BIJZONDERE CONTRACTEN
TITEL 1: INLEIDING
HOOFDSTUK 1: BENOEMDE, ONBENOEMDE EN GEMENGDE CONTRACTEN
Benoemde contracten = contract dat aan een specifieke wettelijke regeling is onderworpen
Onderworpen aan wettelijke set van regels en de afspraken in het contract zelf (aanvullend
recht!)
o Ze hebben een faciliterende functie d.w.z. dat partijen zich kunnen focussen op de
aanvullingen of afwijkingen die zij voor ogen hebben
Ondergeschikt is het verbintenissen- en contractenrecht ook van toepassing, in de mate
dat er niets is geregeld in de wet/contract (met art. 5.71 BW) (art. 5.13 BW)
Bv. Koopovereenkomst
Onbenoemde contracten = contract dat niet aan een specifieke wettelijke regeling is onderworpen
Geen wettelijke set van regels
Het contract staat voorop, onderworpen aan de afspraken in het contract zelf
Ondergeschikt is het verbintenissen- en contractenrecht ook van toepassing, in de mate
dat er niets is geregeld in de wet/contract (met art. 5.71 BW) (art. 5.13 BW)
Het zou kunnen dat er een contract is waarbij buiten de lijntjes is gekleurd maar we de
lijntjes nog een beetje kunnen zien en kan er naar analogie in ondergeschikte orde
toepassing worden gemaakt van de regels van het benoemd contract
Bv. leasingovereenkomst
Gemengde contracten = contract dat de typische kenmerken van twee of meer benoemde contracten
vertoont, maar dat toch een juridische eenheid vormt.
Bv. als een aannemer op uw stuk grond komt bouwen, dan wordt er gebouwd, er worden
diensten geleverd (aanneming), maar die aannemer levert u ook goederen zoals stenen,
dakpannen, cement (koopelement)
Om deze contracten te kwalificeren, hebben we 3 kwalificatietheorieën (art. 5.67 BW)
o Onbenoemd contract: na de mix hebben we geen duidelijk benoemd contract meer
o Combinatietheorie: er is duidelijk nog te zien waar een stuk van het ene en het stuk van
de andere zit → op het ene deel passen we de regels daarvan toe en op het andere deel
passen we de regels daarvan toe
Uitgangspunt waarvoor de wetgever kiest
o Absorptieleer: er is duidelijk één component met andere elementen
Als we zien dat één van de onderdelen dominant is, dan zal dat onderdeel
heel de kwalificatie bepalen (het hoofdelement absorbeert het ondergeschikte)
en dus passen we de regels van het hoofdelement toe op het geheel
Tenzij de hoofdregels een aspect echt niet regelen en dan gaan we heel
specifiek en beperkt cumuleren: bv. een makelaar is een aannemingscontract,
maar kan ook zijn dat die dingen voor u mag tekenen en dan hebben we ook
een lastgevingscontract → hoofdonderdeel is de diensten en dus het
aannemingscontract, maar neemt niet weg dat hij wel rechtshandelingen mag
stellen, maar aanneming regelt dat niet en dan cumuleren we heel beperkt en
specifiek dat onderdeeltje wel met lastgevingsregels
1
, HOOFDSTUK 2: BESCHERMING VAN DE ZWAKKE CONTRACTPARTIJ
Het uitgangspunt in het privaatrecht is de wilsautonomie (art. 5.3 en 5.14 BW) →
omwille daarvan moeten we de zwakke(re) contractpartij beschermen
Consumentenrecht sensu lato:
o Dwingende bepalingen waar we niet van kunnen afwijken ter bescherming van de
consument
o Vanuit het gemene verbintenissen- en contractenrecht op basis van de
zorgvuldigigheidsnorm (bv. gekwalificeerde benadeling of misbruik van
omstandigheden in art. 5.37 BW op basis waarvan het gemene recht de
vernietiging van het contract toelaat)
Consumentenrecht sensu stricto (Europese invloed) – de echt B2C verhouding:
o Daarvoor hebben we het WER en consumentenkoop (dwingend regime met een
zeer grote impact en dat steeds meer uitbreidt)
o HvJ: als je een nietige clausule opneemt in je contract en die wordt nietig
verklaard, dan verlies je ook je onderliggende rechten (maw dan heb je geen
recht op SV, zelfs al was de schade gigantisch groot)
o Afdwingbaarheidsparadox: heel sterke en ogenschijnlijk heel afdwingbare regeling,
maar tegelijk heeft die in de praktijk heel weinig incentive om je daarop te
beroepen → je kan het maar echt goed afdwingen als je goed voldoende duur is,
want anders zou de procedure veel duurder uitdraaien dan de aankoop van een
nieuw goed (bv. trui van 300 euro ga je niet voor naar de rechter)
HOOFDSTUK 3: KWALIFICATIE VAN CONTRACTEN
Art. 5.68 BW
Partijen kunnen vrij overeenkomen – hun gemeenschappelijke bedoeling primeert
Rechter:
o Indien de partijen hebben gekwalificeerd: bindende kracht van het contract (art. 5.69
BW), de rechter zal wel kijken wat de gemeenschappelijke bedoeling van de partijen
is en het is maar wanneer de rechter ondervindt dat die 2 niet matchen dat hij kan
herkwalificeren
o Indien de partijen niet hebben gekwalificeerd: rechter zal kwalificeren a.d.h.v. de
gemeenschappelijke bedoeling van de partijen
→ opmerking 1: als we kwalificeren, dan kijken we naar de essentiële elementen (andere elementen
die voor de partijen van belang zijn, zijn de subjectieve elementen → die zijn niet van belang voor de
kwalificatie)
→ opmerking 2: conversie ≠ herkwalificatie:
Herkwalificatie = partijen zeiden dat contract een koop is, maar eigenlijk is dat een aanneming
Conversie = partijen hebben juist gekwalificeerd of de rechter zal kwalificeren, maar een
aantal bepalingen zijn ongeldig en die ongeldige bepalingen gaan we vervangen door
bepalingen die wel geldig zijn
2
, HOOFDSTUK 4: VERHOUDING MET BCA
Wet 1/2/24 houdende Boek 6 BW – eerbiedigende werking
SAMENLOOP CONTRACTUELE AANSPRAKELIJKHEID EN BUITENCONTRACTUELE
AANSPRAKELIJKHEID (ART. 6.2 EN 6.3 BW)
Vroeger: tussen contractpartijen kan er enkel contractuele aansprakelijkheid bestaan →
principe van de samenloop: je kan geen samenlopende aansprakelijkheid tussen
contractspartijen hebben van contractuele en buitencontractuele aansprakelijkheid, tenzij
(Cass.) als er aan 2 voorwaarden is voldaan:
o Fout begaan tussen partijen is niet zuiver contractueel
o De schade die ontstaan is, is andere schade dan de contractuele schade (bv. iemand
komt je toilet herstellen en breekt de vaas in de inkomhal)
→ die samenloop was zeer beperkt – andere samenloop: als je contractuele fout ook
een misdrijf was (vaak slagen en verwondingen als iemand fysieke schade leed) en
dan kon je kiezen tussen buitencontractuele of contractuele aansprakelijkheid
Nu is het principe omgekeerd: principieel is samenloop wel mogelijk, mits we wel een
gemengde fout hebben (noodzakelijke voorwaarde) – begrenzingen om contractueel
evenwicht te waarborgen:
o Samenloopmogelijkheid is van aanvullend recht: partijen kunnen het uitsluiten en als
ze dat doen, dan beperken ze hun aansprakelijkheid, dus die begrenzing kan maar
binnen de grenzen van een exoneratiebeding (art. 5.88 BW), want we hebben een
aansprakelijkheidsbeperking
o Als de samenloop geldt, dan geldt het maar binnen beperkte lijnen: dan kan degene
die aansprakelijk gesteld wordt zich beroepen op alle contractuele bepalingen, op evt.
wettelijke bepalingen die op het contractueel regime zouden inspelen, bijzondere
verjaringstermijnen op de contractuele aansprakelijkheid kunnen ook ingeroepen
worden op de buitencontractuele aansprakelijkheid
o TENZIJ de fysieke of psychische integriteit van de persoon werd geraakt of ingeval van
opzet
RECHTSTREEKSE AANSPRAAK TEGEN HULPPERSOON VAN MEDECONTRACTANT
(ART. 6.2 EN 6.3 BW)
Aansprakelijkheid van de medecontractant voor hulppersonen (art. 5.229 BW): bv. je sluit een contract
met een aannemer om je huis te renoveren en die aannemer doet beroep op een onderaannemer, hij is
een hulppersoon van jouw aannemer
De vraag is: kan je ook die hulppersoon rechtstreeks aanspreken? Niet contractueel, A heeft
met C geen contract, dat is het relativiteitsbeginsel (art. 5.103 BW), maar traditioneel werd
aangenomen omdat C een hulppersoon is van B en ten aanzien van A C in de rug zit van B,
zou C maar BCA kunnen worden aangesproken in de mate dat B buitencontractueel
aansprakelijk had kunnen stellen (samenloop) (quasi-immuniteit van de hulppersoon)
Samenloopverbod staat niet meer in Boek 6 BW, dus de quasi-immuniteit is weg: C kan nu
zonder meer ook buitencontractueel aangesproken is, indien er sprake is van een
buitencontractuele fout
Waarborgen voor het contractueel evenwicht:
o Aanvullend recht (tenzij (wet of) contract)
o Inroepbaarheid verweermiddelen hoofdcontract: alles wat B kon inroepen, kan ook C
inroepen
o Inroepbaarheid verweermiddelen ‘eigen’ contract: C kan de excepties die hij tegen B
kon inroepen, tegen A inroepen
o TENZIJ: de fysieke of psychische integriteit van de persoon werd geraakt of ingeval van
opzet
3
, TITEL 2: KOOP
HOOFDSTUK 1: REGIME VAN DE KOOP (ART. 1582 E.V. BW)
Regime bij koop is een lappendeken!!
Verhouding B2C
o Boek VI WER: Wetboek van Economisch Recht dat heel specifiek van toepassing
is (bv. regelt niet heel het regime van de koop, maar wel informatieplichten,
verklaart bepaalde bedingen nietig), maar niet heel het regime van de koop regelt –
gelden als uitgangspunt bij koop van onroerende en roerende goederen, behalve
bij verkoop op afstand en buiten de verkoopslokalen (enkel voor goederen en
goederen in de zin van WER zijn lichamelijke roerende goederen)
o Wet Consumentenkoop (art. 1649bis e.v. BW): van toepassing voor de kwaliteit en
kwantiteit van het gekochte goed – toepassingsgebied beperkt tot lichamelijke
roerende goederen
o Zijn in principe van dwingend recht, ze zijn Europees van dwingend recht en HvJ
heeft meermaals geoordeeld dat de rechter die ambtshalve moet toepassen
Verhouding B2B
o Lichamelijk roerende goederen in een internationale context: specifieke regeling van
aanvullend recht (niet behandeld)
o Art. VI.91 WER: onrechtmatige bedingen – toepassingsgebied: de ondernemingen
in de zin van Boek VI
Wet Breyne: geldt ongeacht of het B2C of B2B is of eender wat: bepaling die traditioneel gelinkt
worden aan aanneming, maar er zijn gevallen die onder de wet vallen die geen aanneming zijn,
maar koop → dus zelfs al hebben we een traditionele koop, moeten we de vraag stellen of
deze wat van toepassing is (dwingend recht!!)
Wet productaansprakelijkheid: deze wet moet worden toegepast wanneer een product
gebrekkig is en wie dan aansprakelijk is voor dat product. (lichamelijke roerende goederen)
4
TITEL 1: INLEIDING
HOOFDSTUK 1: BENOEMDE, ONBENOEMDE EN GEMENGDE CONTRACTEN
Benoemde contracten = contract dat aan een specifieke wettelijke regeling is onderworpen
Onderworpen aan wettelijke set van regels en de afspraken in het contract zelf (aanvullend
recht!)
o Ze hebben een faciliterende functie d.w.z. dat partijen zich kunnen focussen op de
aanvullingen of afwijkingen die zij voor ogen hebben
Ondergeschikt is het verbintenissen- en contractenrecht ook van toepassing, in de mate
dat er niets is geregeld in de wet/contract (met art. 5.71 BW) (art. 5.13 BW)
Bv. Koopovereenkomst
Onbenoemde contracten = contract dat niet aan een specifieke wettelijke regeling is onderworpen
Geen wettelijke set van regels
Het contract staat voorop, onderworpen aan de afspraken in het contract zelf
Ondergeschikt is het verbintenissen- en contractenrecht ook van toepassing, in de mate
dat er niets is geregeld in de wet/contract (met art. 5.71 BW) (art. 5.13 BW)
Het zou kunnen dat er een contract is waarbij buiten de lijntjes is gekleurd maar we de
lijntjes nog een beetje kunnen zien en kan er naar analogie in ondergeschikte orde
toepassing worden gemaakt van de regels van het benoemd contract
Bv. leasingovereenkomst
Gemengde contracten = contract dat de typische kenmerken van twee of meer benoemde contracten
vertoont, maar dat toch een juridische eenheid vormt.
Bv. als een aannemer op uw stuk grond komt bouwen, dan wordt er gebouwd, er worden
diensten geleverd (aanneming), maar die aannemer levert u ook goederen zoals stenen,
dakpannen, cement (koopelement)
Om deze contracten te kwalificeren, hebben we 3 kwalificatietheorieën (art. 5.67 BW)
o Onbenoemd contract: na de mix hebben we geen duidelijk benoemd contract meer
o Combinatietheorie: er is duidelijk nog te zien waar een stuk van het ene en het stuk van
de andere zit → op het ene deel passen we de regels daarvan toe en op het andere deel
passen we de regels daarvan toe
Uitgangspunt waarvoor de wetgever kiest
o Absorptieleer: er is duidelijk één component met andere elementen
Als we zien dat één van de onderdelen dominant is, dan zal dat onderdeel
heel de kwalificatie bepalen (het hoofdelement absorbeert het ondergeschikte)
en dus passen we de regels van het hoofdelement toe op het geheel
Tenzij de hoofdregels een aspect echt niet regelen en dan gaan we heel
specifiek en beperkt cumuleren: bv. een makelaar is een aannemingscontract,
maar kan ook zijn dat die dingen voor u mag tekenen en dan hebben we ook
een lastgevingscontract → hoofdonderdeel is de diensten en dus het
aannemingscontract, maar neemt niet weg dat hij wel rechtshandelingen mag
stellen, maar aanneming regelt dat niet en dan cumuleren we heel beperkt en
specifiek dat onderdeeltje wel met lastgevingsregels
1
, HOOFDSTUK 2: BESCHERMING VAN DE ZWAKKE CONTRACTPARTIJ
Het uitgangspunt in het privaatrecht is de wilsautonomie (art. 5.3 en 5.14 BW) →
omwille daarvan moeten we de zwakke(re) contractpartij beschermen
Consumentenrecht sensu lato:
o Dwingende bepalingen waar we niet van kunnen afwijken ter bescherming van de
consument
o Vanuit het gemene verbintenissen- en contractenrecht op basis van de
zorgvuldigigheidsnorm (bv. gekwalificeerde benadeling of misbruik van
omstandigheden in art. 5.37 BW op basis waarvan het gemene recht de
vernietiging van het contract toelaat)
Consumentenrecht sensu stricto (Europese invloed) – de echt B2C verhouding:
o Daarvoor hebben we het WER en consumentenkoop (dwingend regime met een
zeer grote impact en dat steeds meer uitbreidt)
o HvJ: als je een nietige clausule opneemt in je contract en die wordt nietig
verklaard, dan verlies je ook je onderliggende rechten (maw dan heb je geen
recht op SV, zelfs al was de schade gigantisch groot)
o Afdwingbaarheidsparadox: heel sterke en ogenschijnlijk heel afdwingbare regeling,
maar tegelijk heeft die in de praktijk heel weinig incentive om je daarop te
beroepen → je kan het maar echt goed afdwingen als je goed voldoende duur is,
want anders zou de procedure veel duurder uitdraaien dan de aankoop van een
nieuw goed (bv. trui van 300 euro ga je niet voor naar de rechter)
HOOFDSTUK 3: KWALIFICATIE VAN CONTRACTEN
Art. 5.68 BW
Partijen kunnen vrij overeenkomen – hun gemeenschappelijke bedoeling primeert
Rechter:
o Indien de partijen hebben gekwalificeerd: bindende kracht van het contract (art. 5.69
BW), de rechter zal wel kijken wat de gemeenschappelijke bedoeling van de partijen
is en het is maar wanneer de rechter ondervindt dat die 2 niet matchen dat hij kan
herkwalificeren
o Indien de partijen niet hebben gekwalificeerd: rechter zal kwalificeren a.d.h.v. de
gemeenschappelijke bedoeling van de partijen
→ opmerking 1: als we kwalificeren, dan kijken we naar de essentiële elementen (andere elementen
die voor de partijen van belang zijn, zijn de subjectieve elementen → die zijn niet van belang voor de
kwalificatie)
→ opmerking 2: conversie ≠ herkwalificatie:
Herkwalificatie = partijen zeiden dat contract een koop is, maar eigenlijk is dat een aanneming
Conversie = partijen hebben juist gekwalificeerd of de rechter zal kwalificeren, maar een
aantal bepalingen zijn ongeldig en die ongeldige bepalingen gaan we vervangen door
bepalingen die wel geldig zijn
2
, HOOFDSTUK 4: VERHOUDING MET BCA
Wet 1/2/24 houdende Boek 6 BW – eerbiedigende werking
SAMENLOOP CONTRACTUELE AANSPRAKELIJKHEID EN BUITENCONTRACTUELE
AANSPRAKELIJKHEID (ART. 6.2 EN 6.3 BW)
Vroeger: tussen contractpartijen kan er enkel contractuele aansprakelijkheid bestaan →
principe van de samenloop: je kan geen samenlopende aansprakelijkheid tussen
contractspartijen hebben van contractuele en buitencontractuele aansprakelijkheid, tenzij
(Cass.) als er aan 2 voorwaarden is voldaan:
o Fout begaan tussen partijen is niet zuiver contractueel
o De schade die ontstaan is, is andere schade dan de contractuele schade (bv. iemand
komt je toilet herstellen en breekt de vaas in de inkomhal)
→ die samenloop was zeer beperkt – andere samenloop: als je contractuele fout ook
een misdrijf was (vaak slagen en verwondingen als iemand fysieke schade leed) en
dan kon je kiezen tussen buitencontractuele of contractuele aansprakelijkheid
Nu is het principe omgekeerd: principieel is samenloop wel mogelijk, mits we wel een
gemengde fout hebben (noodzakelijke voorwaarde) – begrenzingen om contractueel
evenwicht te waarborgen:
o Samenloopmogelijkheid is van aanvullend recht: partijen kunnen het uitsluiten en als
ze dat doen, dan beperken ze hun aansprakelijkheid, dus die begrenzing kan maar
binnen de grenzen van een exoneratiebeding (art. 5.88 BW), want we hebben een
aansprakelijkheidsbeperking
o Als de samenloop geldt, dan geldt het maar binnen beperkte lijnen: dan kan degene
die aansprakelijk gesteld wordt zich beroepen op alle contractuele bepalingen, op evt.
wettelijke bepalingen die op het contractueel regime zouden inspelen, bijzondere
verjaringstermijnen op de contractuele aansprakelijkheid kunnen ook ingeroepen
worden op de buitencontractuele aansprakelijkheid
o TENZIJ de fysieke of psychische integriteit van de persoon werd geraakt of ingeval van
opzet
RECHTSTREEKSE AANSPRAAK TEGEN HULPPERSOON VAN MEDECONTRACTANT
(ART. 6.2 EN 6.3 BW)
Aansprakelijkheid van de medecontractant voor hulppersonen (art. 5.229 BW): bv. je sluit een contract
met een aannemer om je huis te renoveren en die aannemer doet beroep op een onderaannemer, hij is
een hulppersoon van jouw aannemer
De vraag is: kan je ook die hulppersoon rechtstreeks aanspreken? Niet contractueel, A heeft
met C geen contract, dat is het relativiteitsbeginsel (art. 5.103 BW), maar traditioneel werd
aangenomen omdat C een hulppersoon is van B en ten aanzien van A C in de rug zit van B,
zou C maar BCA kunnen worden aangesproken in de mate dat B buitencontractueel
aansprakelijk had kunnen stellen (samenloop) (quasi-immuniteit van de hulppersoon)
Samenloopverbod staat niet meer in Boek 6 BW, dus de quasi-immuniteit is weg: C kan nu
zonder meer ook buitencontractueel aangesproken is, indien er sprake is van een
buitencontractuele fout
Waarborgen voor het contractueel evenwicht:
o Aanvullend recht (tenzij (wet of) contract)
o Inroepbaarheid verweermiddelen hoofdcontract: alles wat B kon inroepen, kan ook C
inroepen
o Inroepbaarheid verweermiddelen ‘eigen’ contract: C kan de excepties die hij tegen B
kon inroepen, tegen A inroepen
o TENZIJ: de fysieke of psychische integriteit van de persoon werd geraakt of ingeval van
opzet
3
, TITEL 2: KOOP
HOOFDSTUK 1: REGIME VAN DE KOOP (ART. 1582 E.V. BW)
Regime bij koop is een lappendeken!!
Verhouding B2C
o Boek VI WER: Wetboek van Economisch Recht dat heel specifiek van toepassing
is (bv. regelt niet heel het regime van de koop, maar wel informatieplichten,
verklaart bepaalde bedingen nietig), maar niet heel het regime van de koop regelt –
gelden als uitgangspunt bij koop van onroerende en roerende goederen, behalve
bij verkoop op afstand en buiten de verkoopslokalen (enkel voor goederen en
goederen in de zin van WER zijn lichamelijke roerende goederen)
o Wet Consumentenkoop (art. 1649bis e.v. BW): van toepassing voor de kwaliteit en
kwantiteit van het gekochte goed – toepassingsgebied beperkt tot lichamelijke
roerende goederen
o Zijn in principe van dwingend recht, ze zijn Europees van dwingend recht en HvJ
heeft meermaals geoordeeld dat de rechter die ambtshalve moet toepassen
Verhouding B2B
o Lichamelijk roerende goederen in een internationale context: specifieke regeling van
aanvullend recht (niet behandeld)
o Art. VI.91 WER: onrechtmatige bedingen – toepassingsgebied: de ondernemingen
in de zin van Boek VI
Wet Breyne: geldt ongeacht of het B2C of B2B is of eender wat: bepaling die traditioneel gelinkt
worden aan aanneming, maar er zijn gevallen die onder de wet vallen die geen aanneming zijn,
maar koop → dus zelfs al hebben we een traditionele koop, moeten we de vraag stellen of
deze wat van toepassing is (dwingend recht!!)
Wet productaansprakelijkheid: deze wet moet worden toegepast wanneer een product
gebrekkig is en wie dan aansprakelijk is voor dat product. (lichamelijke roerende goederen)
4