Business Intelligence Fundamentals
Oefenvragen Meerkeuze — Examenvoorbereiding
2025–2026 | 30 vragen | Antwoorden + uitleg inbegrepen
────────────────────────────────────────────
Thema: Wat is Business Intelligence?
Vraag 1: Wat is de belangrijkste doelstelling van Business Intelligence (BI)?
A Inzicht krijgen in de werking en prestaties van een bedrijf door grote hoeveelheden
data te analyseren
B De dagelijkse administratieve taken automatiseren
C Facturen en bestellingen registreren in een database
D De ICT-infrastructuur van een bedrijf beheren
✔ Juist antwoord: A BI richt zich op het verkrijgen van inzicht door veel data tegelijk te
analyseren, niet op dagelijkse operationele taken.
Vraag 2: Welke uitspraak beschrijft het VERSCHIL tussen klassieke ICT en Business
Intelligence het best?
A Klassieke ICT gebruikt grafieken, BI gebruikt tabellen
B BI registreert wat er nu gebeurt, klassieke ICT vergelijkt meerdere jaren
C BI is goedkoper dan klassieke ICT
D Klassieke ICT werkt met één klant tegelijk, BI analyseert alle klanten over langere
periodes
✔ Juist antwoord: D Klassieke ICT behandelt individuele transacties. BI analyseert alle data
over langere periodes om trends te vinden.
Vraag 3: Een ziekenhuis wil weten hoelang patiënten gemiddeld verblijven per afdeling,
vergeleken met vorig jaar. Dit is een voorbeeld van...
A Klassieke ICT, want het gaat over patiënten
B Power Query, want er worden datums vergeleken
C Business Intelligence, want het vergelijkt grote hoeveelheden data over tijd
✔ Juist antwoord: C Vergelijken van gemiddelden over alle patiënten en meerdere jaren is
typisch een BI-vraag.
Vraag 4: Welke mensen in een bedrijf maken hoofdzakelijk gebruik van BI-rapporten?
A Kassamedewerkers en magazijniers
B Directeurs, managers en hun assistenten
, C ICT-beheerders en programmeurs
D Klanten van het bedrijf
✔ Juist antwoord: B BI-rapporten zijn bedoeld voor mensen die strategische beslissingen
nemen: directeurs, managers en assistenten.
Thema: Databronnen en dataopslag
Vraag 5: Waarom heeft elke tabel in een database een unieke ID-kolom (zoals CustID
of OrderID)?
A Omdat computers cijfers gebruiken om tabellen aan elkaar te koppelen en objecten
eenduidig te identificeren
B Om de data alfabetisch te sorteren
C Omdat de wetgeving dit verplicht
D Om opslagruimte te besparen op de server
✔ Juist antwoord: A Computers gebruiken unieke nummers om records in verschillende
tabellen aan elkaar te koppelen en te onderscheiden.
Vraag 6: Wat is de correcte volgorde van de BI-workflow van data naar rapport?
A Rapport → Model → Query → Database
B PowerPivot → Power Query → Database → Rapport
C Pivot table → Model → ETL → Databron
D Database → Power Query (ETL) → PowerPivot Model → Pivot table/grafiek
✔ Juist antwoord: D De correcte flow is: data staat in de database → PQ haalt ze op → PP
slaat ze op in het model → pivot tables maken rapporten.
Thema: Financiële kernbegrippen
Vraag 7: Sales = €10.000, Cost = €8.500. Wat is de Margin %?
A 85%
B 1,5%
C 15%
D 150%
✔ Juist antwoord: C Margin % = (Sales − Cost) / Sales = (10.000 − 8.500) / 10.000 = 1.500 /
10.000 = 15%.
Oefenvragen Meerkeuze — Examenvoorbereiding
2025–2026 | 30 vragen | Antwoorden + uitleg inbegrepen
────────────────────────────────────────────
Thema: Wat is Business Intelligence?
Vraag 1: Wat is de belangrijkste doelstelling van Business Intelligence (BI)?
A Inzicht krijgen in de werking en prestaties van een bedrijf door grote hoeveelheden
data te analyseren
B De dagelijkse administratieve taken automatiseren
C Facturen en bestellingen registreren in een database
D De ICT-infrastructuur van een bedrijf beheren
✔ Juist antwoord: A BI richt zich op het verkrijgen van inzicht door veel data tegelijk te
analyseren, niet op dagelijkse operationele taken.
Vraag 2: Welke uitspraak beschrijft het VERSCHIL tussen klassieke ICT en Business
Intelligence het best?
A Klassieke ICT gebruikt grafieken, BI gebruikt tabellen
B BI registreert wat er nu gebeurt, klassieke ICT vergelijkt meerdere jaren
C BI is goedkoper dan klassieke ICT
D Klassieke ICT werkt met één klant tegelijk, BI analyseert alle klanten over langere
periodes
✔ Juist antwoord: D Klassieke ICT behandelt individuele transacties. BI analyseert alle data
over langere periodes om trends te vinden.
Vraag 3: Een ziekenhuis wil weten hoelang patiënten gemiddeld verblijven per afdeling,
vergeleken met vorig jaar. Dit is een voorbeeld van...
A Klassieke ICT, want het gaat over patiënten
B Power Query, want er worden datums vergeleken
C Business Intelligence, want het vergelijkt grote hoeveelheden data over tijd
✔ Juist antwoord: C Vergelijken van gemiddelden over alle patiënten en meerdere jaren is
typisch een BI-vraag.
Vraag 4: Welke mensen in een bedrijf maken hoofdzakelijk gebruik van BI-rapporten?
A Kassamedewerkers en magazijniers
B Directeurs, managers en hun assistenten
, C ICT-beheerders en programmeurs
D Klanten van het bedrijf
✔ Juist antwoord: B BI-rapporten zijn bedoeld voor mensen die strategische beslissingen
nemen: directeurs, managers en assistenten.
Thema: Databronnen en dataopslag
Vraag 5: Waarom heeft elke tabel in een database een unieke ID-kolom (zoals CustID
of OrderID)?
A Omdat computers cijfers gebruiken om tabellen aan elkaar te koppelen en objecten
eenduidig te identificeren
B Om de data alfabetisch te sorteren
C Omdat de wetgeving dit verplicht
D Om opslagruimte te besparen op de server
✔ Juist antwoord: A Computers gebruiken unieke nummers om records in verschillende
tabellen aan elkaar te koppelen en te onderscheiden.
Vraag 6: Wat is de correcte volgorde van de BI-workflow van data naar rapport?
A Rapport → Model → Query → Database
B PowerPivot → Power Query → Database → Rapport
C Pivot table → Model → ETL → Databron
D Database → Power Query (ETL) → PowerPivot Model → Pivot table/grafiek
✔ Juist antwoord: D De correcte flow is: data staat in de database → PQ haalt ze op → PP
slaat ze op in het model → pivot tables maken rapporten.
Thema: Financiële kernbegrippen
Vraag 7: Sales = €10.000, Cost = €8.500. Wat is de Margin %?
A 85%
B 1,5%
C 15%
D 150%
✔ Juist antwoord: C Margin % = (Sales − Cost) / Sales = (10.000 − 8.500) / 10.000 = 1.500 /
10.000 = 15%.