Wat bepaalt je eetgewoonten?
Wat je gewend bent te eten, hoe je eet & wanneer je dat doet, zijn je eetgewoonten.
Eetgewoonten zijn afhankelijk van:
● Je voorkeur
● Het land waar je woont of vandaan komt
● Je geloof
Eetgewoonten blijven niet altijd hetzelfde. Supermarkten verkopen nu andere producten dan
vijftig jaar geleden. Dat komt door mensen die op vakantie zijn geweest en nieuwe smaken
hebben meegebracht & mensen die naar Nederland zijn verhuisd vanuit een ander land. Zij
hebben hun eigen eetgewoonten meegebracht. Dat kan je nu ook gewoon hier kopen, ook
liggen er veel verschillende kant-en-klaarmaaltijden en voorgesneden groenten in de
winkels.
Wat zit er in je eten en drinken?
Iets wat je eet of drinkt, is een
voedingsmiddel. In elk voedingsmiddel
zitten voedingsstoffen.
Er zijn 6 soorten voedingsstoffen:
- Koolhydraten
- Eiwitten
- Vetten
- Mineralen
- Vitaminen
- Water
Je kan voedingsstoffen in 3 groepen kunt indelen en hebben zo hun eigen functies.
1. Energierijke stoffen, om te bewegen en om warm te blijven (Vetten koolhydraten,
zoals suikers & zetmeel)
2. Bouwstoffen, groei en opbouw van je lichaam (Eiwitten, mineralen, water & vetten)
3. Beschermende stoffen, om gezond te blijven (Vitamine & mineralen)
Volkorenbrood, groente en fruit bevatten voedingsvezels. Vezels zijn geen voedingsstoffen,
maar wel belangrijk. Ze zorgen er onder andere voor dat de spieren in je darm actiever zijn,
daardoor verteert je eten beter.
Wanneer eet je gezond?
Hoeveel je per dag van elke groep voedingsstoffen nodig hebt, hangt onder andere af van je
leeftijd en hoeveel je beweegt. Als je in de puberteit/groeisbeurt bent groei je snel, dus heb
je veel bouwstoffen nodig. Als je sport, gebruik je energierijke stoffen, als je veel sport, heb
je meer energierijke stoffen nodig dan iemand die weinig sport.
De schijf van vijf bestaat uit vijf vakken. In elk vak staat een groep voedingsmiddelen:
1. Groente en fruit (vitaminen, mineralen, koolhydraten en voedingsvezels)
2. Smeer-en bereidingsvetten (vetten, vitaminen)
3. Zuivel, noten, vis, peulvruchten, vlees en ei (eiwitten, vitaminen en mineralen)
Wat je gewend bent te eten, hoe je eet & wanneer je dat doet, zijn je eetgewoonten.
Eetgewoonten zijn afhankelijk van:
● Je voorkeur
● Het land waar je woont of vandaan komt
● Je geloof
Eetgewoonten blijven niet altijd hetzelfde. Supermarkten verkopen nu andere producten dan
vijftig jaar geleden. Dat komt door mensen die op vakantie zijn geweest en nieuwe smaken
hebben meegebracht & mensen die naar Nederland zijn verhuisd vanuit een ander land. Zij
hebben hun eigen eetgewoonten meegebracht. Dat kan je nu ook gewoon hier kopen, ook
liggen er veel verschillende kant-en-klaarmaaltijden en voorgesneden groenten in de
winkels.
Wat zit er in je eten en drinken?
Iets wat je eet of drinkt, is een
voedingsmiddel. In elk voedingsmiddel
zitten voedingsstoffen.
Er zijn 6 soorten voedingsstoffen:
- Koolhydraten
- Eiwitten
- Vetten
- Mineralen
- Vitaminen
- Water
Je kan voedingsstoffen in 3 groepen kunt indelen en hebben zo hun eigen functies.
1. Energierijke stoffen, om te bewegen en om warm te blijven (Vetten koolhydraten,
zoals suikers & zetmeel)
2. Bouwstoffen, groei en opbouw van je lichaam (Eiwitten, mineralen, water & vetten)
3. Beschermende stoffen, om gezond te blijven (Vitamine & mineralen)
Volkorenbrood, groente en fruit bevatten voedingsvezels. Vezels zijn geen voedingsstoffen,
maar wel belangrijk. Ze zorgen er onder andere voor dat de spieren in je darm actiever zijn,
daardoor verteert je eten beter.
Wanneer eet je gezond?
Hoeveel je per dag van elke groep voedingsstoffen nodig hebt, hangt onder andere af van je
leeftijd en hoeveel je beweegt. Als je in de puberteit/groeisbeurt bent groei je snel, dus heb
je veel bouwstoffen nodig. Als je sport, gebruik je energierijke stoffen, als je veel sport, heb
je meer energierijke stoffen nodig dan iemand die weinig sport.
De schijf van vijf bestaat uit vijf vakken. In elk vak staat een groep voedingsmiddelen:
1. Groente en fruit (vitaminen, mineralen, koolhydraten en voedingsvezels)
2. Smeer-en bereidingsvetten (vetten, vitaminen)
3. Zuivel, noten, vis, peulvruchten, vlees en ei (eiwitten, vitaminen en mineralen)