Basisprincipes fylogenie
1.Definities en principes
Fylogenie = Fylogenie is de evolutionaire voor geschiedenis van een groep of reeks organismen. Deze
geschiedenis wordt vaak weergegeven in een fylogenetische boom of cladogram . Fylogenetische
bomen zijn van belang omdat:
Ze helpen ons de evolutie van bouwplannen te begrijpen.
Ze worden gebruikt in onderzoek naar co -evolutie, zoals de relatie tussen virussen en hun
gastheren.
Ze stellen ons in staat om hypothesen over evolutie te testen, op zowel macro - als microniveau,
met behulp van methoden zoals 'fylogenetische contrasten'.
Ze kunnen worden gebruikt voor risicoanalyse op basis van verwantschap, bijvoorbeeld bij het
bestuderen van invasieve soorten of ziekteverwekkers.
Een knooppunt = ook wel aangeduid met de Engelse term "node", in een fylogenetische boom
vertegenwoordigt de laatste gemeenschappelijke voorouder (LGV) van een clade. Het is het punt in de
boom waar twee takken samenkomen.
Een zustergroep = is een term die gebruikt wordt in de fylogenie om de nauwst verwante clade aan een
andere clade te beschrijven . Een knooppunt leidt normaal maar tot twee vertakkingen en dus
zustergroepen, twee clades zijn dus zustergroepen als ze elkaars nauwste verwanten zijn.
Een polytomie = in een fylogenetische boom verwijst naar een knooppunt waar meer dan twee takken
samenkomen. Dit betekent dat de evolutionaire relaties tussen de afstammende lijnen niet volledig
opgelost zijn
Een clade
Een clade = is een groep organismen die een gemeenschappelijke voorgeschiedenis delen. Simpel
gezegd, alle organismen in een clade stammen af van dezelfde voorouder. Deze gedeelde
afstamming is wat een clade definieert.
Clades zijn enkel geldig als ze monofyletisch zijn, Dit betekent dat de clade de meest recente
gemeenschappelijke voorouder (MRGV) van alle leden van de groep bevat, én alle afstammelingen van
die voorouder. Clades zijn werkhypotheses: d it betekent dat onze kennis van de evolutionaire relaties
tussen organismen kan veranderen naarmate er nieuwe gegevens beschikbaar komen.
LGV = de meest recente voorouder waar een bepaalde set organismen van afstammen, het eerste
knooppunt waaruit de betrokken groep begint te vertakken
Basale clade = een clade is basaal indien ze ontstaan is door een vroeger vertakking en dus de
zustergroep is van de meeste andere organismen binnen de clade
Een afgeleide clade is ontstaan door latere vertakkingen en heeft dus een veel kleinere zustergoep
Kenmerken
Ancestraal kenmerk / plesiomorf = Dit verwijst naar een kenmerk dat aanwezig was in de voorouderlijke
populatie en behouden is gebleven in de afstammelingen. Het is een "oorspronkelijk" kenmerk dat niet
uniek is voor een bepaalde clade
1.Definities en principes
Fylogenie = Fylogenie is de evolutionaire voor geschiedenis van een groep of reeks organismen. Deze
geschiedenis wordt vaak weergegeven in een fylogenetische boom of cladogram . Fylogenetische
bomen zijn van belang omdat:
Ze helpen ons de evolutie van bouwplannen te begrijpen.
Ze worden gebruikt in onderzoek naar co -evolutie, zoals de relatie tussen virussen en hun
gastheren.
Ze stellen ons in staat om hypothesen over evolutie te testen, op zowel macro - als microniveau,
met behulp van methoden zoals 'fylogenetische contrasten'.
Ze kunnen worden gebruikt voor risicoanalyse op basis van verwantschap, bijvoorbeeld bij het
bestuderen van invasieve soorten of ziekteverwekkers.
Een knooppunt = ook wel aangeduid met de Engelse term "node", in een fylogenetische boom
vertegenwoordigt de laatste gemeenschappelijke voorouder (LGV) van een clade. Het is het punt in de
boom waar twee takken samenkomen.
Een zustergroep = is een term die gebruikt wordt in de fylogenie om de nauwst verwante clade aan een
andere clade te beschrijven . Een knooppunt leidt normaal maar tot twee vertakkingen en dus
zustergroepen, twee clades zijn dus zustergroepen als ze elkaars nauwste verwanten zijn.
Een polytomie = in een fylogenetische boom verwijst naar een knooppunt waar meer dan twee takken
samenkomen. Dit betekent dat de evolutionaire relaties tussen de afstammende lijnen niet volledig
opgelost zijn
Een clade
Een clade = is een groep organismen die een gemeenschappelijke voorgeschiedenis delen. Simpel
gezegd, alle organismen in een clade stammen af van dezelfde voorouder. Deze gedeelde
afstamming is wat een clade definieert.
Clades zijn enkel geldig als ze monofyletisch zijn, Dit betekent dat de clade de meest recente
gemeenschappelijke voorouder (MRGV) van alle leden van de groep bevat, én alle afstammelingen van
die voorouder. Clades zijn werkhypotheses: d it betekent dat onze kennis van de evolutionaire relaties
tussen organismen kan veranderen naarmate er nieuwe gegevens beschikbaar komen.
LGV = de meest recente voorouder waar een bepaalde set organismen van afstammen, het eerste
knooppunt waaruit de betrokken groep begint te vertakken
Basale clade = een clade is basaal indien ze ontstaan is door een vroeger vertakking en dus de
zustergroep is van de meeste andere organismen binnen de clade
Een afgeleide clade is ontstaan door latere vertakkingen en heeft dus een veel kleinere zustergoep
Kenmerken
Ancestraal kenmerk / plesiomorf = Dit verwijst naar een kenmerk dat aanwezig was in de voorouderlijke
populatie en behouden is gebleven in de afstammelingen. Het is een "oorspronkelijk" kenmerk dat niet
uniek is voor een bepaalde clade