Biodiversiteit
1.Inleiding
Biodiversity = ‘the variability among living o rganisms from all sources, including inter alia, terrestrial,
marine and other aquatic organisms and the ecological complexes of which they are part; this includes
diversity within species, between species and of ecosystems’
1. Hoe varieert de diversiteit op a arde en welke factoren bepalen deze variatie?
2. Heeft diversiteit een biologische functie op aarde m.a.w. gaan gemeenschappen en
ecosystemen anders functioneren wanneer hun diversiteit afneemt.
2.Diversiteit meten in de praktijk
In plantengemeenschappen worden meestal steekproven genomen m.b.v. proefvlakken. Dit zijn
roosters waarin de aanwezigheid en/of abundantie van alle soorten wordt genoteerd. We beperken
ons tot de aanwezigheid, teneinde enkel het aantal soorten te bepalen. De grootte hangt af van de
vegetatie , ze moeten voldoende diversiteit bevatten.
Aantal proefvlakken dat geanalyseerd worden:
1e proefvlak: vooral algemene soorten aangetroffen
Volgende proefvlakken: dezelfde soorten zodat het cumulatief aantal soorten minder snel gaat
toenemen, nl. enkel nog door observaties van de minder talrijke soorten.
Het gezochte aantal = hetgeen dat gezocht wordt bij saturatie, hiervoor zijn zeer veel steekproeven
nodig en dus een onevenredige tijdsinvestering in verhouding tot de nauwkeurigheid.
De saturatiewaarde: wordt benaderd met een kleiner aantal proefvlakken. Een criterium om de
steekproefafname te staken is het punt waarbij 10% toename op de X -as 10% toename op de Y -as
oplevert.
Random verspreid kunnen de proefvlakken ook ‘nested’ zijn: de grotere omvatten de kleinere. Dit
vermindert de steekproef -investering, maar vereist dat het onderzochte gebied zeer homogeen is.
Voor dieren kan hetzelfde principe worden toegepast, waarbij de proefvlakafname vervangen wordt
door een of andere vangstmethode, en census -tijd als analogon voor bemonsterde oppervlakte.
Onderzoek zelf of bij een plantengemeenschap de initiële stijging van de curve hangt af van:
1. De proefvlakgrootte
2. De relatieve abondanties van de soorten (evenness en dominantie)
3. Het ruimtelijk patroon (‘clumping’: de mate waarin de individuen van eenzelfde soort
geaggregeerd zijn)
3.Biogeografische patronen
De reeds geïdentificeerde soorten zijn niet gelijkmatig verdeeld over het aardoppervlak. Een van de
meest bekende patronen is het afnemend soortenaantal vanaf de evenaar in de richting van de polen.
Mogelijke verklaringen kunne n zijn: ouderdom van de gemeenschappen, spatiale heterogeniteit van
het milieu, de temporale stabiliteit van het klimaat en de ecosysteemproductiviteit.
1.Inleiding
Biodiversity = ‘the variability among living o rganisms from all sources, including inter alia, terrestrial,
marine and other aquatic organisms and the ecological complexes of which they are part; this includes
diversity within species, between species and of ecosystems’
1. Hoe varieert de diversiteit op a arde en welke factoren bepalen deze variatie?
2. Heeft diversiteit een biologische functie op aarde m.a.w. gaan gemeenschappen en
ecosystemen anders functioneren wanneer hun diversiteit afneemt.
2.Diversiteit meten in de praktijk
In plantengemeenschappen worden meestal steekproven genomen m.b.v. proefvlakken. Dit zijn
roosters waarin de aanwezigheid en/of abundantie van alle soorten wordt genoteerd. We beperken
ons tot de aanwezigheid, teneinde enkel het aantal soorten te bepalen. De grootte hangt af van de
vegetatie , ze moeten voldoende diversiteit bevatten.
Aantal proefvlakken dat geanalyseerd worden:
1e proefvlak: vooral algemene soorten aangetroffen
Volgende proefvlakken: dezelfde soorten zodat het cumulatief aantal soorten minder snel gaat
toenemen, nl. enkel nog door observaties van de minder talrijke soorten.
Het gezochte aantal = hetgeen dat gezocht wordt bij saturatie, hiervoor zijn zeer veel steekproeven
nodig en dus een onevenredige tijdsinvestering in verhouding tot de nauwkeurigheid.
De saturatiewaarde: wordt benaderd met een kleiner aantal proefvlakken. Een criterium om de
steekproefafname te staken is het punt waarbij 10% toename op de X -as 10% toename op de Y -as
oplevert.
Random verspreid kunnen de proefvlakken ook ‘nested’ zijn: de grotere omvatten de kleinere. Dit
vermindert de steekproef -investering, maar vereist dat het onderzochte gebied zeer homogeen is.
Voor dieren kan hetzelfde principe worden toegepast, waarbij de proefvlakafname vervangen wordt
door een of andere vangstmethode, en census -tijd als analogon voor bemonsterde oppervlakte.
Onderzoek zelf of bij een plantengemeenschap de initiële stijging van de curve hangt af van:
1. De proefvlakgrootte
2. De relatieve abondanties van de soorten (evenness en dominantie)
3. Het ruimtelijk patroon (‘clumping’: de mate waarin de individuen van eenzelfde soort
geaggregeerd zijn)
3.Biogeografische patronen
De reeds geïdentificeerde soorten zijn niet gelijkmatig verdeeld over het aardoppervlak. Een van de
meest bekende patronen is het afnemend soortenaantal vanaf de evenaar in de richting van de polen.
Mogelijke verklaringen kunne n zijn: ouderdom van de gemeenschappen, spatiale heterogeniteit van
het milieu, de temporale stabiliteit van het klimaat en de ecosysteemproductiviteit.