landschapsecologie
1.Definities
Gemeenschappen = alle organismen die een omgeving delen. Ze hebben niet alleen
hun ruimtelijke grenzen maar ze maken ook deel uit van een ruimtelijke structuur op
grote schaal: het landschap. Dit kan meestal voorgesteld worden door een mozaïek.
In het landschap corresponderen de verschillende gemeenschappen met doorgaans
duidelijke afgelijnde, relatief homogene onderdelen. De patches of landschapselementen genoemd.
De structuur en de soortensamenstelling verschillen van deze in de omgeving. De begrenzing is het
gevolg van veranderingen in fysische en biologische structuur. Ze variëren in grootte, vorm en type en
zijn ingebed in een complexe achtergrond van andere patches: de matrix.
Landschapsecologie = bestudeert hoe patches ontstaan en hun ecologische gevolgen op hun
ruimtelijk patroon.
Elke patch bestaat uit een interne zone (interior) en een randzone (edge). Samen met de grens (border)
vormen ze het grensgebied (boundary). Randzones kunnen inherent/permanent zijn of
geïnduceerd/tijdelijk zijn. Het grensgebied kan scherp gedefinieerd zijn of het kan bestaan uit een
geleidelijke overgang waar de 2 variatietypes in elkaar overlopen (ectone).
2.Ecologische consequenties van de structuur van het landschap
Randeffecten
In het grensgebied kunnen soorten van beide landschapsdelen voorkomen. Dit verhoogd
de diversiteit. Er kunnen ook soorten voorkomen die zijn aangepast aan dit grensgebied,
dit verhoogd weer de diversiteit. Deze groep doet vaak beroep op HB van beide
randzones. Dit soort randeffecten zijn sterker naarmate de randzone groter is en naarmate
het contrast kleiner is. De diversiteit is het hoogst bij een voortschrijdende randzone
(afwisseling van abiotische factoren het grootst).
Effecten van patch grootte en vorm
Het landschap werd sterk gefragmenteerd door het
gebruik van de mens. De oorspronkelijke patches werden kleiner en mee r geïsoleerd van elkaar.
Hierdoor daalt het aantal organismen en soorten. In grotere patches kunnen grotere dieren
voorkomen omwille van de grotere territoria en gezien de positieve relatie tussen lichaamsgrootte en
territoriumgrootte. Grote carnivoren hebben nog meer ruimte nodig dan herbivoren en zullen dus
nog rapper verdwijnen. Grote patches hebben meer variatie in topografie en bodemtypes waardoor
er meer verschillende plantensoorten en een grotere variatie aan
vegetatiestructuren kunnen voorkomen. Hierdoor ontstaat habitat voor meer
diersoorten.
De grootte en de vorm van de patch bepalen de hoeveelheid randzone en interne
zone. Opdat er een interne zone kan voorkomen moet de patch dieper zijn dan 2X
de randzone. Wanneer de grootte toeneemt, ver groot de interne zonen en stijgt
ook de verhouding tussen intern en randzone. Langwerpige patches hebben
kleinere interne zone dan meer isodiametrische elementen en kunnen zelfs enkel
uit randzone bestaan ongeacht hoe groot ze zijn. De diversiteit is maximaal bij een
mix van grote en kleine patches. Planten zijn niet zo gevoelig aan te grote patches
1.Definities
Gemeenschappen = alle organismen die een omgeving delen. Ze hebben niet alleen
hun ruimtelijke grenzen maar ze maken ook deel uit van een ruimtelijke structuur op
grote schaal: het landschap. Dit kan meestal voorgesteld worden door een mozaïek.
In het landschap corresponderen de verschillende gemeenschappen met doorgaans
duidelijke afgelijnde, relatief homogene onderdelen. De patches of landschapselementen genoemd.
De structuur en de soortensamenstelling verschillen van deze in de omgeving. De begrenzing is het
gevolg van veranderingen in fysische en biologische structuur. Ze variëren in grootte, vorm en type en
zijn ingebed in een complexe achtergrond van andere patches: de matrix.
Landschapsecologie = bestudeert hoe patches ontstaan en hun ecologische gevolgen op hun
ruimtelijk patroon.
Elke patch bestaat uit een interne zone (interior) en een randzone (edge). Samen met de grens (border)
vormen ze het grensgebied (boundary). Randzones kunnen inherent/permanent zijn of
geïnduceerd/tijdelijk zijn. Het grensgebied kan scherp gedefinieerd zijn of het kan bestaan uit een
geleidelijke overgang waar de 2 variatietypes in elkaar overlopen (ectone).
2.Ecologische consequenties van de structuur van het landschap
Randeffecten
In het grensgebied kunnen soorten van beide landschapsdelen voorkomen. Dit verhoogd
de diversiteit. Er kunnen ook soorten voorkomen die zijn aangepast aan dit grensgebied,
dit verhoogd weer de diversiteit. Deze groep doet vaak beroep op HB van beide
randzones. Dit soort randeffecten zijn sterker naarmate de randzone groter is en naarmate
het contrast kleiner is. De diversiteit is het hoogst bij een voortschrijdende randzone
(afwisseling van abiotische factoren het grootst).
Effecten van patch grootte en vorm
Het landschap werd sterk gefragmenteerd door het
gebruik van de mens. De oorspronkelijke patches werden kleiner en mee r geïsoleerd van elkaar.
Hierdoor daalt het aantal organismen en soorten. In grotere patches kunnen grotere dieren
voorkomen omwille van de grotere territoria en gezien de positieve relatie tussen lichaamsgrootte en
territoriumgrootte. Grote carnivoren hebben nog meer ruimte nodig dan herbivoren en zullen dus
nog rapper verdwijnen. Grote patches hebben meer variatie in topografie en bodemtypes waardoor
er meer verschillende plantensoorten en een grotere variatie aan
vegetatiestructuren kunnen voorkomen. Hierdoor ontstaat habitat voor meer
diersoorten.
De grootte en de vorm van de patch bepalen de hoeveelheid randzone en interne
zone. Opdat er een interne zone kan voorkomen moet de patch dieper zijn dan 2X
de randzone. Wanneer de grootte toeneemt, ver groot de interne zonen en stijgt
ook de verhouding tussen intern en randzone. Langwerpige patches hebben
kleinere interne zone dan meer isodiametrische elementen en kunnen zelfs enkel
uit randzone bestaan ongeacht hoe groot ze zijn. De diversiteit is maximaal bij een
mix van grote en kleine patches. Planten zijn niet zo gevoelig aan te grote patches