POËZIE EN DIVERSITEIT
→ kenmerken: eigen interpretaties, diep, open, authentiek, kort
● herkennen poëzie:
→ kenmerken: genre-aanduiding, opmaak, titel, homofonie, stijlfiguren,
beeldspraak, regelafbreking, alliteratie, woordspeling, assonantie, metafoor,...
● readymade = gewone teksten als poëzie presenteren (mails, bericht,...)
● poëzie = 1) emotie/gedachte overbrengen
2) compacte tekst gebonden aan vormelijke regels
3) tekst waarin vorm en inhoud nauw samenhangen
4) taal die ont-regelt
5) een tekst die is gepubliceerd in een dichtbundel
→ veel mogelijke definities, geen eenduidige, hangt af van poëtica
● Herman de Coninckprijs: bepaalt wat er als poëzie erkent wordt
● Nobelprijs voor literatuur: door literaire institutie, qualified nominators
→ literaire kwaliteit door letterkundigen, vroegere winnaar en schrijvers
→ verband diversiteit: nationaliteit, gender, taal van verkozene
→ meeste in frankrijk, engels en frans
→ 15 vrouwen, om de keer vrouw man → verandert met de jaren
→ 121 keer uitgereikt sinds 1901
● literaire canon = reëel of abstracte lijst van belangrijke boeken en auteurs
→ tussen descriptief en prescriptief (zie lijst) (descriptief = harry potter)
→ voorbeeld: canonenquête en kantl → prescriptieve lijst
LITERATUUR EN DIVERSITEIT
→ voorbeeld: Amanda Gorman met ‘The hill we climb’
● Bokklubben World Library = 100 beste en belangrijkste boeken uit wereldlit.
→ bron inspiratie voor nieuwe onbekende en verplichte kennis
→ referentiekader
→ waarde van boeken en schrijvers ontdekken
,SONNETTEN
● vormvast = 14 verzen, complex rijmschema, jambisch, volta,...
● lyrisch ik = richt zich via apostrofe tot een ‘jij’
● dichters spelen graag met traditie → belangrijk die eerst te kennen
● tegenovergestelde van vormvast = vrije verzen
● metrum bepalen:
1) woordritme of klemtoonstructuur: aanduiden van klemtonen
→ klappen, toon, enkel in meerlettergrepige
2) aanduiden van rijmklanken
3) aanduiden van bijkomende klemtonen
→ regels: 1) geen 3 onbeklemtoonde na elkaar
2) geen klemtonen na elkaar
3) indien 3 onbeklemtoonde na elkaar → klemtoon in midden
4) bepaal regelmaat: zie stap 1, aanduiden
→ 5x onbeklemtoond en 5x beklemtoond = jambe
5) ontbrekende klemtonen toevoegen
→ antimetrie mogelijk
● jambisch metrum
→ jambische pentameter = 5 versvoeten (ritme)
→ alexandrijn = 6 versvoeten met pauze in midden, 3x + 3x
→ trochee, dactylus, anapest, amfibrachus
→ kinderpoëzie vaak trocheïsch
● rijmschema
→ gepaard, gekruist, omarmend
● petrarkisme = liefdespoëzie van renaissance
→ vertalingen hebben zelfde inhoud maar andere vorm
→ ababbcc = rhyme royal = zevenregelig rijmschema
● ironische reacties op het sonnet
→ spotten met rijmschema of met gerichtheid op het lyrisch ik
→ dichter zet er een streep onder met een punt erachter
,BOEKEN
● Het gouden ei van Tim Krabbé
→ genre = thriller of psychologische novelle → aspecten van beide
→ thema = onmogelijkheid van liefde, verlangen naar kennis
→ perspectief = meervoudig personaal perspectief
→ door racisme en seksisme gekleurd
→ eerst tot p.43 personaal perspectief
→ titel = idee meenemen of aftoetsen of het wel belang heeft
→ openingszin = over ruimteschepen die motief vormen
→ motieven = getal 8, ruimte, gevogelte, sleutel, slot, literatuur, sport en spel,
bewegen en stilstaan, spreken en zwijgen
→ karakterisering = Rex: round, impliciet (gedachten/daden), sprek. naam
Saskia: flat, expliciet (uiterlijk vanuit Rex), sprek. naam
Lieneke: flat, expliciet en impliciet
Lemorne: round, impliciet (H3 pers.persp.), sprek, naam
→ verband Rex en Lemorne → alter ego, dezelfde opwinding over verbodene
→ sprekende namen, meerv. pers. persp., motieven schrijven, spelen, fictie
→ verkoopcijfers = 65 drukken, schooluitgaven
→ verfilming = spoorloos, the vanishing
→ vertaling = duits, frans, deens, engels, zweeds, noors,...
→ literaire kritiek = neutrale en negatieve recensies, enkele critici positief
→ literaire prijzen = niet
→ institutionele erkenning = scholen (leeslijst), geen beurs van fonds v. let.
→ H2: strand van de inham, terug via de echte zee, badmintonwedstrijd,
restaurant, huwelijksaanzoek, gesprek Saskia, Rex die droomt
→ Lieneke: in H2 voelt ze medelijden, in H5 weet ze dat het niet gaat lukken,
wisselend oordeel van Rex
→ wat wilt de auteur zeggen over Rex, de mens of literatuur in algemeen
→ direct en indirect rede aanwezig = indirect door ‘of’, ‘dat’
→ sprekende namen zorgen voor vertaalproblemen → naam als spiegel
● De consequenties van Nina Weijers
→ genre = roman
→ verkoopcijfers = 22 drukken (rainbow pocket)
→ verfilming = niet
→ vertaling = engels, frans, duits, tjechisch, … → vertaalsubsidies
→ literaire kritiek = dubbele critici, matig ontvangst → in frankrijk positief
→ literaire prijzen = 6 prijzen → Anton Wachterprijs, opzij literatuurprijs,...
→ institutionele erkenning = gastschrijver op 5 universiteiten,
pagina op website, door wetenschap
→ effets du réel = herkenbare ruimte en verleden
→ motieven = tegenstellingen (warm/koud, vast/vloeibaar, gesloten/open,...),
heden en verleden, weersomstandigheden, kosmos, lichaam
, → opvallend in proloog = “vallen maakt geen enkel geluid”:meer aan de hand,
aanspreking “je”, realistisch?, lunch waar moeder
droomt over dat ze doodgaat kan eigenlijk niet
→ perspectief = alwetend en personaal perspectief → alwetende verteller die
kan switchen van perspectief
→ hier: meervoudig personaal perspectief: we weten bij wie we zitten
→ effect: kunnen identificeren (kijken binnen), dramatische ironie
→ voorbeeld: mama weet iets wat papa niet weet → dat Minnie bestaat
→ voorbeeld: minnie weet iets wat mama niet weet → zwanger
→ voorbeeld: minnie weet iets wat fotogr. niet weet → vader, ik hou v. je
→ voorbeeld: minnie weet iets wat minnie niet weet → niet zwemmen
→ waarom worden deze vragen beantwoord: oorzaken consequenties
→ verteller = niet aanwijsbaar dus vertelinstantie → alwetende vertelinstantie
→ soms bevreemdend, afwijkingen in perspectief
→ personages zeggen herinneringen van andere personages
→ vergelijking met verbindingswoord (148) en asyndetische vergelijking (192)
→ verhaal gaat steeds verder in het verleden
→ tijd: fabel → begint bij geboorte (de logische volgorde, niet in verhaal)
sujet → volgorde die we krijgen door het boek (anders dan normale)
→ opmaak en structuur om dit te herkennen
→ na 1 februari terug waar we waren → ervoor flashbacks, pauze
→ inspringen, witregels, cursivering, lettertype, bijzondere tekens (sterretje)
→ p.139: hoofdstuk met maar één zin
→ opmaak: altijd verandering met signaal
→ chronologie: spanning voor onbekende dingen, Minnie twijfelt veel
→ begint in medias res
→ moeilijk met fabels over tijd → denkt dat dat voor iedereen is
→ lichaam kan toch iets van tijd vasthouden → aanwijzing in roman
→ iconiciteit = alles is aanwezig → samenvallen vorm en inhoud
→ niet meer lezen als fabel maar komt als sujet op je af
→ alles tegelijkertijd vindt plaats: heden, verleden, toekomst
→ tijd gaat weg in het boek → is er uiteindelijk niet meer → te moeilijk
→ wat maakt dat ze die foto’s begint te maken → weet ze zelf niet eens
→ doel = vervreemding en ontregeling → er is precies iets gebeurd
→ poëticaal statement: roman moet iets anders doen → n. kunnen samenv.
→ helft van boek misschien einde → losse eindjes → brief, fotograaf
→ context: paratekst, ontstaanscontext en referentiekader
→ ‘elfstedentocht’ = schaatstocht waardoor sluizen sluiten (referentiekader)
→ engelse vertaler introduceert nieuwe beeldspraak → ander schaatsen
→ invloed op perspectief door betekenisverandering
→ historische referentie: euro die werd ingevoerd, kou februari,...
→ kan fictie zijn → ‘prix de rome 2008’ (doen alsof serviester)
→ ruimtelijke referenties: postgebouw, prinsengracht
→ effet du réel en couleur locale: of meer dan dat?