Inhoud
1. Allergische rhinitis ............................................................................................................3
1.1. ARIA richtlijnen ........................................................................................................6
1.2. Diagnose .................................................................................................................8
1.2.1. Familiale anamnese .........................................................................................8
1.2.2. Symptomen .....................................................................................................9
1.2.3. Klinisch onderzoek – diagnostiek van allergie ................................................... 11
1.3. Niet-medicamenteuze behandeling voor allergische rhinitis .................................... 13
1.3.1. Primaire preventie .......................................................................................... 13
1.3.2. Allergeen en irritantia vermijden ...................................................................... 13
1.4. Medicamenteuze behandeling voor allergische rhinitis ............................................ 15
1.4.1. Lokale therapie bij allergische rhinitis.............................................................. 15
1.4.2. Systemische therapie bij allergische rhinitis .................................................... 17
1.5. Allergeen-specifieke immunotherapie (AIT) ............................................................. 20
2. Niet-allergische rhinitis ................................................................................................... 24
2.1. Geneesmiddel geïnduceerde rhinitis ...................................................................... 25
2.2. Rhinitis linked to systemic diseases ........................................................................ 27
2.3. Rhinitis linked tot hormonal imbalances ................................................................. 27
2.4. Occupational rhinitis.............................................................................................. 27
2.5. Rhinitis of the elderly .............................................................................................. 29
2.6. Gustatory rhinitis ................................................................................................... 29
2.7. Idiopatische rhinitis ............................................................................................... 30
2.8. Nasale hyperactiviteit............................................................................................. 30
2.9. Medical and surgical options for non-allergic rhinitis ............................................... 31
2.9.1. Behandeling opties......................................................................................... 31
2.10. Zwangerschap rhinitis ............................................................................................ 33
3. Epistaxis ........................................................................................................................ 35
4. Verkoudheid en acute rhinosinusitis................................................................................ 37
4.1. Acute rhinosinusitis: definitie ................................................................................. 39
4.2. Diagnose en behandeling ....................................................................................... 42
4.3. Complicaties van acute rhinosinusitis .................................................................... 44
4.4. Vestibulitis nasi kliniek en behandeling ................................................................... 45
1
,5. Chronische rhinosinusitis met en zonder neuspoliepen ................................................... 47
5.1. Reukverlies ............................................................................................................ 47
5.2. Chronische rhinosinusitis met of zonder neuspoliepen............................................ 48
5.2.1. Chronische rhinosinusitis zonder neuspoliepen .............................................. 54
5.2.2. Chronische rhinosinusitis met neuspoliepen ................................................... 55
6. Allergie en astma bij het kind .......................................................................................... 60
6.1. Allergische rhinitis.................................................................................................. 60
6.2. Astma.................................................................................................................... 60
6.2.1. Behandeling van astma .................................................................................. 62
6.2.2. Ernstige astma in kinderen .............................................................................. 64
7. Heelkunde in de rhinologie ............................................................................................. 65
7.1. Anatomie ............................................................................................................... 65
7.2. Pathologie van het neusseptum .............................................................................. 67
7.2.1. Septumdeviatie .............................................................................................. 67
7.2.2. Septumperforatie ........................................................................................... 69
7.2.3. Septumhematoom ......................................................................................... 70
7.3. Pathologie van de uitwendige neus ......................................................................... 71
7.3.1. Rhinoplastie................................................................................................... 73
7.4. Overige pathologie van de neus .............................................................................. 75
7.4.1. Choanale atresie ............................................................................................ 75
7.4.2. Goedaardige letsels ....................................................................................... 76
7.4.3. Conchahypertrofie ......................................................................................... 77
7.4.4. Corpora aliena ............................................................................................... 78
8. MDP allergie – voedselallergie en anafylaxie .................................................................... 79
8.1. Voedselovergevoeligheid ........................................................................................ 79
8.2. Anafylaxie .............................................................................................................. 82
IN HET GEEL STAAN ALLE DIA’S DIE EEN STERRETJE HEBBEN IN DE PPT!!!! DEZE ZIJN ZEKER
EN VAST TE KENNEN VOOR HET EXAMEN!!!
Veel succes!
2
, 1. Allergische rhinitis
Rhinitis =
= meest voorkomende pathologie bij de mens
Niet een infectie vd slijmvliezen maar wel een ontsteking (inflammatie) vd mucosa vd
neusholte met één of meer van de volgende symptomen:
o Neusverstopping
o Rhinorrhee
o Niezen
o Jeuk
Zonder symptomen spreekt men dus niet van een rhinitis want de neus is eigenlijk constant
geïnfecteerd.
Wat is allergie =
= een afwijkende reactie van het afweersysteem op meestal ongevaarlijke allergenen:
- Inhalatie allergenen (bv. huisstofmijt, honden/katten, bomen)
- Voedsel allergenen (bv. melk/eieren, pindanoten,…)
- Wespen en bijensteken
- Geneesmiddelen
3
,Prevalentie allergische rhinitis EU =
Hygiëne hypothese =
= toename van allergie, astma en auto-immuniteit
ziekten door het verbeteren van onze hygiëne (wel
verlagen van infectie ziekten)
1/3 vd kinderen = allergisch
1/8 vd kinderen hebben astma
700 miljoen mensen lijden aan allergieën
Minder allergie =
Indien je 2 of meer broer/zussen hebt of naar de crèche gaan (zie foto onderaan links)
1ste kind heeft meer kans op allergie dan zijn broers/zussen.
Ook minder toename van allergieën bij kinderen van landbouwers. Dit geldt niet voor
houthakkers = evenveel allergieën als kinderen die in het stad wonen.
De mindere toename van allergieën bij kinderen van landbouwers komt door de
exposure (zie foto onder rechts):
o Melk
o Contact met dieren
o Boerderijstof
Minder parasitaire infectie door ↑ hygiëne = ↑ allergieën
4
,Bedenking bij de hygiëne hypothese =
In een vuile omgeving zitten betekent niet direct dat je geen allergieën meer zou hebben. Om
geen/minder allergieën te willen hebben, moet je het volledige pakket hebben:
- Geboren worden in betere omstandigheden
- Vaccins krijgen + antilichamen
- Goede hygiëne
- Drinkbaar water
Hoog opgeleide moeders = meer kans op allergieën (kan je niks aan doen)
Allergische aandoeningen =
1. Allergische rhinitis => 30-35% vd bevolking
2. Astma => 10-15% vd bevolking
3. Eczeem => 10-15% vd bevolking
4. Voedselallergie => 1-8% vd bevolking
5. Anafylaxie op voedsel, geneesmiddelen, wespen/bijen = hevige reactie op deze
allergenen => 1% vd bevolking
Natuurlijk verloop van allergie: allergische mars =
Zoals je kan zien in de grafiek = vnl. rond de puberteit is een grote stijfging in allergische rhinitis
en astma => tot de leeftijd van 35-45 jaar kan je uit het niets allergisch worden.
Veel blootstelling aan infecties/allergenen = traint je lichaam goed tegen allergieën.
Rond de puberteit en adolescentie is er vaak meer cumulatieve blootstelling aan allergenen. Je
bent al jaren blootgesteld aan allergenen waardoor sensibilisatie pas later klinisch zichtbaar
wordt.
Voedselallergie en eczeem komt vooral voor in de eerste levensjaren => vermindert dit later met
de leeftijd maar niet altijd.
Voedselallergie = vooral bij baby’s en peuters = immuunsysteem en darmbarrière is
volop in ontwikkeling (koemelk, ei, pinda, noten,…).
Eczeem = huidbarrière is verstoord, waardoor allergenen makkelijker binnendringen +
verhoogde kans op latere allergische aandoeningen.
5
, 1.1. ARIA richtlijnen
= Alles wat belangrijk is voor de neus is ook belangrijk voor de longen => neus en longen zijn
sterk met elkaar verbonden.
Relatie astma – allergische rhinitis =
80% van alle astma patiënten hebben een allergische rhinitis.
20-40% van alle patiënten met allergische rhinitis hebben astma
Afbeelding toont aan dat allergische rhinitis (AR) en astma sterk met elkaar verbonden zijn => de
neus en de longen vormen één geheel binnen de luchtwegen
Ontsteking in de BLW kan samenhangen met ontstekingen in de OLW => daarom komen
rhinitis en astma vaak samen voor
Bij een allergie (bv. graspollenallergie eind mei) ontstaan vaak eerst neusklachten. Als de
blootstelling aan allergenen blijft aanhouden, kan de ontsteking verder toenemen naar de
longen = klachten in de longen.
De drempel om klachten te krijgen is lager in de neus dan in de longen => de neus
reageert dus sneller op allergenen = eerst rhinitis klachten.
Bijvoorbeeld bij graspollen = eerste weken last aan de neus, later ook kortademigheid of
astmaklachten => de ontsteking breidt zich functioneel uit naar de lagere luchtwegen.
Allergische rhinitis: risicofactor voor ontwikkeling van astma =
Patiënt met allergische rhinitis = 3x hoger risico op het ontwikkelen van astma.
6
,Allergie: mechanisme =
De neus en longen zijn met elkaar verbonden => daarom kunnen ze op een allergeen op een
gelijkaardige manier reageren (foto links):
1. Contact met allergeen (bv. pollen, huisstofmijt,…) => bij een allergische patiënt herkent
het immuunsysteem dit als iets “gevaarlijks”, hoewel het eigenlijk onschuldig is.
2. IgE en mestcellen => bij allergie spelen IgE-antisto en en mestcellen een belangrijke rol:
a. IgE = vast op de mestcellen
b. Wanneer het allergeen bindt aan IgE, wordt de mestcel geactiveerd =>
mestcellen geven ontstekingssto en vrij (histamine, prostaglandines, cysLT)
c. Deze reactie zorgt voor een SNELLE ALLERGISCHE RESPONS
3. T-cellen en cytokines => wanneer allergenen worden gecapteerd door de T-cellen,
maken deze cytokines aan => deze trekken eosinofielen aan => ontsteking blijft langer
aanwezig
a. = LATE ALLERGISCHE RESPONS
SNELLE ALLERGISCHE REACTIE = binnen de 15 minuten:
In de neus = niezen, neusloop, jeuk
In de longen = piepen, kortademigheid, benauwdheid
LATE ALLERGISCHE RESPONS = enkele uren na contact met het allergeen
In de neus = neusverstopping, aanhoudende ontsteking
In de longen = bronchiale hyperactiviteit
Interactie neus-longen: mogelijke mechanisme =
- Mondademhaling (door bv. neusobstructie) => minder opwarming en bevochtiging +
minder filteren van sto en (allergenen) = meer prikkeling vd bronchi
- Aspiratie van sinonasale secreties = meer slijmproductie in neus en sinussen door
rhinitis/sinusitis => postnasale drip => prikkelen lagere luchtwegen
- Nasobronchiale reflex = reflexverbinding tussen neus en bronchi => prikkeling vd neus =
e ect op de bronchi
- Systemische link tussen ontsteking BLW en OLW = ontsteking id neus blijft niet altijd
lokaal => activeren van ontstekingscellen en cytokines => via bloed invloed hebben op
de OLW = bronchiale ontsteking en hyperreactiviteit.
7
,Nasale allergeenprovocatie en reactie in neus én longen =
= wanneer je een allergeen in de neus brengt, kan er ook een ontsteking ontstaan in de lagere
luchtwegen => neus en longen reageren dus samen als één systeem.
NASALE PROVOCATION = een allergeen wordt bewust in de neus gebracht (bv. graspollen) =>
daarna onderzoeken wat er gebeurt (bv met biopsie of meting ontstekingssto en).
Na contact met het allergeen = ontstaan allergische ontsteking => vrijkomen ontstekingssto en,
aantrekken eosinofielen=> pte krijgt rhinitisklachten (niezen, neusloop of neusverstopping)
Ookal wordt het allergeen alleen in de neus toegediend, toch ziet men later ook een reactie in de
longen => longen doen hetzelfde als de neus, maar enkele uren later
Eosinofielen = ontstekingscellen die betrokken zijn bij allergische ontsteking en astma
IL-5 = belangrijke cytokine bij allergie => stimuleert eosinofielen en trekt deze naar het slijmvlies
=> versterken van ontsteking
SYSTEMIC INFLAMMATORY LINK = als je een allergeen in één deel vd longen brengt, ontstaat er
in de neus en het ander deel vd long ook een reactie => toont aan dat allergische
luchtwegontsteking niet puur lokaal is maar systemisch => door de eosinofielen, IL-5 en GM-
CSF
Allergic rhinitis and e ect on examination performance =
Allergie heeft een impact op het hele leven alsook het studeren => 40% more likely om
slechtere punten te halen dan iemand zonder allergieën.
1.2. Diagnose
1.2.1. Familiale anamnese
Ondanks dat allergie vnl door de omgeving wordt bepaald, is er ook een deel genetisch bepaald
(zie tabel)
8
, 1.2.2. Symptomen
Symptomen =
- Neusloop
- Neusverstopping
- Jeuk
- Niezen
- Conjuvitis = oogsymptomen
Om aan allergische rhinitis te denken moeten er vaak 2 of meer symptomen aanwezig zijn,
gedurende meer dan 1 uur op de meeste dagen.
Wanneer symptomen (EXAMEN) =
- Voorjaar = eind maart (rond de paasvakantie) => allergie voor bomen: els, hazelaar en
berk
- Zomer = mei-juni => allergie voor grassen en kruiden
- Gans het jaar door = mijten => pieken in de herfst en lente
9
, Soorten patiënten met allergische rhinitis =
SNEEZERS AND RUNNERS = patiënten met vooral duidelijke allergische klachten zoals niezen,
waterige neusloop en tranende ogen en zijn zeer makkelijk te herkennen.
Klachten zijn vaak aanvalsgewijs (bv. plots heel veel niezen na contact met pollen, dieren
of stof)
Meestal erger overdag en vaak betere ’s nachts
BLOCKERS = patiënten met vooral een verstopte neus => lijken vaak “een beetje verkouden”
maar de klachten blijven lang aanslepen => duurt vaak langer voordat men aan allergie denkt.
Bij blockers moet je zeker denken aan huisstofmijtallergie
Classificatie allergische rhinitis volgens ARIA richtlijnen (EXAMEN) =
Bij allergische rhinitis kijk je naar 2 zaken:
- Hoe vaak komen de klachten voor?
o Intermittent (bv. graspollenallergie = pte heeft in mei en juni af en toe klachten
wanneer hij buiten is) => af en toe klachten
o Persisterend (bv. huisstofmijtallergie = pte heeft bijna elke dag een verstopte
neus) => vaak/langdurige klachten
- Hoe zwaar zijn de klachten?
o Mild = last maar normaal werken, slapen en studeren lukt
o Matig-ernstig = impact op kwaliteit van leven => verstoorde slaap = zeer
belangrijk
10