Fysiologie
Nederlands Nederlands
studie van het functioneren van het organisme en
het functioneren van de organen, de
Fysiologie
eigenschappen en functies van levende materie
met behulp van natuurwetenschappelijke methoden
thorax borstholte
abdomen buikholte
pelvis bekken
cephalon hoofd
cerebrum grote hersenen
haem bloed
ren nier
cardium hart
pneumon long
pancreas alvleesklier
gaster maag
lien milt
oris mond
nasus neus
manus hand
glandus klier
diafragma middenrif
peritoneum buikvlies
intestinum darmen
hepar lever
uterus baarmoeder
os been
Studie van de mechanismen achter de
Algemene fysiologie gemeenschappelijke eigenschappen van cellen of
organen
Speciële fysiologie Studie van de werking van een bepaald orgaan
Studie van de werking van organen onder
Toegepaste fysiologie
bijzondere omstandigheden
, kleinste levende eenheid, basisbouwsteen van het
organisme (biologisch standpunt), fundamentele
de cel
stofwisselingseenheid van het organisme
(fysiologisch standpunt)
grote kolonie eukaryote ééncelligen met bijhorende
kenmerken + cellen zijn gespecialiseerd in één
Meercellig organisme bepaalde functie/eigenschap, hebben een grote
onderlinge afhankelijkheid & zijn onderling
verschillend in functie, vorm, opbouw, …
Alle mechanismen die de cel in staat stellen om
Animale fysiologische functies doelgerichtte reageren op plotse veranderingen in
de omgeving
vermogen om inwendig te reageren op een
Prikkelbaarheid/reactievermogen plotseverandering in de uitwendige
omstandigheden
Alle mechanismen die groei, ontwikkeling en
Vegetatieve fysiologische functies
voortbestaanmogelijk maken
het milieu interieur, extracellulaire ruimte gevuld
interstitium met de interstitiële vloeistof, dunne laagje rond elke
cel van een weefsel in een meercellig organisme
alle fysiologische processen met als doel de
samenstelling van het interstitium en het bloed zo
constant mogelijk te houden om de vegetatieve
Regulering van de homeostase
fysiologische functies in stand te houden (door
samenwerking van vegetatieve zenuwstelsel en
hormonale stelsel)
totale concentratie van opgeloste deeltjes die niet
Osmolariteit/osmotische waarde door de membraan kunnen (osmotisch actieve
stoffen)
druk die nodig is om elke waterverplaatsing te
osmotische druk verhinderen, indicatie voor kracht van
waterbeweging
Netto transport doorheen de celmembraan van
diffusie
hoge naar lage concentratie
hydrofiele stoffen Geladen of ongeladen polaire moleculen
Carrier sterk lipofiel (apolair) integraal of perifeer eiwit
Uniport transport van 1 molecule via carrier
Transport volgens de concentratie- en/of
Ondersteunde / geleide / gefaciliteerde diffusie
elektrische gradiënt, uniport
Transport tegen de concentratie- en/of elektrische
Secundair actief transport
gradiënt in, cotransport -> symport/antiport
, carrier verplaatst niet één maar verschillende
Cotransport
moleculen of ionen over de membraan
2 of meer moleculen worden in dezelfde richting
symport
getransporteerd
antiport de carrier neemt moleculen mee op zijn terugweg
Verantwoordelijk voor snelle transport van glucose
GLUT 2 in cel, zodat concentratie in de cel quasi altijd
gelijk is aan bloedglucoseconcentratie
Verantwoordelijk voor insulinegestimuleerd
GLUT4
glucosetransport
GLUT 5 Verantwoordelijk voor het transport fructose
GLUT Glucose Transporter
SGLT Sodium-Glucose Linked Transporter
gespecialiseerde met water gevulde poriën,
ionkanalen
complex proteïne met gaten en strengen
membraanpotentiaal (=Vm) spanningsverschil over celmembraan
lekstroom De ionenstroom door een passief kanaal
lekkanalen/leak channels, onveranderlijke
Passieve ionkanalen
permeabiliteit (continu open)
Actieve ionkanalen gated channels, veranderlijke permeabiliteit
stevige verbindingen tussen uiteinden van twee
Intercalaire schijven hartspiercellen, bestaan uit desmosomen en gap
junctions
potentiaalverschil/spanningsverschil over de
membraan waarbij het intracellulair milieu een
(trans)membraanpotentiaal/evenwichtspotentiaal
andere lading heeft dan het extracellulair milieu bij
evenwicht
multimeer (bestaat uit meerdere eiwitten)
transmembranair eiwitcomplex in de celmembraan,
Na+/K+-pomp/ Na+/K+-ATPase
ATP-afhankelijk antiport-systeem dat gebruik
maakt van het enzym ATPase
PMCA Plasma Membrane Ca²⁺‑ATPase
SPCA Secretory Pathway Ca²⁺‑ATPase
SERCA Sarcoplasmic/Endoplasmic Reticulum Ca²⁺‑ATPase
blaasjestransport, transportmechanismen die
Vesiculair transpor gepaard gaan met een vormverandering van de
celmembraan
Bepaalde hormonen/hormoonachtige stoffen (EGF)
of stoffen gebonden aan transportproteïnen (vb.
liganden
Nederlands Nederlands
studie van het functioneren van het organisme en
het functioneren van de organen, de
Fysiologie
eigenschappen en functies van levende materie
met behulp van natuurwetenschappelijke methoden
thorax borstholte
abdomen buikholte
pelvis bekken
cephalon hoofd
cerebrum grote hersenen
haem bloed
ren nier
cardium hart
pneumon long
pancreas alvleesklier
gaster maag
lien milt
oris mond
nasus neus
manus hand
glandus klier
diafragma middenrif
peritoneum buikvlies
intestinum darmen
hepar lever
uterus baarmoeder
os been
Studie van de mechanismen achter de
Algemene fysiologie gemeenschappelijke eigenschappen van cellen of
organen
Speciële fysiologie Studie van de werking van een bepaald orgaan
Studie van de werking van organen onder
Toegepaste fysiologie
bijzondere omstandigheden
, kleinste levende eenheid, basisbouwsteen van het
organisme (biologisch standpunt), fundamentele
de cel
stofwisselingseenheid van het organisme
(fysiologisch standpunt)
grote kolonie eukaryote ééncelligen met bijhorende
kenmerken + cellen zijn gespecialiseerd in één
Meercellig organisme bepaalde functie/eigenschap, hebben een grote
onderlinge afhankelijkheid & zijn onderling
verschillend in functie, vorm, opbouw, …
Alle mechanismen die de cel in staat stellen om
Animale fysiologische functies doelgerichtte reageren op plotse veranderingen in
de omgeving
vermogen om inwendig te reageren op een
Prikkelbaarheid/reactievermogen plotseverandering in de uitwendige
omstandigheden
Alle mechanismen die groei, ontwikkeling en
Vegetatieve fysiologische functies
voortbestaanmogelijk maken
het milieu interieur, extracellulaire ruimte gevuld
interstitium met de interstitiële vloeistof, dunne laagje rond elke
cel van een weefsel in een meercellig organisme
alle fysiologische processen met als doel de
samenstelling van het interstitium en het bloed zo
constant mogelijk te houden om de vegetatieve
Regulering van de homeostase
fysiologische functies in stand te houden (door
samenwerking van vegetatieve zenuwstelsel en
hormonale stelsel)
totale concentratie van opgeloste deeltjes die niet
Osmolariteit/osmotische waarde door de membraan kunnen (osmotisch actieve
stoffen)
druk die nodig is om elke waterverplaatsing te
osmotische druk verhinderen, indicatie voor kracht van
waterbeweging
Netto transport doorheen de celmembraan van
diffusie
hoge naar lage concentratie
hydrofiele stoffen Geladen of ongeladen polaire moleculen
Carrier sterk lipofiel (apolair) integraal of perifeer eiwit
Uniport transport van 1 molecule via carrier
Transport volgens de concentratie- en/of
Ondersteunde / geleide / gefaciliteerde diffusie
elektrische gradiënt, uniport
Transport tegen de concentratie- en/of elektrische
Secundair actief transport
gradiënt in, cotransport -> symport/antiport
, carrier verplaatst niet één maar verschillende
Cotransport
moleculen of ionen over de membraan
2 of meer moleculen worden in dezelfde richting
symport
getransporteerd
antiport de carrier neemt moleculen mee op zijn terugweg
Verantwoordelijk voor snelle transport van glucose
GLUT 2 in cel, zodat concentratie in de cel quasi altijd
gelijk is aan bloedglucoseconcentratie
Verantwoordelijk voor insulinegestimuleerd
GLUT4
glucosetransport
GLUT 5 Verantwoordelijk voor het transport fructose
GLUT Glucose Transporter
SGLT Sodium-Glucose Linked Transporter
gespecialiseerde met water gevulde poriën,
ionkanalen
complex proteïne met gaten en strengen
membraanpotentiaal (=Vm) spanningsverschil over celmembraan
lekstroom De ionenstroom door een passief kanaal
lekkanalen/leak channels, onveranderlijke
Passieve ionkanalen
permeabiliteit (continu open)
Actieve ionkanalen gated channels, veranderlijke permeabiliteit
stevige verbindingen tussen uiteinden van twee
Intercalaire schijven hartspiercellen, bestaan uit desmosomen en gap
junctions
potentiaalverschil/spanningsverschil over de
membraan waarbij het intracellulair milieu een
(trans)membraanpotentiaal/evenwichtspotentiaal
andere lading heeft dan het extracellulair milieu bij
evenwicht
multimeer (bestaat uit meerdere eiwitten)
transmembranair eiwitcomplex in de celmembraan,
Na+/K+-pomp/ Na+/K+-ATPase
ATP-afhankelijk antiport-systeem dat gebruik
maakt van het enzym ATPase
PMCA Plasma Membrane Ca²⁺‑ATPase
SPCA Secretory Pathway Ca²⁺‑ATPase
SERCA Sarcoplasmic/Endoplasmic Reticulum Ca²⁺‑ATPase
blaasjestransport, transportmechanismen die
Vesiculair transpor gepaard gaan met een vormverandering van de
celmembraan
Bepaalde hormonen/hormoonachtige stoffen (EGF)
of stoffen gebonden aan transportproteïnen (vb.
liganden