: verkennen van impact vh overheidsbeleid op de algemene bedrijfsomgeving
Th 1: rol van de overheid in de economie
doelstellingen en instrumenten van economisch beleid
● rol van de overheid in de economie
⇒ gemengde economie
- klassieke marktpartijen (bedrijven, organisaties, consumenten)
- overheid (actieve rol in economisch proces)
EX omvang van de overheid kan gemeten worden via…
→ aantal ambtenaren in totale werkgelegenheid (hoeveel mensen werken voor OH?)
hoe hoger dit aandeel, hoe groter rol OH op arbeidsmarkt
→ aantal overheidsproductie in het BBP (= C + I + G (E - Z))
aandeel G toont hoe belangrijk OH economisch is
C = consumptie I = investeringen G = OHuitgaven E = export Z = invoer
● Wat is overheidsbeleid?
beleid: streven naar bereiken van bepaalde doeleinden met bepaalde middelen, tijd keuzes
= doelstellingen
= instrumenten (middelen)
= tijdskeuze
economische politiek
: het geheel van maatregelen die door een beleidsvoerder wordt genomen om doelstellingen
op het domein van allocatie, ordening, stabilisatie en verdeling te realiseren
efficiëntie: worden middelen zuinig gebruikt?, goedkoopste manier om doel te bereiken
!! over efficiëntie niet oordelen want kostprijs is niet gekend (je moet kosten kennen)
≠ effectiviteit: wordt het gewenste effect bereikt?, draagt beleid bij aan doelstelling?
≠ doelbereiking: wordt de doelstelling zelf gehaald?, mate waarin doel bereikt wordt
z = meting op t0
b = situatie zonder beleid
c = situatie met beleid
d = doelstellingen
,verschil b en c ⇒ effectiviteit van het beleid
als b ≠ c → beleid heeft effect
als b = c → beleid heeft geen effect, doelbereiking blijft hetzelfde, beleid niet efficiënt
als c = d → doel bereikt
als c < d → doel is niet gerealiseerd (doelbereiking)
EX: leg adhv een voorbeeld het verschil tussen doelbereiking en effectiviteit uit
Wie is verantwoordelijk voor economisch beleid?
- politieke overheden
- administraties
- centrale bank (=monetaire overheid)
- kiezers
- parlement
- belangengroepen
- buitenlandse instellingen
!! dus niet enkel de taak van de regering
internationale organisaties
IMF = stabiliteit van het internationale monetair systeem behouden
⇒ bijhouden van wereldeconomie en economieën van landen
⇒ leningen aan landen met betalingsbalansproblemen
⇒ praktische hulp aan leden
WTO (wereldhandelsorganisatie): onderhoud regels van handel tss landen
wereldbank: verleent financiële en technische hulp aan ontwikkelingslanden
BIS (bank for international settlements): ondersteunen van centrale banken
nationale organisaties
federaal planbureau: maakt studies en voorspellingen over economische, sociale en
milieubeleid kwesties
hoge raad van financiën: analyseren, bestuderen en hervormen financiële problemen
(begroting, overheidsfinanciën, fiscale hervormingen)
● doelstellingen van economisch beleid
⇒ 3 grote doelstellingen (stabilisatie, herverdeling, allocatie)
, 1. stabilisatie
doel = macro-economisch evenwicht bereiken
(4 belangrijke doelstellingen)
➔ selectieve economische groei
: economie moet groeien, maar kwalitatieve groei is belangrijk
➢ groeipercentage vh BBP
! kritiek op BBP
- geen rekening met vrijwilligerswerk en zwartwerk
- wisselkoerseffecten bij internationale vergelijkingen
- geen rekening met vermogen
- geen welzijns meting → world happiness report
➔ optimale benutting van productiefactoren (arbeid, kapitaal, grondstoffen)
➢ werkloosheidspercentage
➢ activiteitsgraad
➢ werkgelegenheidsgroei
! natuurlijke werkloosheidsgraad
→ niet alle werkloosheid kan verdwijnen (frictie/structurele werkloosheid)
NAIRU (non accelerating inflation rate of unemployment)
: werkloosheidsgraad waarbij inflatie niet versnelt
→ als werkloosheid onder dit niveau daalt, nemen loonstijgingen en inflatie toe
➔ lage inflatie
doel = stabiel prijsniveau
➢ consumptieprijsindex (CPI)
➢ bbp-deflator
! benchmark eurozone: 2% op middellange termijn
! benchmark USA: gemiddelde 2%
⇒ geen hoge inflatie, maar ook geen deflatie
➔ evenwicht betalingsbalans
doel = geen ernstige tekorten of overschotten
➢ saldo handelsbalans (% BBP)
➢ saldo lopende rekening
2. herverdeling
: rechtvaardige verdeling van inkomens en vermogens
⇒ gini-index (meet inkomensongelijkheid)
- 0 = volledige gelijkheid
- 100 = maximale ongelijkheid
hoe hoger, hoe ongelijker de samenleving
, 3. allocatie
: bevredigende samenstelling van nationale productie
⇒ goede verhouding tussen C, I, G, (E - Z)
⇒ goede verhouding tussen private en publieke goederen
conflicten tussen doelstellingen
= trade-offs = negatieve ruil (↗, ↘)
○ inflatiegraad en werkloosheidsgraad (phillips-curve)
lage werkloosheid ⇒ hogere inflatie
lage inflatie ⇒ hogere werkloosheid
○ evenwicht op betalingsbalans en groei
meer eco. groei (meer consumptie) ⇒ meer invoer ⇒ slechtere
handelsbalans
○ groei en milieu
meer productie ⇒ meer vervuiling, uitputting grondstoffen
○ tewerkstelling en huiseigenaarschap
zie Oswald-hypothese
Oswald hypothese
→ hoe hoger % huiseigenaars in een land, hoe hoger de werkloosheid
(huiseigenaars zijn minder mobiel dan huurders = minder arbeidsmarktflexibiliteit)
○ groei en rechtvaardige inkomensverdeling
zie Kuznets-curve
Kuznets-curve
: verband tussen economische groei (bbp per capita) en inkomensongelijkheid
1) arme economie
= lage inkomens, lage ongelijkheid
2) industrialisatie
= snelle groei, stijging ongelijkheid
3) verdere ontwikkeling
= herverdeling, ongelijkheid daalt
,positief verband tussen overheidsdoelstellingen
+ inkomensongelijkheid en gezondheids-, sociale problemen
minder inkomensongelijkheid ⇒ minder gezondheids en sociale problemen
hoe een globale beoordeling maken van economisch beleid?
→ diamant voorstelling
: grafische voorstelling van verschillende economische prestaties van 1/groep landen
→ samengestelde prestatie-indicatoren
➢ global innovation index
➢ global competitiveness index
➢ world competitiveness index
➢ okun’s misery index: som inflatie% en werkloosheid% (= #werklozen/ beroepsbev.)
= hoe hoger, hoe slechter economische situatie
+ 1 kengetal, eenvoudig
- gelijke weging (verschillende situaties kunnen tot hetzelfde leiden)
● instrumenten van economisch beleid
activiteiten gericht op het leveren van prestaties om effecten te realiseren
vb. subsidies, belastingen, gedragscode, informatiecampagne
soorten instrumenten (instrumenten typologie/ policy repertoire/ gereedschapskist vd OH)
1) ondersteunende/ interne instrumenten = gericht op interne werking overheid
vb. personeelsvorming, interne organisatie, digitalisering administratie
2) beleids- / externe instrumenten = gericht op relaties externen en overheid
- gedragsbeïnvloedende instrumenten of coproductie (ONZEKER)
: overheid probeert gedrag te sturen
vb. subsidies, belastingen, sensibiliseringscampagnes
- rechtstreekse instrumenten of overheidsproductie, voorzieningen (ZEKER)
: overheid produceert zelf goederen/diensten
vb. riolering, bruggen, onderwijs, wegen
, typologie van beleidsinstrumenten (Van der Doelen)
→ obv 4 criteria
1) stimulerend = keuzemogelijkheden verhogen (bv. subsidies, belastingvermindering)
⇐⇒beperkend = keuzemogelijkheden verlagen (bv. belastingen, quota)
2) reikwijdte
- algemeen = geld voor iedereen (bv. btw-verhoging)
- individueel = gericht op specifieke actor/doelgroep (bv. subsidie voor 1 bedrijf)
3) relatie overheid - actor
- constituerend: stelt regels en kader (bv. verkeersregels)
- dirigerend: stuurt actief gedrag, gedrag veranderen (bv. subsidie zonnepanelen)
4) type instrument
I. economisch → financiele prikkels (subsidie, belasting)
II. juridisch → verplichten of verbieden (rookverbod, verkeersborden)
III. communicatief → informeren, overtuigen (campagne, waarschuwingen)
beleidsinstrumentenmix: meerdere instrumenten combineren om probleem op te lossen
3 vormen:
➔ tijdelijke beleidsinstrumentenmix: evolutie van instrumenten doorheen de tijd
triple E-strategy
- education: communicatieve instrumenten (doel = informeren, sensibiliseren)
- engineering: economische instrumenten (doel = gedrag financieel sturen)
- enforcement: juridische instrumenten (doel = gedrag afdwingen)
➔ verticale beleidsinstrumentenmix: instrumenten gericht op verschillende doelgroepen
➔ horizontale beleidsinstrumenten mix: aantal en type instrumenten per doelgroep
give-and-take strategy (gelijktijdig stimulerende en repressieve instrumenten)
+ verschillende doelgroepen reageren verschillen
+ combinatie instrumenten versterkt effect → grotere gedragsverandering