menselijke verstoringen
1.Menselijke activiteiten wijzigen de globale
-Cylcus
C
Tot en met het industriële tijdperk liepen de stromen van C tussen de atmosfeer, oceanen en het land
in evenwicht. Dit evenwicht is nu verstoord door de transfer van CO2 in de atmosfeer zowel de bodems
als de vegetatie en dit als gevolg veranderingen in bo dem - en landgebruik en van massaal en intesief
gebruik van fossiele brandstoffen. Door verbranding van fossiele brandstoffen wordt er voortdurend C
toegevoegd aan de atmosfeer en dit wordt maar ten dele opgenomen dor de oceanen en de
vegetaties op de conti nenten. Ook landbouw en ontbossingen dragen hieraan toe.
De C -uitwisseling tussen het land, de oceanen en de atmosfeer in de globale C -cyclus wordt verstoord
door de snelle injectie van koolstofdioxide in de atmosfeer ten gevolge van het gebruik van fossiele
brandstoffen en de massale ontbossing. Ontbossing leidt tot een toename door minder opnamen het
verbranden van bomen en gestimuleerde decompositie. Hier bovenop is er ee n toename van andere
gassen in de atmosfeer zoals methaan. De voornaamste bronnen zijn herkauwers, microbiële
ontbinding in moerassen, venen en toendra, evenals de industriële gassen. Deze toename is te wijden
aan de toename van de bevolking.
C komt nog onder twee andere vormen in de atmosfeer CO en CH4. Beide circuleren snel en hebben
korte residentietijden. Beide komen voort uit onvolledige of anaërobe ontbinding van organische
materie. Beide worden in de atmosfeer geoxideerd tot CO2. CO word t voornamelijk in de atmosfeer
gebracht door de uitlaat van auto’s
2.Impact van bosbouw op-bos ënten
ES en kringloop nutri
Bossen vormen een zeer belangrijke natuurlijke hulpbron voor de menselijke samenleving en leveren
brandstof , bouwmateriaal en voedsel. Wereldwijd is de helft van de bossen echter grotendeels
verdwenen door menselijke activiteiten. Het merendeel van de bronnen uit bossen wordt uit
natuurlijke bossen gewonnen.
Bosbouwmethoden
1. Kaalkap: betreft het volledig verdwijnen van een bosgebied en het terugbrengen naar de
eerste stadia van de successie. Wanneer natuurlijke bosbestanden kaalgekapt zijn, is er over het
algemeen geen opvolgingsbeheer. Bosbestanden worden dan op natuurlijke wijze
geregenereerd uit bestaand zaad en spruiten op de site en de input van de zaden uit
aangrijnzende bosbestanden. Kaalgekapte gebieden k unnen echter ernst ig worden verstoord
door erosie, sterke microklimaatveranderingen enz. Wanneer plantages kaal zijn, is er normaal
gesproken een vervolgbeheer, bv. de aanplant van zaailingen, bemesting, toepassing van
herbiciden enz.
2. Schermslag: methode om te oogsten door alle bomen uit een gebied te verwijderen, met
uitzondering van een klein aantal zaaddragende bomen, bedoeld als de belangrijkste bron van
zaden voor de natuurlijke regeneratie na de oogst. Het bevordert het mengen va n soorten.
3. Groepenkap: volgens dit systeem worden enkele volwassen bomen verspreid door het bos
verwijderd. Groepskap produceert slechts kleine openingen en gaten in het bladerdak en kan
veranderingen in soortensamenstelling en diversiteit veroorzaken. Wegen om toega ng te
krijgen tot de bomen om te oogsten kunnen echter een belangrijke verstoring vormen.
, Rotatietijd
Nadat bomen geoogst zijn moet er voldoende tijd verstrijken zodat het bos kan regenereren en het
niveau van biomassa kan terugkrijgen dat het had bereikt ten tijde van de vorige oogst. De rotatietijd is
afhankelijk van een verscheidenheid aan factoren die verband houden met de boomsoort, de
omstandigheden ter plaatse, het type beheer en het beoogde gebruik van de bodem die wordt
gekapt.
Voedingsstoffen
Een aanzienlijke hoeveelheid voeddingstoffen uit het bos gaat verloren
wanneer bomen worden gekapt en verwijderd. Naast de nutriënten die
rechtstreeks onttrokken worden door het verwijderen van biomassa, kan
ontginning ook leiden tot het transport van nutr iënten uit het ES door de
verandering van processen die bij de interne cyclering betrokken zijn.
Na oogs t: mind e r planten → meer radiatie op de bodem → warmere bodem → hogere decompositie
→ meer nutriënten beschikbaar → minder plant productie → verlies van nutriënten
3.Stikstof depositie
De mens heeft door zijn overvloed aan activiteiten de stikstofcyclus verhoogd. Stikstof wordt
uitgestoten als stikstofoxiden, die snel verschillende chemische reacties in de atmosfeer ondergaan en
daarom niet langdurig in de atmosfeer verblijven, maar eerd er worden afgezet in de gebieden waar de
emissie is ontstaan. Het resultaat is dat de depositiesnelheden sterk variëren tssn geografische regio’s.
Bronnen van stikstofinput
1. Landbouw: toen de mens bomen begon af te branden en land begon kaal te kappen voor het
verbouwen van gewassen en van grasland. De conversie van natuurlijke graslanden in
graangewassen veroorzaakte een gestage vermindering van het stikstofgehalte van de bod em.
2. Ploegen en mengen van de bodem doet de ontbinding van diepe organische materie
toenemen waarbij nitraten en stikstofoxiden worden vrijgesteld.
3. De oogst en de kaalkap resulteren in een groot verlies van stikstof vanuit landbouw - en
bosecosystemen, niet alleen in het materiaal dat wordt afgevoerd, maar ook via nitraatverliezen
vanuit de bodem.
4. Intensieve toediening van chemische meststoffen aan akkerlanden verstoort natuurlijk
evenwicht tussen stikstoffixatie en denitrificatie. Een deel van de stikstofmeststoffen gaat
verloren onder de vorm van runoff, uitloging en microbiële denitrificatie.
5. Auto -uitlaatgassen en industriële verbranding bij hoge temperaturen voegen stikstofmonoxide
(NO) stikstofdioxide (NO2) aan de atmosfeer toe.
6. Uitwerpselen van dieren in regio’s met intensieve veeteelt, van stedelijke afval - en stortplaatsen
en van fabrieken van chemische meststoffen.
1.Menselijke activiteiten wijzigen de globale
-Cylcus
C
Tot en met het industriële tijdperk liepen de stromen van C tussen de atmosfeer, oceanen en het land
in evenwicht. Dit evenwicht is nu verstoord door de transfer van CO2 in de atmosfeer zowel de bodems
als de vegetatie en dit als gevolg veranderingen in bo dem - en landgebruik en van massaal en intesief
gebruik van fossiele brandstoffen. Door verbranding van fossiele brandstoffen wordt er voortdurend C
toegevoegd aan de atmosfeer en dit wordt maar ten dele opgenomen dor de oceanen en de
vegetaties op de conti nenten. Ook landbouw en ontbossingen dragen hieraan toe.
De C -uitwisseling tussen het land, de oceanen en de atmosfeer in de globale C -cyclus wordt verstoord
door de snelle injectie van koolstofdioxide in de atmosfeer ten gevolge van het gebruik van fossiele
brandstoffen en de massale ontbossing. Ontbossing leidt tot een toename door minder opnamen het
verbranden van bomen en gestimuleerde decompositie. Hier bovenop is er ee n toename van andere
gassen in de atmosfeer zoals methaan. De voornaamste bronnen zijn herkauwers, microbiële
ontbinding in moerassen, venen en toendra, evenals de industriële gassen. Deze toename is te wijden
aan de toename van de bevolking.
C komt nog onder twee andere vormen in de atmosfeer CO en CH4. Beide circuleren snel en hebben
korte residentietijden. Beide komen voort uit onvolledige of anaërobe ontbinding van organische
materie. Beide worden in de atmosfeer geoxideerd tot CO2. CO word t voornamelijk in de atmosfeer
gebracht door de uitlaat van auto’s
2.Impact van bosbouw op-bos ënten
ES en kringloop nutri
Bossen vormen een zeer belangrijke natuurlijke hulpbron voor de menselijke samenleving en leveren
brandstof , bouwmateriaal en voedsel. Wereldwijd is de helft van de bossen echter grotendeels
verdwenen door menselijke activiteiten. Het merendeel van de bronnen uit bossen wordt uit
natuurlijke bossen gewonnen.
Bosbouwmethoden
1. Kaalkap: betreft het volledig verdwijnen van een bosgebied en het terugbrengen naar de
eerste stadia van de successie. Wanneer natuurlijke bosbestanden kaalgekapt zijn, is er over het
algemeen geen opvolgingsbeheer. Bosbestanden worden dan op natuurlijke wijze
geregenereerd uit bestaand zaad en spruiten op de site en de input van de zaden uit
aangrijnzende bosbestanden. Kaalgekapte gebieden k unnen echter ernst ig worden verstoord
door erosie, sterke microklimaatveranderingen enz. Wanneer plantages kaal zijn, is er normaal
gesproken een vervolgbeheer, bv. de aanplant van zaailingen, bemesting, toepassing van
herbiciden enz.
2. Schermslag: methode om te oogsten door alle bomen uit een gebied te verwijderen, met
uitzondering van een klein aantal zaaddragende bomen, bedoeld als de belangrijkste bron van
zaden voor de natuurlijke regeneratie na de oogst. Het bevordert het mengen va n soorten.
3. Groepenkap: volgens dit systeem worden enkele volwassen bomen verspreid door het bos
verwijderd. Groepskap produceert slechts kleine openingen en gaten in het bladerdak en kan
veranderingen in soortensamenstelling en diversiteit veroorzaken. Wegen om toega ng te
krijgen tot de bomen om te oogsten kunnen echter een belangrijke verstoring vormen.
, Rotatietijd
Nadat bomen geoogst zijn moet er voldoende tijd verstrijken zodat het bos kan regenereren en het
niveau van biomassa kan terugkrijgen dat het had bereikt ten tijde van de vorige oogst. De rotatietijd is
afhankelijk van een verscheidenheid aan factoren die verband houden met de boomsoort, de
omstandigheden ter plaatse, het type beheer en het beoogde gebruik van de bodem die wordt
gekapt.
Voedingsstoffen
Een aanzienlijke hoeveelheid voeddingstoffen uit het bos gaat verloren
wanneer bomen worden gekapt en verwijderd. Naast de nutriënten die
rechtstreeks onttrokken worden door het verwijderen van biomassa, kan
ontginning ook leiden tot het transport van nutr iënten uit het ES door de
verandering van processen die bij de interne cyclering betrokken zijn.
Na oogs t: mind e r planten → meer radiatie op de bodem → warmere bodem → hogere decompositie
→ meer nutriënten beschikbaar → minder plant productie → verlies van nutriënten
3.Stikstof depositie
De mens heeft door zijn overvloed aan activiteiten de stikstofcyclus verhoogd. Stikstof wordt
uitgestoten als stikstofoxiden, die snel verschillende chemische reacties in de atmosfeer ondergaan en
daarom niet langdurig in de atmosfeer verblijven, maar eerd er worden afgezet in de gebieden waar de
emissie is ontstaan. Het resultaat is dat de depositiesnelheden sterk variëren tssn geografische regio’s.
Bronnen van stikstofinput
1. Landbouw: toen de mens bomen begon af te branden en land begon kaal te kappen voor het
verbouwen van gewassen en van grasland. De conversie van natuurlijke graslanden in
graangewassen veroorzaakte een gestage vermindering van het stikstofgehalte van de bod em.
2. Ploegen en mengen van de bodem doet de ontbinding van diepe organische materie
toenemen waarbij nitraten en stikstofoxiden worden vrijgesteld.
3. De oogst en de kaalkap resulteren in een groot verlies van stikstof vanuit landbouw - en
bosecosystemen, niet alleen in het materiaal dat wordt afgevoerd, maar ook via nitraatverliezen
vanuit de bodem.
4. Intensieve toediening van chemische meststoffen aan akkerlanden verstoort natuurlijk
evenwicht tussen stikstoffixatie en denitrificatie. Een deel van de stikstofmeststoffen gaat
verloren onder de vorm van runoff, uitloging en microbiële denitrificatie.
5. Auto -uitlaatgassen en industriële verbranding bij hoge temperaturen voegen stikstofmonoxide
(NO) stikstofdioxide (NO2) aan de atmosfeer toe.
6. Uitwerpselen van dieren in regio’s met intensieve veeteelt, van stedelijke afval - en stortplaatsen
en van fabrieken van chemische meststoffen.