripción, sin compromisos. Paga como estés acostumbrado con tarjeta de crédito y descarga tu documento PDF inmediatamente.

Student with book image

“Comprado, descargado y aprobado. Así de fácil puede ser.”

Alisha Student

Preguntas frecuentes