Algemene heelkunde II
(shock & bloedtransfusie)
,
,Inleiding
Rol van het cardiovasculair systeem in de zuurstofcascade
Zuurstofcascade
Proces waarbij O₂:
o uit ingeademde lucht gehaald wordt
o via bloed → naar mitochondria in cellen gebracht wordt
Goede oxygenatie vereist:
o goed ademhalingsstelsel
o goed cardiovasculair systeem
Zuurstoftoevoer (oxygen delivery) afhankelijk van:
O₂-gehalte arterieel bloed
weefselperfusie
Globale weefselperfusie
Bepaald door:
1. Hartdebiet (CO = slagvolume × hartfrequentie) = hoeveelheid bloed/min naar weefsels
Slagvolume afhankelijk van: preload, contractiliteit & afterload
2. Circulatieweerstand (TPR = totale perifere weerstand)
Bepaald door: vasculaire tonus (vooral precapillaire arteriolen) & bloedviscositeit (→ hematocriet)
3. Arteriële bloeddruk
Bepaald door: hartdebiet, TPR & circulerend volume (vullingsgraad bloedvaten)
Belangrijk voor:
o openhouden bloedvaten (“patent”)
o perfusie vitale organen
o perfusie spieren (bv. bij neerliggende zware dieren)
Perfusie van individuele weefsels
Afhankelijk van: globale weefselperfusie & lokale vasculaire tonus (arteriolen)
Functie van arteriolen: bepalen verdeling bloed over weefsels
Voorbeelden:
o Sympathicus (fight & flight): ↑ bloed naar vitale organen + spieren
o Parasympathicus (rust/na maaltijd): ↑ bloed naar splanchnicus
Definitie shock
Syndroom met: ↓ weefselperfusie onder minimum voor normaal oxidatief metabolisme
Oorzaak: falen van ≥1 component cardiovasculair systeem
Gevolgen: ↓ O₂ + nutriënten → celbeschadiging → weefselschade → orgaanfalen → dood (zonder behandeling)
Classificatie shock
Moeilijk door overlap (oorzaak, pathogenese, symptomen)
Indeling op basis van pathogenese
Ischemische shock
Primair probleem: ↓ bloedtoevoer (ischemie)
Oorzaken: hypovolemisch, obstructief, cardiogeen & traumatisc
Mechanisme: ↑ vasomotorische tonus → vasoconstrictie → ↑ perifere weerstand, soms ↓ hartdebiet
(↑ afterload)
,Distributieve shock
Primair probleem: vasodilatatie
Oorzaken: anafylactisch, endotoxemisch, neurogeen & deels traumatisch
Mechanisme:↓ TPR → ↓ bloeddruk → ↓ perfusie
Belangrijk: late fase (onbehandeld): beide → veralgemeende vasodilatatie
Indeling op basis van oorzaak (meest gebruikt)
Hypovolemische shock
↓ circulerend volume (bloed/vochtverlies)
Gevolgen: ↓ arteriële druk ↓ veneuze retour ↓ preload ↓ slagvolume ↓ hartdebiet ↓ perfusie
Cardiogene shock
Door hartfalen → ↓ hartdebiet → ↓ druk → ↓ perfusie
Obstructieve shock
Obstructie circulatie (bv. embolie) → 2 mogelijkheden:
Lokaal: ↓ perfusie specifiek weefsel
Algemeen: bv. longembolie → ↓ longperfusie ↓ veneuze retour linkerhart ↓ arteriële druk + perfusie
Distributieve shock
Vasodilatatie (arterieel ± veneus) → effecten:
↓ TPR → ↓ bloeddruk
veneuze dilatatie → ↓ veneuze retour → ↓ preload → ↓ slagvolume → ↓ CO
Omvat: anafylactisch, endotoxemisch & neurogeen
Traumatische shock
Mengvorm van meerdere types
Variabel: soms eerst vasoconstrictie, soms direct vasodilatatie
Overlap:
Ischemisch: hypovolemisch, cardiogeen & obstructief
Distributief: anafylactisch, endotoxemisch & neurogeen
Traumatisch = combinatie
Belangrijk klinisch:
meerdere vormen tegelijk mogelijk
vb: darmtorsie: obstructief, hypovolemisch & endotoxemisch
Behandeling: gericht op oorzaak + optimalisatie perfusie
, 1. Soorten shock
1.1 Hypovolemische shock
Definitie: verlies bloed/plasma/vocht → ↓ circulatievolume
Ernst:
10–20% → licht
20–30% → matig–ernstig
40–50% → levensbedreigend
1.1.1 Pathogenese (3 fases)
Ischemische fase (compensatiefase)
Trigger: hypovolemie → hypotensie → activatie sympathicus
Catecholamines:
adrenaline → α, β1, β2
noradrenaline → vooral α, ook β1
Effecten:
Op hart (β1): ↑ contractiliteit (inotroop) → ↑ hartfrequentie (chronotroop) → ↑ hartdebiet
Op bloedvaten:
α → vasoconstrictie
β2 → vasodilatatie
Receptorverdeling:
huid: α > β2
nieren: α
splanchnicus: α (+ beetje β2
spieren: β2 > α
coronairen: α + β
long: α + β2
Netto effect: globale vasoconstrictie → ↑ TPR → ↑ bloeddruk
Extra mechanismen:
arterioveneuze shunts
veneuze vasoconstrictie (venulen, venen, milt) → ↑ veneuze retour → ↑ CO
Resultaat:
behoud perfusie vitale organen
↓ perfusie perifere weefsels (huid, mucosae, splanchnicus)
klinisch: bleke mucosae
Hyperdynamische fase
Oorzaak: langdurige hypoxie → celschade
→ vrijstelling vasodilatoren: histamine, kinines, prostaglandines, VIP & TNF
Resultaat = competitie: sympathicus vs lokale vasodilatatie
bij overwicht lokaal: veralgemeende vasodilatatie & ↑ vasculaire permeabiliteit
Extra: precapillaire sfincters relaxeren sneller → tijdelijk rode/gestuwde mucosae
,Stagnerende fase
Mechanisme: uitgesproken vasodilatatie
Gevolgen:
sterke bloeddrukdaling
pooling in capillairen/venulen (vooral splanchnicus)
zeer lage perifere flow
Gevolgen:
↓ O₂ + energie → snel uitgeput
cyanotische mucosae
↓ veneuze retour → ↓ slagvolume → vicieuze cirkel
Extra: ↑ permeabiliteit → verlies: water, ionen, plasma & cellen → oedeem → slechtere microcirculatie
Eind: grijze mucosae
1.1.2 Vormen hypovolemische shock
1. Bloeding
Types:
uitwendig → makkelijk zichtbaar
inwendig → moeilijker
“Functioneel bloedverlies” (stase): bloed aanwezig maar niet circulerend
Voorbeelden:
uterusprolaps/torsie
darm-/mesenteriumtorsie
miltpooling
veneuze pooling (bv. na tumorverwijdering)
Symptomen variëren:
hyperacute (bv. aortaruptuur): geen typische shock → snelle collaps + dood
trager verlies: compensatie → later shock
Compensatiemechanismen bij bloeding
Snelle mechanismen
1. Vochtshift
interstitium → intravasculair
door ↓ hydrostatische druk → hemodilutie
snelst eerste uur
sneller bij jonge dieren
2. Autonoom zenuwstelsel
↑ HF + contractiliteit
vasoconstrictie (huid + splanchnicus)
↑ veneuze retour
Gedeeltelijk herstel: slagvolume, CO & bloeddruk met behoud hersenperfusie
3. Miltcontractie: vooral paard + hond → vrijstelling RBC
4. Ademhaling: hypoxie + metabole acidose → chemoreceptoren → hyperventilatie:
↑ O₂ opname
↓ CO₂ → respiratoire alkalose → compensatie metabole acidose
,Extra: negatieve thoraxdruk → ↑ veneuze retour
Overmatig: inefficiënt, want ↑ energieverbruik ademhalingsspieren
5. ↑ O₂-extractie
Procentuele O₂-extractie uit het bloed stijgt
Het zuurstofverbruik van de weefsels blijft gelijk, terwijl het O₂-aanbod daalt
Oorzaken van dat verminderde O₂-aanbod: daling van de hematocriet, hartdebiet & bloeddruk
Gevolg:
o weefsels halen procentueel meer O₂ uit het bloed
o het arterioveneuze O₂-verschil neemt toe
Deze verhoogde O₂-opname door de weefsels wordt extra bevorderd door veranderingen in de
erytrocyten
Voor het myocard werkt dit compensatiemechanisme nauwelijks
o In normale omstandigheden is het arterioveneuze O₂-verschil in het myocard al zeer groot
o Dat komt doordat het myocard normaal al bijna maximaal O₂ extraheert
o Het myocard kan zijn O₂-extractie dus praktisch niet nog verder verhogen
Gevolg voor het myocard
o het myocard krijgt sneller zuurstoftekort
o dit kan leiden tot: verminderde contractiliteit & aritmieën
Tragere mechanismen
Beperking van het waterverlies uit de circulatie en herstel van het intravasculair volume
↓ speeksel + GI secreties
↓ urine (renale vasoconstrictie + reabsorptie)
↑ dorst → ↑ opname water
Timing herstel:
licht/matig: 6–24u
ernstig: 24–48u
1. Herstel van plasmaproteïnen, vooral albumine
Verminderde afbraak van albumine
Toegenomen synthese van albumine
o sterke toename van de albuminesynthese door hepatocyten
o oorzaak: daling van de oncotische druk in het leverinterstitium
o synthese kan soms verdubbelen
o hepatocellulaire dysfunctie: ongunstig voor albuminesynthese
Timing herstel albumine
o herstel van albuminegehalte begint al enkele uren na de bloeding
o volledig herstel kan langer dan 1 week duren
2. Herstel van bloedcellen, vooral erytrocyten
bij uitgesproken bloedverlies: nieren scheiden erythropoëtine (EPO) af
EPO:
o stimuleert erythropoëse
o zorgt er ook voor dat veel jonge erytrocyten niet vernietigd worden, terwijl dat normaal wel gebeurt
Reticulocyten
na 4 dg: bij de meeste diersoorten veel nieuwgevormde, onrijpe erytrocyten (reticulocyten) in circulatie
uitzondering: paard
,3. Herstel hematocriet
snelheid van herstel hangt af van: diersoort & ernst van bloedverlies
voorbeeld: paard herstelt trager dan hond
volledig herstel: 3 weken tot 3 maanden
1.1.2.2 Verlies van vocht en/of eiwit uit de circulatie
Oorzaken
Hypovolemische shock kan ook ontstaan door verlies van vocht en/of eiwit uit de circulatie.
Puur vochtverlies
Vooral via: faeces (diarree), urine, braken, reflux & erg zweten
Vochtverlies mét eiwitverlies
hierbij gaat ook de colloïd-osmotische / oncotische druk verloren
gevolg: nog meer vochtverlies
Situaties waarbij dit voorkomt
ischemie van de darm: torsie & erge liggingsveranderingen
veel vocht en albumine gaan dan uit de circulatie naar het darmlumen
ook bij: acute exsudatieve ontstekingsprocessen & grote brandwonden
ook daar gaan veel vocht en eiwitten verloren
Gevolgen
net zoals bij bloedverlies ontstaat hypovolemie
er gaan echter geen erytrocyten verloren
dus: bloed behoudt op zich zijn O₂-transportcapaciteit
Maar:
hematocriet stijgt
gevolg:
o ↑ bloedviscositeit
o PCV > 0,55 → exponentiële toename van viscositeit
ook:
o ↑ stolbaarheid van bloed
o aggregaten van thrombocyten en vet
o zelfs sludging van erytrocyten
Effect op circulatie
verhoogde viscositeit bemoeilijkt bloedvloei door capillairen
samen met vasoconstrictie van:
o arteriën
o kleine arteriolen
o sfincters
leidt dit tot:
o duidelijke stijging van TPR
o hogere afterload voor het hart
Eindgevolg: al deze factoren brengen de weefselperfusie in het gedrang
, 1.2 Cardiogene shock
Definitie / oorzaken
Cardiogene shock komt voor bij patiënten met hartinsufficiëntie, vooral bij kleine huisdieren.
Voorbeelden
vergevorderde cardiomyopathie
klepinsufficiëntie
ernstige aangeboren afwijkingen
ernstige aritmieën
Mechanisme: ondanks voldoende circulerend volume: hart kan hartdebiet, bloeddruk en weefselperfusie
niet op peil houden
Gevolg
↓ O₂-transport naar de weefsels
ook myocard wordt getroffen
o myocard heeft zeer hoge O₂-behoefte
o arterioveneus O₂-verschil: 11,5 ml/100 ml
hierdoor ontstaat snel een vicieuze cirkel
Compensatie
Gelijkaardige compensatiemechanismen als bij hypovolemische shock:
sympathicusactivatie
o positief inotroop effect
o positief chronotroop effect
perifere vasoconstrictie
verminderde urineproductie
enz.
Probleem
door onderliggend hartprobleem leidt: stimulatie van het hart
tot: grotere belasting van het hart & nog minder efficiënte hartwerking
Prognose
zonder behandeling kan cardiogene shock snel fataal worden
prognose meestal erg sterk gereserveerd
1.3 Obstructieve shock
Definitie: obstructie van: het hart of één of meerdere grote bloedvaten
Pathogenese: vaak erg gelijkaardig aan cardiogene shock
Typisch voorbeeld: longembolie
Oorzaken van embolie: lucht, thrombus of vet
bv. bij reduceren van heupluxatie of fractuur
Gevolgen bij longembolie
groot deel van of volledige a. pulmonalis of één van haar takken kan betrokken zijn
hierdoor komen in het gedrang:
o output van rechterventrikel
o perfusie van de long
o veneuze retour naar linkerharthelft
, Harttamponade
shock t.g.v. vocht in het pericard wordt vaak als obstructieve shock gezien
sommige auteurs klasseren dit onder cardiogene shock
1.4 Distributieve shock
Algemene definitie
geen tekort aan circulerend volume
probleem zit in de verdeling van het bloed
Normaal
diameter van arteries en arterioles wordt nauwkeurig geregeld
zo krijgen juiste weefsels op juiste moment meer of minder bloed
Bij distributieve shock
dit systeem raakt ontregeld
meestal: veralgemeende vasodilatatie
vaak door: massale vrijstelling van ontstekingsmediatoren
Gevolgen
circulatoire problemen: onvoldoende bloed voor alle weefsels tegelijk
ontstekingsmediatoren kunnen ook: directe celschade veroorzaken
Andere naam: distributieve shock = vasodilatorische shock
Verschil met ischemische shock
distributieve shock: initieel vasodilatatie
ischemische shock: initieel vooral vasoconstrictie
Pathogenese van distributieve shock
er is geen ischemische fase, meteen een hyperdynamische cardiovasculaire toestand
Vroege fase
door vasodilatatie: ↓ TPR & ↓ arteriële druk
Compensatie door sympathicus
probeert dit te compenseren
vasoconstrictie-effect is beperkt door bestaande vasodilatatie
maar: HF stijgt & contractiliteit stijgt
Klinisch gevolg hyperdynamische fase
combinatie van: ↑ hartdebiet & perifere vasodilatatie
geeft: (baksteen)rode mucosa, ↑ nierdoorbloeding, polyurie
Evolutie
hyperdynamische fase duurt meestal langer dan bij hypovolemische shock
maar: veralgemeende vasodilatatie → ↓ veneuze retour → ↓ preload → ↓ hartdebiet → verdere ↓
bloeddruk
Late fase
geleidelijk depressie van cardiopulmonaal systeem
leidt tot: hypoperfusie van weefsels & uiteindelijk stagnerende fase van shock
mucosae: eerst blauw/paars, later grijsachtig
(shock & bloedtransfusie)
,
,Inleiding
Rol van het cardiovasculair systeem in de zuurstofcascade
Zuurstofcascade
Proces waarbij O₂:
o uit ingeademde lucht gehaald wordt
o via bloed → naar mitochondria in cellen gebracht wordt
Goede oxygenatie vereist:
o goed ademhalingsstelsel
o goed cardiovasculair systeem
Zuurstoftoevoer (oxygen delivery) afhankelijk van:
O₂-gehalte arterieel bloed
weefselperfusie
Globale weefselperfusie
Bepaald door:
1. Hartdebiet (CO = slagvolume × hartfrequentie) = hoeveelheid bloed/min naar weefsels
Slagvolume afhankelijk van: preload, contractiliteit & afterload
2. Circulatieweerstand (TPR = totale perifere weerstand)
Bepaald door: vasculaire tonus (vooral precapillaire arteriolen) & bloedviscositeit (→ hematocriet)
3. Arteriële bloeddruk
Bepaald door: hartdebiet, TPR & circulerend volume (vullingsgraad bloedvaten)
Belangrijk voor:
o openhouden bloedvaten (“patent”)
o perfusie vitale organen
o perfusie spieren (bv. bij neerliggende zware dieren)
Perfusie van individuele weefsels
Afhankelijk van: globale weefselperfusie & lokale vasculaire tonus (arteriolen)
Functie van arteriolen: bepalen verdeling bloed over weefsels
Voorbeelden:
o Sympathicus (fight & flight): ↑ bloed naar vitale organen + spieren
o Parasympathicus (rust/na maaltijd): ↑ bloed naar splanchnicus
Definitie shock
Syndroom met: ↓ weefselperfusie onder minimum voor normaal oxidatief metabolisme
Oorzaak: falen van ≥1 component cardiovasculair systeem
Gevolgen: ↓ O₂ + nutriënten → celbeschadiging → weefselschade → orgaanfalen → dood (zonder behandeling)
Classificatie shock
Moeilijk door overlap (oorzaak, pathogenese, symptomen)
Indeling op basis van pathogenese
Ischemische shock
Primair probleem: ↓ bloedtoevoer (ischemie)
Oorzaken: hypovolemisch, obstructief, cardiogeen & traumatisc
Mechanisme: ↑ vasomotorische tonus → vasoconstrictie → ↑ perifere weerstand, soms ↓ hartdebiet
(↑ afterload)
,Distributieve shock
Primair probleem: vasodilatatie
Oorzaken: anafylactisch, endotoxemisch, neurogeen & deels traumatisch
Mechanisme:↓ TPR → ↓ bloeddruk → ↓ perfusie
Belangrijk: late fase (onbehandeld): beide → veralgemeende vasodilatatie
Indeling op basis van oorzaak (meest gebruikt)
Hypovolemische shock
↓ circulerend volume (bloed/vochtverlies)
Gevolgen: ↓ arteriële druk ↓ veneuze retour ↓ preload ↓ slagvolume ↓ hartdebiet ↓ perfusie
Cardiogene shock
Door hartfalen → ↓ hartdebiet → ↓ druk → ↓ perfusie
Obstructieve shock
Obstructie circulatie (bv. embolie) → 2 mogelijkheden:
Lokaal: ↓ perfusie specifiek weefsel
Algemeen: bv. longembolie → ↓ longperfusie ↓ veneuze retour linkerhart ↓ arteriële druk + perfusie
Distributieve shock
Vasodilatatie (arterieel ± veneus) → effecten:
↓ TPR → ↓ bloeddruk
veneuze dilatatie → ↓ veneuze retour → ↓ preload → ↓ slagvolume → ↓ CO
Omvat: anafylactisch, endotoxemisch & neurogeen
Traumatische shock
Mengvorm van meerdere types
Variabel: soms eerst vasoconstrictie, soms direct vasodilatatie
Overlap:
Ischemisch: hypovolemisch, cardiogeen & obstructief
Distributief: anafylactisch, endotoxemisch & neurogeen
Traumatisch = combinatie
Belangrijk klinisch:
meerdere vormen tegelijk mogelijk
vb: darmtorsie: obstructief, hypovolemisch & endotoxemisch
Behandeling: gericht op oorzaak + optimalisatie perfusie
, 1. Soorten shock
1.1 Hypovolemische shock
Definitie: verlies bloed/plasma/vocht → ↓ circulatievolume
Ernst:
10–20% → licht
20–30% → matig–ernstig
40–50% → levensbedreigend
1.1.1 Pathogenese (3 fases)
Ischemische fase (compensatiefase)
Trigger: hypovolemie → hypotensie → activatie sympathicus
Catecholamines:
adrenaline → α, β1, β2
noradrenaline → vooral α, ook β1
Effecten:
Op hart (β1): ↑ contractiliteit (inotroop) → ↑ hartfrequentie (chronotroop) → ↑ hartdebiet
Op bloedvaten:
α → vasoconstrictie
β2 → vasodilatatie
Receptorverdeling:
huid: α > β2
nieren: α
splanchnicus: α (+ beetje β2
spieren: β2 > α
coronairen: α + β
long: α + β2
Netto effect: globale vasoconstrictie → ↑ TPR → ↑ bloeddruk
Extra mechanismen:
arterioveneuze shunts
veneuze vasoconstrictie (venulen, venen, milt) → ↑ veneuze retour → ↑ CO
Resultaat:
behoud perfusie vitale organen
↓ perfusie perifere weefsels (huid, mucosae, splanchnicus)
klinisch: bleke mucosae
Hyperdynamische fase
Oorzaak: langdurige hypoxie → celschade
→ vrijstelling vasodilatoren: histamine, kinines, prostaglandines, VIP & TNF
Resultaat = competitie: sympathicus vs lokale vasodilatatie
bij overwicht lokaal: veralgemeende vasodilatatie & ↑ vasculaire permeabiliteit
Extra: precapillaire sfincters relaxeren sneller → tijdelijk rode/gestuwde mucosae
,Stagnerende fase
Mechanisme: uitgesproken vasodilatatie
Gevolgen:
sterke bloeddrukdaling
pooling in capillairen/venulen (vooral splanchnicus)
zeer lage perifere flow
Gevolgen:
↓ O₂ + energie → snel uitgeput
cyanotische mucosae
↓ veneuze retour → ↓ slagvolume → vicieuze cirkel
Extra: ↑ permeabiliteit → verlies: water, ionen, plasma & cellen → oedeem → slechtere microcirculatie
Eind: grijze mucosae
1.1.2 Vormen hypovolemische shock
1. Bloeding
Types:
uitwendig → makkelijk zichtbaar
inwendig → moeilijker
“Functioneel bloedverlies” (stase): bloed aanwezig maar niet circulerend
Voorbeelden:
uterusprolaps/torsie
darm-/mesenteriumtorsie
miltpooling
veneuze pooling (bv. na tumorverwijdering)
Symptomen variëren:
hyperacute (bv. aortaruptuur): geen typische shock → snelle collaps + dood
trager verlies: compensatie → later shock
Compensatiemechanismen bij bloeding
Snelle mechanismen
1. Vochtshift
interstitium → intravasculair
door ↓ hydrostatische druk → hemodilutie
snelst eerste uur
sneller bij jonge dieren
2. Autonoom zenuwstelsel
↑ HF + contractiliteit
vasoconstrictie (huid + splanchnicus)
↑ veneuze retour
Gedeeltelijk herstel: slagvolume, CO & bloeddruk met behoud hersenperfusie
3. Miltcontractie: vooral paard + hond → vrijstelling RBC
4. Ademhaling: hypoxie + metabole acidose → chemoreceptoren → hyperventilatie:
↑ O₂ opname
↓ CO₂ → respiratoire alkalose → compensatie metabole acidose
,Extra: negatieve thoraxdruk → ↑ veneuze retour
Overmatig: inefficiënt, want ↑ energieverbruik ademhalingsspieren
5. ↑ O₂-extractie
Procentuele O₂-extractie uit het bloed stijgt
Het zuurstofverbruik van de weefsels blijft gelijk, terwijl het O₂-aanbod daalt
Oorzaken van dat verminderde O₂-aanbod: daling van de hematocriet, hartdebiet & bloeddruk
Gevolg:
o weefsels halen procentueel meer O₂ uit het bloed
o het arterioveneuze O₂-verschil neemt toe
Deze verhoogde O₂-opname door de weefsels wordt extra bevorderd door veranderingen in de
erytrocyten
Voor het myocard werkt dit compensatiemechanisme nauwelijks
o In normale omstandigheden is het arterioveneuze O₂-verschil in het myocard al zeer groot
o Dat komt doordat het myocard normaal al bijna maximaal O₂ extraheert
o Het myocard kan zijn O₂-extractie dus praktisch niet nog verder verhogen
Gevolg voor het myocard
o het myocard krijgt sneller zuurstoftekort
o dit kan leiden tot: verminderde contractiliteit & aritmieën
Tragere mechanismen
Beperking van het waterverlies uit de circulatie en herstel van het intravasculair volume
↓ speeksel + GI secreties
↓ urine (renale vasoconstrictie + reabsorptie)
↑ dorst → ↑ opname water
Timing herstel:
licht/matig: 6–24u
ernstig: 24–48u
1. Herstel van plasmaproteïnen, vooral albumine
Verminderde afbraak van albumine
Toegenomen synthese van albumine
o sterke toename van de albuminesynthese door hepatocyten
o oorzaak: daling van de oncotische druk in het leverinterstitium
o synthese kan soms verdubbelen
o hepatocellulaire dysfunctie: ongunstig voor albuminesynthese
Timing herstel albumine
o herstel van albuminegehalte begint al enkele uren na de bloeding
o volledig herstel kan langer dan 1 week duren
2. Herstel van bloedcellen, vooral erytrocyten
bij uitgesproken bloedverlies: nieren scheiden erythropoëtine (EPO) af
EPO:
o stimuleert erythropoëse
o zorgt er ook voor dat veel jonge erytrocyten niet vernietigd worden, terwijl dat normaal wel gebeurt
Reticulocyten
na 4 dg: bij de meeste diersoorten veel nieuwgevormde, onrijpe erytrocyten (reticulocyten) in circulatie
uitzondering: paard
,3. Herstel hematocriet
snelheid van herstel hangt af van: diersoort & ernst van bloedverlies
voorbeeld: paard herstelt trager dan hond
volledig herstel: 3 weken tot 3 maanden
1.1.2.2 Verlies van vocht en/of eiwit uit de circulatie
Oorzaken
Hypovolemische shock kan ook ontstaan door verlies van vocht en/of eiwit uit de circulatie.
Puur vochtverlies
Vooral via: faeces (diarree), urine, braken, reflux & erg zweten
Vochtverlies mét eiwitverlies
hierbij gaat ook de colloïd-osmotische / oncotische druk verloren
gevolg: nog meer vochtverlies
Situaties waarbij dit voorkomt
ischemie van de darm: torsie & erge liggingsveranderingen
veel vocht en albumine gaan dan uit de circulatie naar het darmlumen
ook bij: acute exsudatieve ontstekingsprocessen & grote brandwonden
ook daar gaan veel vocht en eiwitten verloren
Gevolgen
net zoals bij bloedverlies ontstaat hypovolemie
er gaan echter geen erytrocyten verloren
dus: bloed behoudt op zich zijn O₂-transportcapaciteit
Maar:
hematocriet stijgt
gevolg:
o ↑ bloedviscositeit
o PCV > 0,55 → exponentiële toename van viscositeit
ook:
o ↑ stolbaarheid van bloed
o aggregaten van thrombocyten en vet
o zelfs sludging van erytrocyten
Effect op circulatie
verhoogde viscositeit bemoeilijkt bloedvloei door capillairen
samen met vasoconstrictie van:
o arteriën
o kleine arteriolen
o sfincters
leidt dit tot:
o duidelijke stijging van TPR
o hogere afterload voor het hart
Eindgevolg: al deze factoren brengen de weefselperfusie in het gedrang
, 1.2 Cardiogene shock
Definitie / oorzaken
Cardiogene shock komt voor bij patiënten met hartinsufficiëntie, vooral bij kleine huisdieren.
Voorbeelden
vergevorderde cardiomyopathie
klepinsufficiëntie
ernstige aangeboren afwijkingen
ernstige aritmieën
Mechanisme: ondanks voldoende circulerend volume: hart kan hartdebiet, bloeddruk en weefselperfusie
niet op peil houden
Gevolg
↓ O₂-transport naar de weefsels
ook myocard wordt getroffen
o myocard heeft zeer hoge O₂-behoefte
o arterioveneus O₂-verschil: 11,5 ml/100 ml
hierdoor ontstaat snel een vicieuze cirkel
Compensatie
Gelijkaardige compensatiemechanismen als bij hypovolemische shock:
sympathicusactivatie
o positief inotroop effect
o positief chronotroop effect
perifere vasoconstrictie
verminderde urineproductie
enz.
Probleem
door onderliggend hartprobleem leidt: stimulatie van het hart
tot: grotere belasting van het hart & nog minder efficiënte hartwerking
Prognose
zonder behandeling kan cardiogene shock snel fataal worden
prognose meestal erg sterk gereserveerd
1.3 Obstructieve shock
Definitie: obstructie van: het hart of één of meerdere grote bloedvaten
Pathogenese: vaak erg gelijkaardig aan cardiogene shock
Typisch voorbeeld: longembolie
Oorzaken van embolie: lucht, thrombus of vet
bv. bij reduceren van heupluxatie of fractuur
Gevolgen bij longembolie
groot deel van of volledige a. pulmonalis of één van haar takken kan betrokken zijn
hierdoor komen in het gedrang:
o output van rechterventrikel
o perfusie van de long
o veneuze retour naar linkerharthelft
, Harttamponade
shock t.g.v. vocht in het pericard wordt vaak als obstructieve shock gezien
sommige auteurs klasseren dit onder cardiogene shock
1.4 Distributieve shock
Algemene definitie
geen tekort aan circulerend volume
probleem zit in de verdeling van het bloed
Normaal
diameter van arteries en arterioles wordt nauwkeurig geregeld
zo krijgen juiste weefsels op juiste moment meer of minder bloed
Bij distributieve shock
dit systeem raakt ontregeld
meestal: veralgemeende vasodilatatie
vaak door: massale vrijstelling van ontstekingsmediatoren
Gevolgen
circulatoire problemen: onvoldoende bloed voor alle weefsels tegelijk
ontstekingsmediatoren kunnen ook: directe celschade veroorzaken
Andere naam: distributieve shock = vasodilatorische shock
Verschil met ischemische shock
distributieve shock: initieel vasodilatatie
ischemische shock: initieel vooral vasoconstrictie
Pathogenese van distributieve shock
er is geen ischemische fase, meteen een hyperdynamische cardiovasculaire toestand
Vroege fase
door vasodilatatie: ↓ TPR & ↓ arteriële druk
Compensatie door sympathicus
probeert dit te compenseren
vasoconstrictie-effect is beperkt door bestaande vasodilatatie
maar: HF stijgt & contractiliteit stijgt
Klinisch gevolg hyperdynamische fase
combinatie van: ↑ hartdebiet & perifere vasodilatatie
geeft: (baksteen)rode mucosa, ↑ nierdoorbloeding, polyurie
Evolutie
hyperdynamische fase duurt meestal langer dan bij hypovolemische shock
maar: veralgemeende vasodilatatie → ↓ veneuze retour → ↓ preload → ↓ hartdebiet → verdere ↓
bloeddruk
Late fase
geleidelijk depressie van cardiopulmonaal systeem
leidt tot: hypoperfusie van weefsels & uiteindelijk stagnerende fase van shock
mucosae: eerst blauw/paars, later grijsachtig