Ontwikkelingspsychologie (1)
- Prenatale periode = conceptie - geboorte
- Baby- & peutertijd = geboorte - 3 jaar
- Kleutertijd = 3 - 6 jaar
- Schooltijd = 6 - 12 jaar
- Adolescentie = 12 - 20 jaar
Iedere persoon behoort tot een bepaalt cohort; een groep mensen die rond dezelfde tijd, op
dezelfde plek geboren zijn
⇒ Belangrijke sociale gebeurtenissen hebben een bepaalde invloed op alle leden v/e cohort
Ontwikkeling wordt ook bepaald door normatieve invloeden (etnische afkomst, sociale klasse,...)
⇒ leiden tot conformiteit (mensen vrezen de gevolgen van afwijkend gedrag)
Continue verandering vs discontinue verandering
- Continue verandering; geleidelijke ontwikkeling waarbij prestaties op een bepaald niveau
voortvloeien uit die van de vorige niveaus
- Discontinue veranderig; ontwikkeling die in aparte stappen/stadia plaatsvindt, en waarbij elk
stadium gedrag oplevert dat kwalitatief anders is dan gedrag in eerdere stadia
● Kritieke periode; een specifieke tijd in de ontwikkeling waarin een bepaalde gebeurtenis de
grootste gevolgen heeft
● Plasticiteit; De mate waarin een zich ontwikkelend gedragspatroon/fysieke structuur kan
worden gewijzigd
● Gevoelige periode; een afgebakende periode, meestal vroeg in het leven van een organisme,
waarin dat organisme extra gevoelig is voor omgevingsinvloeden die betrekking hebben op
een bepaald facet van de ontwikkeling
Verschil kritieke periode & gevoelige periode; Er zijn permanente&onomkeerbare gevolgen wanneer
een individu in ontwikkeling bepaalde invloeden mist tijdens kritieke perioden.
● Levensloopmodel; in moderne theorieën ligt de nadruk op groei & verandering in de loop
van het leven en op verbanden tussen verschillende perioden
● Focus op specifieke perioden; vroege ontwikkelingspsychologen zien de kindertijd &
adolescentie nadrukkelijk als de belangrijkste periode
● Nature; De nadruk ligt op het ontdekken van erfelijke eigenschappen & vermogens
● Nurture; De nadruk ligt op de invloed van de omgeving op iemands ontwikkeling
⇒ Er is interactie tussen nature & nurture
Door genetische achtergrond zijn we geneigd tot bepaald gedrag, maar vertonen dat gedrag niet per
se zonder passende omgeving.
ZIE PERSPECTIEVEN (ANDERE DOCUMENTEN)
1
,● Klassieke conditionering; vorm van leren waarbij een organisme op een bepaalde manier
leert reageren op een neutrale stimulus, die de respons normaal gesproken niet uitlokt.
(John B. Watson)
● Operante conditionering; vorm van leren waarbij een vrijwillige respons versterkt of
verzwakt wordt, afhankelijk van een associatie met positieve/negatieve consequenties. (B.F.
Skinner)
2
, ● Sociaal-cognitieve leertheorie; benadering van ontwikkeling waarbij de nadruk ligt op leren
door het observeren van gedrag van een ander persoon (een model).
Cognitieve ontwikkelingstheorie van Piaget
● Informatieverwerkingstheorie; benadering van cognitieve ontwikkeling waarbij men
probeert te achterhalen op welke manieren mensen info coderen, opslaan en terughalen.
Cognitieve neurowetenschappen
● Socioculturele theorie (Vygotsky); benadering waarbij het verloop van de cognitieve
ontwikkeling gezien wordt als het resultaat van de sociale interacties tussen de leden van
een cultuur.
⇒ Door met anderen in interactie te gaan leren kinderen begrijpen hoe de wereld in elkaar zit en
leren ze probleemoplossend denken.
⇒ Theorie benadrukt dat er een wederzijdse transactie is tussen mensen in de omgeving van het
kind en het kind zelf. Mensen bieden scaffolding aan kinderen bij het leren hoe ze een taak moeten
uitvoeren.
3
, Hoofdstuk 3: Het begin van het leven
1. Erfelijkheid
Gameten; Geslachtscellen van de moeder & vader, die samen een nieuwe cel vormen tijdens de
bevruchting.
⇒ +/- 1 u nadat de spermacel het ovum is binnen gegaan, fuseren de 2 gameten tot 1 cel; de zygote
⇒ Zygote = nieuwe cel die wordt gevormd door het bevruchtingsproces
3.1.1 Genen & chromosomen: de code van het leven
Genetische code wordt opgeslagen in onze genen
⇒ Gen = basiseenheid van genetische informatie (bevatten info voor alle erfelijke eigenschappen)
Alle genen zijn opgebouwd uit DNA (= substantie waaruit genen bestaan, die bepalend is voor de
aard&functie van elke cel in het lichaam)
⇒ DNA bevat genetische code die verbonden zijn met elkaar = 46 chromosomen/23chromosomen
paren
Specifieke genen in precieze locaties op het chromosoom bepalen de aard & functioneren van elke
cel in het lichaam.
Geslachtsbepaling
⇒ Vader bepaalt het geslacht
Moeder; XX Vader; XY
Dochter krijgt 1 X chromosoom van moeder en 1 X chromosoom van vader
Zoon krijgt 1 X chromosoom van moeder en 1 Y chromosoom van vader
4
- Prenatale periode = conceptie - geboorte
- Baby- & peutertijd = geboorte - 3 jaar
- Kleutertijd = 3 - 6 jaar
- Schooltijd = 6 - 12 jaar
- Adolescentie = 12 - 20 jaar
Iedere persoon behoort tot een bepaalt cohort; een groep mensen die rond dezelfde tijd, op
dezelfde plek geboren zijn
⇒ Belangrijke sociale gebeurtenissen hebben een bepaalde invloed op alle leden v/e cohort
Ontwikkeling wordt ook bepaald door normatieve invloeden (etnische afkomst, sociale klasse,...)
⇒ leiden tot conformiteit (mensen vrezen de gevolgen van afwijkend gedrag)
Continue verandering vs discontinue verandering
- Continue verandering; geleidelijke ontwikkeling waarbij prestaties op een bepaald niveau
voortvloeien uit die van de vorige niveaus
- Discontinue veranderig; ontwikkeling die in aparte stappen/stadia plaatsvindt, en waarbij elk
stadium gedrag oplevert dat kwalitatief anders is dan gedrag in eerdere stadia
● Kritieke periode; een specifieke tijd in de ontwikkeling waarin een bepaalde gebeurtenis de
grootste gevolgen heeft
● Plasticiteit; De mate waarin een zich ontwikkelend gedragspatroon/fysieke structuur kan
worden gewijzigd
● Gevoelige periode; een afgebakende periode, meestal vroeg in het leven van een organisme,
waarin dat organisme extra gevoelig is voor omgevingsinvloeden die betrekking hebben op
een bepaald facet van de ontwikkeling
Verschil kritieke periode & gevoelige periode; Er zijn permanente&onomkeerbare gevolgen wanneer
een individu in ontwikkeling bepaalde invloeden mist tijdens kritieke perioden.
● Levensloopmodel; in moderne theorieën ligt de nadruk op groei & verandering in de loop
van het leven en op verbanden tussen verschillende perioden
● Focus op specifieke perioden; vroege ontwikkelingspsychologen zien de kindertijd &
adolescentie nadrukkelijk als de belangrijkste periode
● Nature; De nadruk ligt op het ontdekken van erfelijke eigenschappen & vermogens
● Nurture; De nadruk ligt op de invloed van de omgeving op iemands ontwikkeling
⇒ Er is interactie tussen nature & nurture
Door genetische achtergrond zijn we geneigd tot bepaald gedrag, maar vertonen dat gedrag niet per
se zonder passende omgeving.
ZIE PERSPECTIEVEN (ANDERE DOCUMENTEN)
1
,● Klassieke conditionering; vorm van leren waarbij een organisme op een bepaalde manier
leert reageren op een neutrale stimulus, die de respons normaal gesproken niet uitlokt.
(John B. Watson)
● Operante conditionering; vorm van leren waarbij een vrijwillige respons versterkt of
verzwakt wordt, afhankelijk van een associatie met positieve/negatieve consequenties. (B.F.
Skinner)
2
, ● Sociaal-cognitieve leertheorie; benadering van ontwikkeling waarbij de nadruk ligt op leren
door het observeren van gedrag van een ander persoon (een model).
Cognitieve ontwikkelingstheorie van Piaget
● Informatieverwerkingstheorie; benadering van cognitieve ontwikkeling waarbij men
probeert te achterhalen op welke manieren mensen info coderen, opslaan en terughalen.
Cognitieve neurowetenschappen
● Socioculturele theorie (Vygotsky); benadering waarbij het verloop van de cognitieve
ontwikkeling gezien wordt als het resultaat van de sociale interacties tussen de leden van
een cultuur.
⇒ Door met anderen in interactie te gaan leren kinderen begrijpen hoe de wereld in elkaar zit en
leren ze probleemoplossend denken.
⇒ Theorie benadrukt dat er een wederzijdse transactie is tussen mensen in de omgeving van het
kind en het kind zelf. Mensen bieden scaffolding aan kinderen bij het leren hoe ze een taak moeten
uitvoeren.
3
, Hoofdstuk 3: Het begin van het leven
1. Erfelijkheid
Gameten; Geslachtscellen van de moeder & vader, die samen een nieuwe cel vormen tijdens de
bevruchting.
⇒ +/- 1 u nadat de spermacel het ovum is binnen gegaan, fuseren de 2 gameten tot 1 cel; de zygote
⇒ Zygote = nieuwe cel die wordt gevormd door het bevruchtingsproces
3.1.1 Genen & chromosomen: de code van het leven
Genetische code wordt opgeslagen in onze genen
⇒ Gen = basiseenheid van genetische informatie (bevatten info voor alle erfelijke eigenschappen)
Alle genen zijn opgebouwd uit DNA (= substantie waaruit genen bestaan, die bepalend is voor de
aard&functie van elke cel in het lichaam)
⇒ DNA bevat genetische code die verbonden zijn met elkaar = 46 chromosomen/23chromosomen
paren
Specifieke genen in precieze locaties op het chromosoom bepalen de aard & functioneren van elke
cel in het lichaam.
Geslachtsbepaling
⇒ Vader bepaalt het geslacht
Moeder; XX Vader; XY
Dochter krijgt 1 X chromosoom van moeder en 1 X chromosoom van vader
Zoon krijgt 1 X chromosoom van moeder en 1 Y chromosoom van vader
4