TECHNIQUES IN THE ARCHAEOLOGY
SAMENVATTING
HOOFDSTUK 1: INLEIDING
DEFINITIE
NON-INVASIEVE PROSPECTIEMETHODES
- Archeologische onderzoek zonder ondergrond te verstoren.
o Verschilt per land.
FIELDWALKING
INVASIEF (!)
- Archeologische vondsten worden weggenomen
- Indien meerdere keren fieldwalking, ook schade aan loopoppervlak (d.a. Waterloo)
BEMONSTERING VROEGERE OMGEVINGEN (PROSPECTIE)
- Schatten → voorspellen → detecteren
- Vooraf prospectietechniek en staalname bepalen (!)
o VB: Je verzamelt aardewerk via fieldwalking. Later moet je een beeld kunnen geven over
de bewoning tijdens het mesolithicum. Dit is onmogelijk want er bestond nog geen
aardewerk tijdens het mesolithicum.
CASUS
Links: minder stalen → lagere resolutie → kans op resultaten
Rechts: meer stalen → hogere resolutie → kans op resultaten
1
,Links: minder stalen → lagere resolutie → duidelijke resultaten
Rechts: meer stalen → hogere resolutie → gedetailleerdere resultaten
SENSOREN
- Voordelen
o Goedkoper
o Tijdbesparend
o Geen/minimale schade
o Veel gegevens op korte tijd
BESLUIT
PROSPECTIE
- Staalname voor archeologie
o Nooit volledig
KALIBRATIE/VALIDATIE
- Non-invasieve technieken vormen nooit een definitief besluit. Invasieve technieken zijn
noodzakelijk.
OPGELET
- Bepaalde resultaten kunnen we herkennen waardoor we de neiging hebben deze reeds te
interpreteren (d.a. grafheuvels). We moeten hiermee opletten!
2
,HOOFDSTUK 2: STAALNAME
BEGRIPPEN
STEEKPROEFEENHEID
- Onderdeel van de populatie.
- VB1: Klas 5C bestaat uit 23 leerlingen, Ana is er een van (Ana = steekproefeenheid).
VB2: Een afgebakend onderzoeksgebied binnen het volledige gebied van de Mechelse heide.
SAMPLE SUPPORT
- Verwijst naar de ruimtelijke schaal van een meting/monster.
- VB: Indien we een boorstaal nemen van 7 x 12 cm vertegenwoordigt het monster enkel dat volume
en niet over het volledige onderzoeksgebied van 10 x 10 m.
FIELDWALKING
- Beperkingen
o Kijkbreedte
o Met/zonder bril
o Grootte van het gebied
o Geen informatie onder loopoppervlak
CASUS: THEORIE → PRAKTIJK
- VB: De theorie zegt dat tijdens het Late Glaciaal de mens verhuisde richting het zuiden en de
rivieren volgden. Binnen de praktijk gaan we op zoek naar sites die zich inderdaad later in tijd
meer zuidwaarts bevinden en langs een rivier.
CASUS: PRAKTIJK → THEORIE
- VB1: Tot op heden is er geen theorie voor de fenomenen zoals Stonehenge en de piramides in
Egypte. Via deze praktijkvoorbeelden gaat men op zoek naar een theoretisering.
- VB2: Onder onze bodem is een dikke laag krijt (= neutraal). Daarboven bevindt zich
een zachte bodem (≠ neutraal). Indien er in het verleden door de krijt laag werd
gegaan, werd de diepte opgevuld met zachte bodem en laat dit geofysisch een
litteken achter.
o Geofysisch onderzoek → archeologisch onderzoek → datering mogelijk (!)
3
, BESLUIT
- De vindbaarheid van een archeologische structuur/object hangt af van de grootte
(d.a. Stonehenge VS microlieten).
4