Overzicht examenvragen Genetica 2023
Hoofdstuk 1 -
<< . Bij een bepaalde parkietensoort komen in een specifieke populatie drie
veerkleuren voor: groen, blauw en turquoise. Uit deze polymorfe populatie werden
willekeurige dieren gekozen om de wijze van overerving van de veerkleur te
achterhalen. Hierna zijn 8 van de uitgevoerde kruisingen met hun resultaat
weergegeven:
blauw x groen : alle nakomelingen blauw
Aa a blauw x blauw: 3/4 blauw en 1/4 turquoise
groen x groen: 3/4 groen en 1/4 turquoise
blauw x turquoise: 1/2 blauw en 1/2 turquoise
blauw x blauw: 3/4 blauw en 1/4 groen
blauw x groen: 1/2 blauw en 1/2 groen
blauw x groen: 1/2 blauw, 1/4 groen en 1/4 turquoise
turquoise x turquoise: alle nakomelingen turquoise
Hoe erft de veerkleur over? Geef de genotypen (allelsymbolen zelf te kiezen)
van de 8 ouderparen en hun nakomelingen.
Blauw (BB, BG, Bt) is dominant over groen (GG, Gt) en turquoise (tt), groen is dominant
over turquoise.
- Blauw (BB) x groen (GG) : alle nakomelingen blauw (BG)
- Blauw (Bt) x blauw (Bt) : ¾ blauw (BB, Bt, Bt) en ¼ turquoise (tt)
- Groen (Gt) x groen (Gt): ¾ groen (GG, Gt, Gt) en ¼ turquoise (tt)
- Blauw (Bt) x turquoise (tt): ½ blauw (Bt) en ½ turquoise (tt)
- Blauw (BG) x blauw (BG): ¾ blauw (BB, BG, BG) en ¼ groen (GG)
- Blauw (BG) x groen (GG): ½ blauw (BG) en ½ groen (GG)
- Blauw (Bt) x groen (Gt) : ½ blauw (BG, Bt), ¼ groen (Gt) en ¼ turquoise (tt)
- Turquoise (tt) x turquoise (tt): alle nakomelingen turquoise (tt)
,= multipele allelie?
Kan het ook dominantie epistasie zijn?
B… = blauw; bbG. = groen; bbgg = turquoise
Blauw (BB..) x groen (bbG.) : alle nakomelingen blauw (B…)
Blauw (Bbgg) x blauw (Bbgg) : ¾ blauw (B…) en ¼ turquoise (bbgg)
Groen (bbGg) x groen (bbGg): ¾ groen (bbG.) en ¼ turquoise (bbgg)
Blauw (Bbgg) x turquoise (bbgg): ½ blauw (Bbgg) en ½ turquoise (bbgg)
Blauw (BbGG) x blauw (BbG.): ¾ blauw (B…) en ¼ groen (bbG.)
Blauw (BbGG) x groen (bbG.): ½ blauw (B.G.) en ½ groen (bbG.)
Blauw (Bbgg) x groen (bbGg): ½ blauw (Bb.g) en ¼ groen (bbGg) en ¼ turquoise l(bbgg)
Turquoise (bbgg) x turquoise (bbgg): alle nakomelingen turquoise (bbgg)
2. In de hypothetische veronderstelling dat een vader en moeder voor alle
nucleaire genen dezelfde allelen bezitten, geven ze dan dezelfde genetische
informatie door aan hun kinderen? Verklaar.
Neen, zowel de vader als de moeder hebben voor elk gen 2 allelen. Bij de vorming van
gameten zullen er 4 verschillende combinaties mogelijk zijn. Dit komt doordat beide
chromatiden van een chromosoom uit elkaar worden getrokken en dat elk evenveel kans
heeft om in het genoom van een nakomeling terecht te komen.
Stel nu dat de moeder voor een bepaald allel heterozygoot is Aa en de vader heeft dit ook
Aa (want ze hebben dezelfde allelen). Zowel de moeder als de vader bezitten dus dezelfde
allelen voor alle allelen. Dat betekent dat de nakomelingen per gen 1 allel van de vader en 1
allel van de moeder krijgen. Dus van de moeder kunnen ze A of a krijgen en van de vader
kunnen ze A of a krijgen. Er zijn dus 4 mogelijke varianten van de allelen die de
nakomelingen kunnen hebben : AA, Aa of aa. De helft van de nakomelingen zullen dus
dezelfde allelen als de ouders hebben. (in perfecte omstandigheden)
Er zijn in de realiteit echter altijd variaties aanwezig omwille van haplotypes,
(kiembaan)mutaties, defecten…
Mochten de ouderdieren homozygoot zijn voor alle allelen, bv. allebei AA, dan zouden wel
alle nakomelingen theoretisch AA moeten zijn. Echter zoals hierboven aangehaald, kunnen
mutaties altijd plaatsvinden.
,Daarenboven wordt er ook mitochondrionaal DNA doorgegeven. Deze genen worden alleen
maternaal doorgegeven, waardoor dat dus een deel genetische info is die de moeder
doorgeeft en de vader niet.
Ook zijn er genen die enkel op het Y-chromosoom voorkomen. Ze worden enkel van vader
op zoon doorgegeven. Dit is dus genetische info die de vader doorgeeft en de moeder niet.
Zo heeft de vader ook maar 1 X-chromosoom en kan voor X-chromosoom gebonden
kenmerken maar 1 allel doorgeven, terwijl dit bij de moeder ofwel het allel vh ene
X-chromosoom is, ofwel van het andere X-chromosoom. Deze allelen kunnen verschillen
van elkaar indien de moeder heterozygoot is voor bepaalde X-chromosoom gebonden
kenmerken.
+ Rol van recombinatie bij heterozygote ouders:
+ Recombinatie kan hier leiden tot nieuwe combinaties van allelen op de
chromosomen, omdat de homologe chromosomen verschillende allelen bevatten.
+ Voorbeeld van recombinatie:
+ Laten we genen A en B als voorbeeld nemen:
+ Originele chromosomen:
+ Vader heeft chromosomen met de allelen: AB en ab
+ Moeder heeft chromosomen met de allelen: AB en ab
+ Recombinatie:
+ Tijdens meiose kunnen de homologe chromosomen delen van hun DNA
uitwisselen.
+ Een chromosoom met AB kan een deel uitwisselen met een chromosoom met
ab.
+ Resultaat van recombinatie:
+ Nieuwe combinaties kunnen ontstaan: Ab en aB, naast de oorspronkelijke AB en
ab.
, 3. Bij een kruising tussen een collie en een setter, beiden lijden aan progressieve
retina atrofie (PRA), had geen enkele van de acht nakomelingen PRA. Welke
besluiten kunnen hieruit getrokken worden met betrekking tot de overerving van
PRA in beide rassen?
- Hieruit kunnen we besluiten dat PRA een erfelijke, maar geen congenitale
aandoening is. Een dier wordt dus niet geboren met PRA, maar kan het later wel
gaan ontwikkelen.
- (Wanneer alle pups op latere leeftijd ook geen PRA ontwikkelen, kunnen we
ervan uitgaan dat het recessief overerft, omdat er een generatie wordt
overgeslagen)
Beide ouders lijden aan de aandoening, dus als het dan recessief is, zijn ze
homozygoot en zouden alle nakomelingen de aandoening ook hebben. Dus dit
puntje klopt denk ik niet -> als ze met lijden bedoelen dat ze homozygoot zijn kan
dit idd niet…
- Nog een mogelijkheid is dat het gen verantwoordelijk voor PRA, voor beide
rassen verschillend is. In dit geval treedt er complementatie op. Het mutante gen
bij het ene ras, geeft hetzelfde fenotype als een ander mutant gen bij het andere
ras.
- Zou dit geen logische verklaring kunnen zijn? :Dit is een mutatie met locus
heterogeniteit. Door de complementatietest waarbij we 2 aangetaste dieren
kruisen en hieruit normale nakomelingen krijgen kunnen we vaststellen dat
er niet-allelisme of locus heterogeniteit is voor de mutatie. De mutatie wordt
bij beide rassen in een ander gen veroorzaakt. Door kruising krijgen we
uiting van het wildtype allel. We gaan er dus vanuit dat dit een kruising is
tussen 2 recessieve homologe individuen. (vb collie cc, setter ss -> geeft
wild-type allel
- Beide ouders zijn bv heterozygoot PRApra x PRApra en alle nakomlingen
zijn toevallig prapra (uitzonderlijk maar kan wel)
4. Bij een kruisingsproef van staartloze x staartloze honden werden in de F1 85
nakomelingen zonder staart en 44 met staart bekomen. Terugkruising van F1
staartloze dieren met normale dieren leverde 65 nakomelingen zonder staart op en
66 met staart.
a. Is het allel voor staartloosheid dominant of recessief?
Dominant
Het kenmerk leefbaarheid staat hier los van -> onleefbaarheid is in dit geval recessief
lethaal voor de DD (homozygoot defecten, staartlozen)
b. Welk type van overerving kan hier verondersteld worden?
Autosomaal dominant, waarbij een homozygoot voor staartloos lethaal is
Hoofdstuk 1 -
<< . Bij een bepaalde parkietensoort komen in een specifieke populatie drie
veerkleuren voor: groen, blauw en turquoise. Uit deze polymorfe populatie werden
willekeurige dieren gekozen om de wijze van overerving van de veerkleur te
achterhalen. Hierna zijn 8 van de uitgevoerde kruisingen met hun resultaat
weergegeven:
blauw x groen : alle nakomelingen blauw
Aa a blauw x blauw: 3/4 blauw en 1/4 turquoise
groen x groen: 3/4 groen en 1/4 turquoise
blauw x turquoise: 1/2 blauw en 1/2 turquoise
blauw x blauw: 3/4 blauw en 1/4 groen
blauw x groen: 1/2 blauw en 1/2 groen
blauw x groen: 1/2 blauw, 1/4 groen en 1/4 turquoise
turquoise x turquoise: alle nakomelingen turquoise
Hoe erft de veerkleur over? Geef de genotypen (allelsymbolen zelf te kiezen)
van de 8 ouderparen en hun nakomelingen.
Blauw (BB, BG, Bt) is dominant over groen (GG, Gt) en turquoise (tt), groen is dominant
over turquoise.
- Blauw (BB) x groen (GG) : alle nakomelingen blauw (BG)
- Blauw (Bt) x blauw (Bt) : ¾ blauw (BB, Bt, Bt) en ¼ turquoise (tt)
- Groen (Gt) x groen (Gt): ¾ groen (GG, Gt, Gt) en ¼ turquoise (tt)
- Blauw (Bt) x turquoise (tt): ½ blauw (Bt) en ½ turquoise (tt)
- Blauw (BG) x blauw (BG): ¾ blauw (BB, BG, BG) en ¼ groen (GG)
- Blauw (BG) x groen (GG): ½ blauw (BG) en ½ groen (GG)
- Blauw (Bt) x groen (Gt) : ½ blauw (BG, Bt), ¼ groen (Gt) en ¼ turquoise (tt)
- Turquoise (tt) x turquoise (tt): alle nakomelingen turquoise (tt)
,= multipele allelie?
Kan het ook dominantie epistasie zijn?
B… = blauw; bbG. = groen; bbgg = turquoise
Blauw (BB..) x groen (bbG.) : alle nakomelingen blauw (B…)
Blauw (Bbgg) x blauw (Bbgg) : ¾ blauw (B…) en ¼ turquoise (bbgg)
Groen (bbGg) x groen (bbGg): ¾ groen (bbG.) en ¼ turquoise (bbgg)
Blauw (Bbgg) x turquoise (bbgg): ½ blauw (Bbgg) en ½ turquoise (bbgg)
Blauw (BbGG) x blauw (BbG.): ¾ blauw (B…) en ¼ groen (bbG.)
Blauw (BbGG) x groen (bbG.): ½ blauw (B.G.) en ½ groen (bbG.)
Blauw (Bbgg) x groen (bbGg): ½ blauw (Bb.g) en ¼ groen (bbGg) en ¼ turquoise l(bbgg)
Turquoise (bbgg) x turquoise (bbgg): alle nakomelingen turquoise (bbgg)
2. In de hypothetische veronderstelling dat een vader en moeder voor alle
nucleaire genen dezelfde allelen bezitten, geven ze dan dezelfde genetische
informatie door aan hun kinderen? Verklaar.
Neen, zowel de vader als de moeder hebben voor elk gen 2 allelen. Bij de vorming van
gameten zullen er 4 verschillende combinaties mogelijk zijn. Dit komt doordat beide
chromatiden van een chromosoom uit elkaar worden getrokken en dat elk evenveel kans
heeft om in het genoom van een nakomeling terecht te komen.
Stel nu dat de moeder voor een bepaald allel heterozygoot is Aa en de vader heeft dit ook
Aa (want ze hebben dezelfde allelen). Zowel de moeder als de vader bezitten dus dezelfde
allelen voor alle allelen. Dat betekent dat de nakomelingen per gen 1 allel van de vader en 1
allel van de moeder krijgen. Dus van de moeder kunnen ze A of a krijgen en van de vader
kunnen ze A of a krijgen. Er zijn dus 4 mogelijke varianten van de allelen die de
nakomelingen kunnen hebben : AA, Aa of aa. De helft van de nakomelingen zullen dus
dezelfde allelen als de ouders hebben. (in perfecte omstandigheden)
Er zijn in de realiteit echter altijd variaties aanwezig omwille van haplotypes,
(kiembaan)mutaties, defecten…
Mochten de ouderdieren homozygoot zijn voor alle allelen, bv. allebei AA, dan zouden wel
alle nakomelingen theoretisch AA moeten zijn. Echter zoals hierboven aangehaald, kunnen
mutaties altijd plaatsvinden.
,Daarenboven wordt er ook mitochondrionaal DNA doorgegeven. Deze genen worden alleen
maternaal doorgegeven, waardoor dat dus een deel genetische info is die de moeder
doorgeeft en de vader niet.
Ook zijn er genen die enkel op het Y-chromosoom voorkomen. Ze worden enkel van vader
op zoon doorgegeven. Dit is dus genetische info die de vader doorgeeft en de moeder niet.
Zo heeft de vader ook maar 1 X-chromosoom en kan voor X-chromosoom gebonden
kenmerken maar 1 allel doorgeven, terwijl dit bij de moeder ofwel het allel vh ene
X-chromosoom is, ofwel van het andere X-chromosoom. Deze allelen kunnen verschillen
van elkaar indien de moeder heterozygoot is voor bepaalde X-chromosoom gebonden
kenmerken.
+ Rol van recombinatie bij heterozygote ouders:
+ Recombinatie kan hier leiden tot nieuwe combinaties van allelen op de
chromosomen, omdat de homologe chromosomen verschillende allelen bevatten.
+ Voorbeeld van recombinatie:
+ Laten we genen A en B als voorbeeld nemen:
+ Originele chromosomen:
+ Vader heeft chromosomen met de allelen: AB en ab
+ Moeder heeft chromosomen met de allelen: AB en ab
+ Recombinatie:
+ Tijdens meiose kunnen de homologe chromosomen delen van hun DNA
uitwisselen.
+ Een chromosoom met AB kan een deel uitwisselen met een chromosoom met
ab.
+ Resultaat van recombinatie:
+ Nieuwe combinaties kunnen ontstaan: Ab en aB, naast de oorspronkelijke AB en
ab.
, 3. Bij een kruising tussen een collie en een setter, beiden lijden aan progressieve
retina atrofie (PRA), had geen enkele van de acht nakomelingen PRA. Welke
besluiten kunnen hieruit getrokken worden met betrekking tot de overerving van
PRA in beide rassen?
- Hieruit kunnen we besluiten dat PRA een erfelijke, maar geen congenitale
aandoening is. Een dier wordt dus niet geboren met PRA, maar kan het later wel
gaan ontwikkelen.
- (Wanneer alle pups op latere leeftijd ook geen PRA ontwikkelen, kunnen we
ervan uitgaan dat het recessief overerft, omdat er een generatie wordt
overgeslagen)
Beide ouders lijden aan de aandoening, dus als het dan recessief is, zijn ze
homozygoot en zouden alle nakomelingen de aandoening ook hebben. Dus dit
puntje klopt denk ik niet -> als ze met lijden bedoelen dat ze homozygoot zijn kan
dit idd niet…
- Nog een mogelijkheid is dat het gen verantwoordelijk voor PRA, voor beide
rassen verschillend is. In dit geval treedt er complementatie op. Het mutante gen
bij het ene ras, geeft hetzelfde fenotype als een ander mutant gen bij het andere
ras.
- Zou dit geen logische verklaring kunnen zijn? :Dit is een mutatie met locus
heterogeniteit. Door de complementatietest waarbij we 2 aangetaste dieren
kruisen en hieruit normale nakomelingen krijgen kunnen we vaststellen dat
er niet-allelisme of locus heterogeniteit is voor de mutatie. De mutatie wordt
bij beide rassen in een ander gen veroorzaakt. Door kruising krijgen we
uiting van het wildtype allel. We gaan er dus vanuit dat dit een kruising is
tussen 2 recessieve homologe individuen. (vb collie cc, setter ss -> geeft
wild-type allel
- Beide ouders zijn bv heterozygoot PRApra x PRApra en alle nakomlingen
zijn toevallig prapra (uitzonderlijk maar kan wel)
4. Bij een kruisingsproef van staartloze x staartloze honden werden in de F1 85
nakomelingen zonder staart en 44 met staart bekomen. Terugkruising van F1
staartloze dieren met normale dieren leverde 65 nakomelingen zonder staart op en
66 met staart.
a. Is het allel voor staartloosheid dominant of recessief?
Dominant
Het kenmerk leefbaarheid staat hier los van -> onleefbaarheid is in dit geval recessief
lethaal voor de DD (homozygoot defecten, staartlozen)
b. Welk type van overerving kan hier verondersteld worden?
Autosomaal dominant, waarbij een homozygoot voor staartloos lethaal is