Thema 2 DNA
basisstof 1 Wat kun je doen met DNA?
DNA (Deoxyribonucleic-Acid): belangrijkste bestanddeel van chromosomen met gecodeerde
erfelijke informatie.
genetische modificatie: het kunstmatig inbrengen van vreemd DNA bij een organisme.
Deze organismen noemen we dan:
transgeen,
GGO (Genetische Gemodificeerd Organisme)
GMO (Genetically Modified Organism)
Bij erfelijke aandoeningen is er sprake van een afwijkend of ontbrekend gen. Dit veroorzaakt
ziekteverschijnselen.
oplossing → gentherapie: inbrengen van gezonde genen voor deze eigenschap in het
kader van een geneeskundige behandeling bij een patiënt.
Veelbelovende maar uitblijvende therapie (onderzoeksfase).
basisstof 2 De bouw en functie van DNA
genotype: de genen van een individu vastgelegd in DNA in genen.
gen: een deel van een chromosoom met gecodeerde informatie over één erfelijke
eigenschap (of een deel daarvan).
genoom: geheel aan erfelijke informatie in een cel van een organisme. Alle cellen van een
organisme hebben hetzelfde genoom.
mtDNA: het DNA vastgelegd in mitochondriën.
Mitochondriën functioneren onafhankelijk van
de rest van de cel op basis van eigen DNA (net
als chloroplasten).
,eukaryoot
- DNA in chromosomen in celkern + DNA in sommige organellen
prokaryoot
- Al het DNA in het cytoplasma
- Circulair DNA molecuul
- Sommige prokaryoten bevatten plasmiden (korte stukjes circulair DNA)
Een DNA-molecuul is een nucleïnezuur dat bestaat uit twee ketens van aan elkaar
gekoppelde nucleotiden.
desoxyribose (monosacharide):
5 C-atomen
stikstofbase zit aan het 1e C-atoom
fosfaatgroep zit aan het 5e C-atoom (bij een polymeer ook aan het 3e)
Bij het aan elkaar koppelen van nucleotiden (polymerisatie), gaat het derde C-atoom van
desoxyribose door een condensatiereactie een binding aan met de fosfaatgroep van de
volgende nucleotide.
→ Hierdoor ontstaat een lange keten van afwisselend aan elkaar gekoppelde
monosachariden en fosfaatgroepen.
, fosfaatgroep is het 5’-uiteinde.
OH-groep (die aan het derde C-atoom van desoxyribose vastzit) is het 3’-uiteinde.
Dit onderscheid is belangrijk, omdat DNA altijd in de richting van het 3’-uiteinde naar
het 5’-uiteinde wordt afgelezen en gekopieerd.
complementair:
vaste basenparing van de twee nucleotideketens in DNA
A+T, C+G
basenparing door waterstofbruggen (zwak, maar door de vele bindingen voldoende)
→ helixstructuur
De ketens lopen in tegengestelde richting: de ene keten van 3’ naar 5’ en de andere van 5’
naar 3’.
basisstof 1 Wat kun je doen met DNA?
DNA (Deoxyribonucleic-Acid): belangrijkste bestanddeel van chromosomen met gecodeerde
erfelijke informatie.
genetische modificatie: het kunstmatig inbrengen van vreemd DNA bij een organisme.
Deze organismen noemen we dan:
transgeen,
GGO (Genetische Gemodificeerd Organisme)
GMO (Genetically Modified Organism)
Bij erfelijke aandoeningen is er sprake van een afwijkend of ontbrekend gen. Dit veroorzaakt
ziekteverschijnselen.
oplossing → gentherapie: inbrengen van gezonde genen voor deze eigenschap in het
kader van een geneeskundige behandeling bij een patiënt.
Veelbelovende maar uitblijvende therapie (onderzoeksfase).
basisstof 2 De bouw en functie van DNA
genotype: de genen van een individu vastgelegd in DNA in genen.
gen: een deel van een chromosoom met gecodeerde informatie over één erfelijke
eigenschap (of een deel daarvan).
genoom: geheel aan erfelijke informatie in een cel van een organisme. Alle cellen van een
organisme hebben hetzelfde genoom.
mtDNA: het DNA vastgelegd in mitochondriën.
Mitochondriën functioneren onafhankelijk van
de rest van de cel op basis van eigen DNA (net
als chloroplasten).
,eukaryoot
- DNA in chromosomen in celkern + DNA in sommige organellen
prokaryoot
- Al het DNA in het cytoplasma
- Circulair DNA molecuul
- Sommige prokaryoten bevatten plasmiden (korte stukjes circulair DNA)
Een DNA-molecuul is een nucleïnezuur dat bestaat uit twee ketens van aan elkaar
gekoppelde nucleotiden.
desoxyribose (monosacharide):
5 C-atomen
stikstofbase zit aan het 1e C-atoom
fosfaatgroep zit aan het 5e C-atoom (bij een polymeer ook aan het 3e)
Bij het aan elkaar koppelen van nucleotiden (polymerisatie), gaat het derde C-atoom van
desoxyribose door een condensatiereactie een binding aan met de fosfaatgroep van de
volgende nucleotide.
→ Hierdoor ontstaat een lange keten van afwisselend aan elkaar gekoppelde
monosachariden en fosfaatgroepen.
, fosfaatgroep is het 5’-uiteinde.
OH-groep (die aan het derde C-atoom van desoxyribose vastzit) is het 3’-uiteinde.
Dit onderscheid is belangrijk, omdat DNA altijd in de richting van het 3’-uiteinde naar
het 5’-uiteinde wordt afgelezen en gekopieerd.
complementair:
vaste basenparing van de twee nucleotideketens in DNA
A+T, C+G
basenparing door waterstofbruggen (zwak, maar door de vele bindingen voldoende)
→ helixstructuur
De ketens lopen in tegengestelde richting: de ene keten van 3’ naar 5’ en de andere van 5’
naar 3’.