Parasitisme en mutualisme
1.Inleiding
Er zijn diverse vormen van interacti e:
Prooi -predator: co -evolueren
Symbiose: wederzijdse adaptie: sterke en langdurige associaties tussen organismen van
verschillende soorten. Bijvoorbeeld: gastheer -parasiet associaties.
Parasitisme: negatieve invloed voor 1 van de betrokkenen ( -+)
Commensalisme: als de negatieve invloed van de parasiet volledig teniet word gedaan (0+)
Mutualisme: positieve gevolgen voor beide betrokkenen (++)
2.Parasieten: terminologie
Parasitisme = symbiose waarbij het ene organisme als voedselbron fungeert ten voordele van het
andere zonder dat de eerstgenoemde sterft. Wel problemen voor de gastheer
Infectie = voorkomen van een hoge mate aan parasieten, deze kan leiden tot ziekte.
Microparasieten Macroparasieten
Klein Groot
Korte generatietijd Lang generatietijd
Snelle redproductie Trage reproductie
Vaak leidend tot ziekte Niet vaak
Infectie kortstondig Lang
Transmissie zonder intermediair organisme Met en zonder intermediair organisme
Meestal in 1 Levenscyclus wordt meestal niet voltooid in 1
3.Gastheer als tijdelijke habitat
Ectoparasieten: leven op huid/pantser endoparasieten: leven onder huid
De transmisse tussen gastheren kan direct of indirect zijn:
Direct: zonder intermediair organisme of vector: contact/abiotisch milieu
Indirect: intermediair organisme of vector: bv. ziekte van Lyme (teek); Malaria (mug)
4.Reactie op gastheer en impact van parasiet
Aanpassingen gastheer aan parasiet:
1. Vermijden: vogels die luizen verwijderen
2. Biochemisch: secretie van histamines als chemisch alarmsignaal, bloedtoevoer neemt toe en
daarmee de witte bloedcellen . Bij planten een cyste (isolatie + blootstelling aan predatie)
3. Immunologisch: productie van antilichamen door witte bloedcellen (lymfocyten)
Verdedigingsmechanismen leveren een kost, waardoor de groei en redproductie daalt
5.Balans gastheer en parasiet
Een parasiet mag niet te dodelijk zijn want dat sterft hij zelf ook, anderzijds mag de gastheer niet te veel
investeren in verdediging zodat zijn eigen groei en redproductie er niet extreem onder lijdt. Hierdoor
ontstaat er een zeker graad van wederzijdse tolerantie.
Vb.: Overpopulatie van konijnen in Australië en vrijlating van een parasiet. De mortaliteit daalde wat
wees op aanpassingen van gastheer en parasiet. 2 mechanismen waren hierbij vertrokken: immuniteit +
minder virulente viruslijn waartoe muggen mee r toegang hadden wat dodelijke varianten verving.
1.Inleiding
Er zijn diverse vormen van interacti e:
Prooi -predator: co -evolueren
Symbiose: wederzijdse adaptie: sterke en langdurige associaties tussen organismen van
verschillende soorten. Bijvoorbeeld: gastheer -parasiet associaties.
Parasitisme: negatieve invloed voor 1 van de betrokkenen ( -+)
Commensalisme: als de negatieve invloed van de parasiet volledig teniet word gedaan (0+)
Mutualisme: positieve gevolgen voor beide betrokkenen (++)
2.Parasieten: terminologie
Parasitisme = symbiose waarbij het ene organisme als voedselbron fungeert ten voordele van het
andere zonder dat de eerstgenoemde sterft. Wel problemen voor de gastheer
Infectie = voorkomen van een hoge mate aan parasieten, deze kan leiden tot ziekte.
Microparasieten Macroparasieten
Klein Groot
Korte generatietijd Lang generatietijd
Snelle redproductie Trage reproductie
Vaak leidend tot ziekte Niet vaak
Infectie kortstondig Lang
Transmissie zonder intermediair organisme Met en zonder intermediair organisme
Meestal in 1 Levenscyclus wordt meestal niet voltooid in 1
3.Gastheer als tijdelijke habitat
Ectoparasieten: leven op huid/pantser endoparasieten: leven onder huid
De transmisse tussen gastheren kan direct of indirect zijn:
Direct: zonder intermediair organisme of vector: contact/abiotisch milieu
Indirect: intermediair organisme of vector: bv. ziekte van Lyme (teek); Malaria (mug)
4.Reactie op gastheer en impact van parasiet
Aanpassingen gastheer aan parasiet:
1. Vermijden: vogels die luizen verwijderen
2. Biochemisch: secretie van histamines als chemisch alarmsignaal, bloedtoevoer neemt toe en
daarmee de witte bloedcellen . Bij planten een cyste (isolatie + blootstelling aan predatie)
3. Immunologisch: productie van antilichamen door witte bloedcellen (lymfocyten)
Verdedigingsmechanismen leveren een kost, waardoor de groei en redproductie daalt
5.Balans gastheer en parasiet
Een parasiet mag niet te dodelijk zijn want dat sterft hij zelf ook, anderzijds mag de gastheer niet te veel
investeren in verdediging zodat zijn eigen groei en redproductie er niet extreem onder lijdt. Hierdoor
ontstaat er een zeker graad van wederzijdse tolerantie.
Vb.: Overpopulatie van konijnen in Australië en vrijlating van een parasiet. De mortaliteit daalde wat
wees op aanpassingen van gastheer en parasiet. 2 mechanismen waren hierbij vertrokken: immuniteit +
minder virulente viruslijn waartoe muggen mee r toegang hadden wat dodelijke varianten verving.