Doelstellingen pedagogie
Thema 1
HC 1
• Je begrijpt het continuüm van “alledaagsheid” naar “complexiteit” in
opvoedingssituaties. Je kan het continuüm beschrijven en aan de hand van concrete
voorbeelden illustreren.
• Je kan je je onbevooroordeeld uitspreken over elk kind en elke jongere in hun
alledaagse/complexe context.
• Je kan het ICF-kader toelichten en toepassingen ervan situeren.
• Je kan verschillende invalshoeken om naar complexiteit te kijken beschrijven en
illustreren.
HC 2
• Je kan het beleidsdenken over “complexiteit” in opvoedingssituaties beschrijven aan
de hand van de complexe organisatie van de jeugdzorg.
• Je kan je je onbevooroordeeld uitspreken over elk kind en elke jongere in hun
alledaagse/complexe context.
• Je kan het mechanisme van handicapisme beschrijven.
• Je kan de begrippen randbegaafdheid en verstandelijke beperking beschrijven. Je
kan de elementen bij de ondersteuning van verstandelijke beperking beschrijven.
• Je kan linken leggen tussen de omschrijving van complexe opvoedingssituaties en
verstandelijke beperking.
• Je kan de verschillende rollen en mandaten van een professional onderscheiden.
Seminarie 1
• mogelijkheden en beperkingen m.b.t. etiketteren, categoriseren en classificeren
benoemen en beargumenteren
• genuanceerde onderbouwde gedachten i.v.m. etiketteren, categoriseren en
classificeren formuleren vanuit verschillende perspectieven: media,
wetenschappers,
• een gegeven uitspraak i.v.m. etiketteren, categoriseren en classificeren kunnen
beoordelen en beargumenteren
, Thema 2
HC 3
• uitleggen op welke manier pedagogische modellen kunnen helpen bij methodisch
werken
• mogelijkheden en beperkingen bij het werken met pedagogische modellen
beschrijven
• analytische modellen gebruiken in gegeven casus
• opvoedingsvaardigheden omschrijven
• oude en nieuwe autoriteit definiëren
Seminarie 2
• overeenkomstige opvoedingsvaardigheden situeren in de besproken modellen
• voor een gegeven casus passende opvoedingsvaardigheden selecteren en
beargumenteren
• op een kritische, genuanceerde manier kunnen spreken over het begrip autoriteit
• het gedachtegoed van toonaangevende auteurs over autoriteit beschrijven
• de positie van toonaangevende auteurs t.a.v. autoriteit beargumenteren
HC 4
• Je kan na het HC en seminarie het algemeen principe ‘if you want to go fast, go slow’
uitleggen en verduidelijken met een voorbeeld.
• Je kan de basisprincipes van HGW opnoemen en in eigen woorden uitleggen.
• Je kan na het HC en seminarie verschillende modellen naast elkaar leggen en de
gemeenschappelijke factoren of fasen identificeren.
• Je kan na het HC en seminarie het cyclisch proces en de verschillende fasen van HGW
en opvoedingsondersteuning aanduiden in een gegeven casus.
• Je kan na het HC en seminarie het cyclisch proces doorlopen en de verschillende
fasen van HGW en opvoedingsondersteuning toepassen op een casus.
Seminarie 3
• Je kan het belang van handelingsgericht werken beargumenteren
• Je kan het belang van werken met een stappenplan bij opvoedingsondersteuning
beargumenteren.
• Je kan voor een gegeven casus de fasen in handelingsgericht werken doorlopen.
HC 5
• Je kan het begrip contextbegeleiding situeren in de tijd en de geschiedenis van de
jeugdhulp.
• Je kan maatschappelijke invloeden benoemen.
• Je kan de doelen van contextbegeleiding opsommen.
• Je kent de principes van contextbegeleiding.
• Je kan kritisch reflecteren over de praktijk.
Thema 1
HC 1
• Je begrijpt het continuüm van “alledaagsheid” naar “complexiteit” in
opvoedingssituaties. Je kan het continuüm beschrijven en aan de hand van concrete
voorbeelden illustreren.
• Je kan je je onbevooroordeeld uitspreken over elk kind en elke jongere in hun
alledaagse/complexe context.
• Je kan het ICF-kader toelichten en toepassingen ervan situeren.
• Je kan verschillende invalshoeken om naar complexiteit te kijken beschrijven en
illustreren.
HC 2
• Je kan het beleidsdenken over “complexiteit” in opvoedingssituaties beschrijven aan
de hand van de complexe organisatie van de jeugdzorg.
• Je kan je je onbevooroordeeld uitspreken over elk kind en elke jongere in hun
alledaagse/complexe context.
• Je kan het mechanisme van handicapisme beschrijven.
• Je kan de begrippen randbegaafdheid en verstandelijke beperking beschrijven. Je
kan de elementen bij de ondersteuning van verstandelijke beperking beschrijven.
• Je kan linken leggen tussen de omschrijving van complexe opvoedingssituaties en
verstandelijke beperking.
• Je kan de verschillende rollen en mandaten van een professional onderscheiden.
Seminarie 1
• mogelijkheden en beperkingen m.b.t. etiketteren, categoriseren en classificeren
benoemen en beargumenteren
• genuanceerde onderbouwde gedachten i.v.m. etiketteren, categoriseren en
classificeren formuleren vanuit verschillende perspectieven: media,
wetenschappers,
• een gegeven uitspraak i.v.m. etiketteren, categoriseren en classificeren kunnen
beoordelen en beargumenteren
, Thema 2
HC 3
• uitleggen op welke manier pedagogische modellen kunnen helpen bij methodisch
werken
• mogelijkheden en beperkingen bij het werken met pedagogische modellen
beschrijven
• analytische modellen gebruiken in gegeven casus
• opvoedingsvaardigheden omschrijven
• oude en nieuwe autoriteit definiëren
Seminarie 2
• overeenkomstige opvoedingsvaardigheden situeren in de besproken modellen
• voor een gegeven casus passende opvoedingsvaardigheden selecteren en
beargumenteren
• op een kritische, genuanceerde manier kunnen spreken over het begrip autoriteit
• het gedachtegoed van toonaangevende auteurs over autoriteit beschrijven
• de positie van toonaangevende auteurs t.a.v. autoriteit beargumenteren
HC 4
• Je kan na het HC en seminarie het algemeen principe ‘if you want to go fast, go slow’
uitleggen en verduidelijken met een voorbeeld.
• Je kan de basisprincipes van HGW opnoemen en in eigen woorden uitleggen.
• Je kan na het HC en seminarie verschillende modellen naast elkaar leggen en de
gemeenschappelijke factoren of fasen identificeren.
• Je kan na het HC en seminarie het cyclisch proces en de verschillende fasen van HGW
en opvoedingsondersteuning aanduiden in een gegeven casus.
• Je kan na het HC en seminarie het cyclisch proces doorlopen en de verschillende
fasen van HGW en opvoedingsondersteuning toepassen op een casus.
Seminarie 3
• Je kan het belang van handelingsgericht werken beargumenteren
• Je kan het belang van werken met een stappenplan bij opvoedingsondersteuning
beargumenteren.
• Je kan voor een gegeven casus de fasen in handelingsgericht werken doorlopen.
HC 5
• Je kan het begrip contextbegeleiding situeren in de tijd en de geschiedenis van de
jeugdhulp.
• Je kan maatschappelijke invloeden benoemen.
• Je kan de doelen van contextbegeleiding opsommen.
• Je kent de principes van contextbegeleiding.
• Je kan kritisch reflecteren over de praktijk.