Business/onderneming = organisatie die G&D aan klanten aanbiedt met als doel wint maken.
⤷ Creëert toegevoegde waarde voor klant (nuttig/ waardevol bv. eten,…) en bedrijf zelf (winst)
5 kenmerken business: 1. winstgerichtheid: winst is doel van onderneming
2. G&D: biedt deze aan
3. klanten: G&D zijn waardevol voor klant
4. organisatie: business heeft gestructureerde organisatievorm met functies/
verantwoordelijkheden
5. marktgerichtheid: "zonder markt, geen business"
Business model = basisconcept van manier waarop onderneming geld verdient.
*B2B = business to business
B2C = business to consumer
Make or buy? ➙ wat is voordeliger? Tijd en geld in steken of deze gewoon bestellen
Vaste kost = een kost dat je zwz hebt, als je nu veel/ niets verkopen, deze blijft hetzelfde.
Businessmodel canvas (BMC) = is een praktische leidraad + hulpmiddel voor ondernemers/
organisaties om een businessmodel uit te werken/ actualiseren.
9 bouwstenen van BMC
Front office (1-5) = directe gerelateerd/ contact met klant
VPC (Value Proposition Canvas) = 1. Klantensegment = welke specifieke groep? ➙ creëren
persona "om groep te presenteren".
O.b.v. gemeenschappelijke
kenmerken; geografisch (BENELUX),
demografisch (leeftijd, geslacht,…),
socio-economische (beroep,
inkomen,…) ➙ raar klassement/
privacy?
(beter): Koopmotieven,
gevoeligheid voor
marketinginstrumenten.
Observeren van klanten (behoefte, pain en gains) ➙ doel:
proberen de gains te vergroten & de pains te verkleinen
, Massamarkten = hele grote groepen consumenten met vergelijkbare behoefte dat exact
zelfde product krijgen bv. Panos broodje
Gesegmenteerde markt = businessmodel is aangepast aan verschillende behoeften van de
verschillende klantensegment ➙ zorgt ervoor dat merken een
andere waardpropositie hebben, de segmenten worden niet
gemengd bv. Mercedes & smart
Multi sided platform = geen/ weinig waarde voor de ene klantengroep als de andere
klantengroep er geen gebruik van maakt, noch voor het platform bv.
YouTube: video's maken ↔ kijkers ↔ reclame op (winst voor) YT
Nichemarkten = specifiek marktsegment gericht op een beperkte doelgroep met unieke
behoeftes bv. glutenvrije voeding, kleding voor lange mensen,… Er moet
een FIT
zijn
2. waardepropositie = welke extra waarde/ voordelen het voor tussen
de klant heeft & onderscheiden van andere ondernemingen. deze 2!
Ontwerpen: het spiegelbeeld van wat je hebt geobserveerd
➙ aansluiten bij behoeftes van klant/klantensegment, pain
wegnemen en gains vergroten.
*Als er obstakels komen, "hervorm u markt" bv. Zwitserse horlogermakers (1970) <-> digitale
horloges ➙ herpositioneren hun in de juwelen-/modebusiness.
3. kanalen = hoe bereiken we onze klanten (verkoop, levering &
communicatie)?
Doel:
o Klanten bewustmaken van ons aanbod
o Klanten onze waardepropositie voorstellen
o Onze G&D aan klanten verkopen
o Onze G&D aan klanten leveren
→ Geen tussenschakels (korte keten, producent - klant)
→ Wel tussenschakels (lange keten, groothandel - kleinhandel)
4. klantrelaties
Welke soort relatie verwacht klantensegment?
Welke soort relatie wil onderneming met klant?
i. Onderneming moet klanten verwerven
ii. Relatie opbouwen (communicatie)
Onderneming kan klant fideliseren (vertrouwen),
Upselling = zelfde product maar kwaliteitslevel hoger aan
betere prijs verkopen, want trouwe klant.
Cross selling = pakket aan bieden bv. gsm met hoesje & lader
Soorten klantenrelatie (hoe belangrijk ben ik?):
o Persoonlijke assistentie: persoonlijke ondersteuning via
mail, telefoon
o Persoonlijke contactpersoon
o Selfservice: FAQ’s
o Geautomatiseerde bediening
o Community: klanten helpen elkaar
o Co-creaties: feedback
, CLV (Costumer Lifetime/ Lifecycle Value) = men probeert in te schatten wat ze aan klant
kunnen verdienen tijdens de periode van relatie
(➙ tijdens verschillende levensfases).
5. inkomstenstromen = hoe de gecreëerde en geleverde waarde
capteren (/ontvangen) bv. eenmalig
verkoop (gsm), abonnementsgeld,
verhuur/leasing,…
Back office (6-9) = "achter de schermen”, operationele kant
6. kernmiddelen en kerncompetenties
Kernmiddelen = middelen waarover de onderneming moet
beschikken om het businessmodel te realiseren;
im-/materiele vast actief, vlottende activa en financiering
Franchiseconcept = businessmodel; hoe het bedrijf werkt merk, inrichting,
leverancier, marketing,…
Francisecontract = juridisch document; de duur, regels, franchise fee (kost),…
*Dochteronderneming ≠ franchiser (zelfstandige)
Financiële middelen zijn nodig voor investering (machines, licenties,..) en
werking van onderneming (voorraad,…) + originele financiële oplossingen
kunnen waarde propositie voor klant verrijken bv. leasing
Kerncompetenties = de kennis, vaardigheden en attitude, mensen van bedrijf
7. kernactiviteiten = wat de mensen doen/ produceren om
waarde te creëren voor klant (beschrijving van job)
8. kernpartners = uitvoeren/ leveren kernactiviteiten, deze
kunnen
o Financieel: voor financiering
o Efficiëntie/ rendabiliteit: samenwerken met andere
bedrijven voor ontwikkeling product ➙ efficiënter,
goedkoper, kunnen het beter ➙ beter focussen op eigen
activiteit
o Risicobeperking: risico delen met kernpartner
⤷ Creëert toegevoegde waarde voor klant (nuttig/ waardevol bv. eten,…) en bedrijf zelf (winst)
5 kenmerken business: 1. winstgerichtheid: winst is doel van onderneming
2. G&D: biedt deze aan
3. klanten: G&D zijn waardevol voor klant
4. organisatie: business heeft gestructureerde organisatievorm met functies/
verantwoordelijkheden
5. marktgerichtheid: "zonder markt, geen business"
Business model = basisconcept van manier waarop onderneming geld verdient.
*B2B = business to business
B2C = business to consumer
Make or buy? ➙ wat is voordeliger? Tijd en geld in steken of deze gewoon bestellen
Vaste kost = een kost dat je zwz hebt, als je nu veel/ niets verkopen, deze blijft hetzelfde.
Businessmodel canvas (BMC) = is een praktische leidraad + hulpmiddel voor ondernemers/
organisaties om een businessmodel uit te werken/ actualiseren.
9 bouwstenen van BMC
Front office (1-5) = directe gerelateerd/ contact met klant
VPC (Value Proposition Canvas) = 1. Klantensegment = welke specifieke groep? ➙ creëren
persona "om groep te presenteren".
O.b.v. gemeenschappelijke
kenmerken; geografisch (BENELUX),
demografisch (leeftijd, geslacht,…),
socio-economische (beroep,
inkomen,…) ➙ raar klassement/
privacy?
(beter): Koopmotieven,
gevoeligheid voor
marketinginstrumenten.
Observeren van klanten (behoefte, pain en gains) ➙ doel:
proberen de gains te vergroten & de pains te verkleinen
, Massamarkten = hele grote groepen consumenten met vergelijkbare behoefte dat exact
zelfde product krijgen bv. Panos broodje
Gesegmenteerde markt = businessmodel is aangepast aan verschillende behoeften van de
verschillende klantensegment ➙ zorgt ervoor dat merken een
andere waardpropositie hebben, de segmenten worden niet
gemengd bv. Mercedes & smart
Multi sided platform = geen/ weinig waarde voor de ene klantengroep als de andere
klantengroep er geen gebruik van maakt, noch voor het platform bv.
YouTube: video's maken ↔ kijkers ↔ reclame op (winst voor) YT
Nichemarkten = specifiek marktsegment gericht op een beperkte doelgroep met unieke
behoeftes bv. glutenvrije voeding, kleding voor lange mensen,… Er moet
een FIT
zijn
2. waardepropositie = welke extra waarde/ voordelen het voor tussen
de klant heeft & onderscheiden van andere ondernemingen. deze 2!
Ontwerpen: het spiegelbeeld van wat je hebt geobserveerd
➙ aansluiten bij behoeftes van klant/klantensegment, pain
wegnemen en gains vergroten.
*Als er obstakels komen, "hervorm u markt" bv. Zwitserse horlogermakers (1970) <-> digitale
horloges ➙ herpositioneren hun in de juwelen-/modebusiness.
3. kanalen = hoe bereiken we onze klanten (verkoop, levering &
communicatie)?
Doel:
o Klanten bewustmaken van ons aanbod
o Klanten onze waardepropositie voorstellen
o Onze G&D aan klanten verkopen
o Onze G&D aan klanten leveren
→ Geen tussenschakels (korte keten, producent - klant)
→ Wel tussenschakels (lange keten, groothandel - kleinhandel)
4. klantrelaties
Welke soort relatie verwacht klantensegment?
Welke soort relatie wil onderneming met klant?
i. Onderneming moet klanten verwerven
ii. Relatie opbouwen (communicatie)
Onderneming kan klant fideliseren (vertrouwen),
Upselling = zelfde product maar kwaliteitslevel hoger aan
betere prijs verkopen, want trouwe klant.
Cross selling = pakket aan bieden bv. gsm met hoesje & lader
Soorten klantenrelatie (hoe belangrijk ben ik?):
o Persoonlijke assistentie: persoonlijke ondersteuning via
mail, telefoon
o Persoonlijke contactpersoon
o Selfservice: FAQ’s
o Geautomatiseerde bediening
o Community: klanten helpen elkaar
o Co-creaties: feedback
, CLV (Costumer Lifetime/ Lifecycle Value) = men probeert in te schatten wat ze aan klant
kunnen verdienen tijdens de periode van relatie
(➙ tijdens verschillende levensfases).
5. inkomstenstromen = hoe de gecreëerde en geleverde waarde
capteren (/ontvangen) bv. eenmalig
verkoop (gsm), abonnementsgeld,
verhuur/leasing,…
Back office (6-9) = "achter de schermen”, operationele kant
6. kernmiddelen en kerncompetenties
Kernmiddelen = middelen waarover de onderneming moet
beschikken om het businessmodel te realiseren;
im-/materiele vast actief, vlottende activa en financiering
Franchiseconcept = businessmodel; hoe het bedrijf werkt merk, inrichting,
leverancier, marketing,…
Francisecontract = juridisch document; de duur, regels, franchise fee (kost),…
*Dochteronderneming ≠ franchiser (zelfstandige)
Financiële middelen zijn nodig voor investering (machines, licenties,..) en
werking van onderneming (voorraad,…) + originele financiële oplossingen
kunnen waarde propositie voor klant verrijken bv. leasing
Kerncompetenties = de kennis, vaardigheden en attitude, mensen van bedrijf
7. kernactiviteiten = wat de mensen doen/ produceren om
waarde te creëren voor klant (beschrijving van job)
8. kernpartners = uitvoeren/ leveren kernactiviteiten, deze
kunnen
o Financieel: voor financiering
o Efficiëntie/ rendabiliteit: samenwerken met andere
bedrijven voor ontwikkeling product ➙ efficiënter,
goedkoper, kunnen het beter ➙ beter focussen op eigen
activiteit
o Risicobeperking: risico delen met kernpartner