Behoeften taalontwikkeling
Taal in de brede basiszorg
1. Leerpad: mondelinge taal
Bekijk: Kennisclip ‘Taalontwikkeling’
Taalontwikkeling in de brede basiszorg
● Taal is overal
○ Taalvakken
○ Niet-taalvakken (WO, muzische vorming, rekenen)
● Belangrijk normale taalontwikkeling te kennen en begrijpen
● Taalbeleid (op school of in de eigen klas, eigen taalaanbod aanpassen en
verruimen)
Taalontwikkeling is multidimensionaal
Geboorte tem 12j
Sommige componenten lopen nog langer door
→ in secundair leer je nog veel woorden bij, ook als volwassene
Taalontwikkeling
TAALVERMOGEN
● Genetisch (kind intern)
● Individueel verschil
● Taaluniverseel (niet gebonden aan 1 taal
TAALAANBOD
● Wat het kind hoort
● Bepaald door omgeving
● Taalspecifiek (groei je op in Nederlandse omgeving, leer je dus
nederlands)
Wisselwerking tussen taalontwikkeling en aanbod
Kind dat veel wat en waarom vragen, krijgt veel antwoord dus versterkt hun
taalontwikkeling
Kinderen met zwakke taalontwikkeling, vragen minder taalaanbod, waardoor ze minder
taalaanbod krijgen
Componenten taalontwikkeling
Klankleer=
fonologie:
, en zelf
Taalvor Zinsbouw=
produceren
Taalbegrip= m syntaxis:
daarna
woorden, zinnen
lettergrepen
zinnen en maken en
en woorden
Woordvorming=
gesprekken woorden in
morfologie:
juiste
die het kind
Verbuigingen,
volgorde
begrijpt
meervouden,
zetten
Taalproducti
adjectieven,
e= woorden,
Taalinho Woordenschat=
verkleinwoorden
zinnen,
ud: semantiek
en vervoegingen
verhalen en
betekeni Passief: begrijpen
van werkwoorden
gesprekken
s van van woorden
die het kind Communicatie =
woorde Actief:
zelf pragmatiek:
n woordproductie
produceert manier waarop
woordenschat
iemand taal
Taalgebr gebruikt in
uik verschillende
Metalin situaties,
guïstiek aanpassen aan
=kind gesprekspartner,
gaat context en situatie
nadenke
n over
taal
Fasen in de taalontwikkeling
Voortalige fase 0-1j Vroegtalige fase 1-2,5j Differentiatiefase 2,5-5 Voltooiingsfase 5-10j LAGERE
KLEUTERSCHOOL SCHOOL
• Veel luisteren, • Al een goed begrip • Sprong in • Uitspraak van alle klanken
enkele klanken taalontwikkeling door en hun combinaties
onderscheiden • Eerste woordjes naar school te gaan:
• Geluidjes produceren; van
veel nieuwe
• Onregelmatige vormen
produceren en één- naar grotendeels vlot (≠ foutloos)
woordenschat
brabbelen tweewoordzinnen tegen het einde van de
• Geluiden hebben • Communicatieve • Nieuwe woordsoorten lagere school
nog geen intentie • Zinnen worden almaar • Verdere uitbreiding van
communicatieve • Telegramstijl complexer, woordenschat (passief +8
functie grammaticale regels per dag, actief +3 per dag)
, (beknopt, weinig worden toegepast • Correcte zinsconstructies
tot geen (syntaxis, morfologie)
grammatica) • Pragmatiek
• Spreken buiten hier en
• Taal over hier en nu nu • Leren schriftelijk
communiceren
• Metalinguïstisch
bewustzijn
Taalverwerving door taalaanbod
Link met omgeving die taal aanbiedt
● Taal om te sturen, verbieden, bevelen ↔ taal om te verduidelijken, ontdekken,
verklaren
● Lagere sociale milieus ↔ hogere sociale milieus (op 5-jarige leeftijd x7 minder
taalaanbod dan hogere sociale niveaus)
● Meertalige opvoeding ↔ eentalige opvoeding (niet nadelig, maar relatief minder
taalaanbod per taal)
○ minder taalaanbod: taalontwikkeling verloopt trager
○ Voldoende achtergrond: haal je dit in
Kinderen met voldoende aangeboren taalvermogen halen achterstand meestal in zodra
ze naar school gaan
7 principes taalkrachtig onderwijs
Meertaligheid
Meertalige opvoeding → niet nadelig, maar relatief minder taalaanbod per taal
Simultane taalverwerving ↔ successieve taalverwerving (blootstellingsachterstand
Meertalige opvoeding, zorgt niet altijd voor problemen,
Simultane: Wordt kind Tweetalig opgevoed, beide talen van bij geboorte aanwezig n
taalaanbod, ouders elk een andere taal met kind spreken (mama frans papa nederlands)
In marokkaans gezin beide ouders spreken frans als arabisch
, → in elke taal dezelfde ontwikkelingsfase
→ ze hebben snel door welke persoon ze in welke taal moeten aanspreken
Successieve: komt pas een tweede taal in het aanbod als de eerste taal (moedertaal) taal
gedeeltelijk is verworven
bij de tweede taal slagen ze de eerste twee fasen over, omdat ze dit al doorlopen hebben
bij de andere taal
→ geef de kinderen tijd en geef een rijk taalaanbod
→ lastig in het begin
Ijsbergen:
● Afzonderlijke ijsbergen zijn zichtbare en hoorbare aspecten van de talen die je
leert
● hoogte van toppen hangt af van talenkennis, niet elke taal verwerf je even grondig
● Contexten waarin je talen nodig hebt hoe diepgaand je ze leren
● taalkennis afh van hoe vaak je de taal gebruikt
● Onder ijsberg: niet talige kennisbasis, alle aspecten waarop je voor alle talen
beroep op doet
○ Abstract denken
○ Kennis van de wereld
● Inzichten in de ene taal helpen een andere taal te begrijpen
● Sterk ontwikkelende thuistaal zorgt voor een betere ontwikkelende nederlands
Bijlage: mijlpalen in de spraak- en taalontwikkeling
1j – 1j6m - Begrijpt opdrachtjes met twee woorden.
- Kan een of meer lichaamsdelen aanwijzen.
- Veel en gevarieerd brabbelen.
- Af en toe een herkenbaar woord (eenwoordzin).
1j6m – 2j - Zegt minimum 5-10 woordjes
2j – 3j - Vormt tweewoordzinnen (bijvoorbeeld: mama koek).
- Begrijpt zinnen met drie woorden.
- Woordvorming nog onvolledig.
- Woordenschat neemt explosief toe; de ik- en jij-vorm worden gebruikt.
3j – 4j - Spreekt in zinnen van 3 tot 5 woorden.
- Gebruikt op het einde van deze fase ongeveer 800 woorden en begrijpt ongeveer
1200 woorden.
- De opbouw van de zinnen wijkt nog af van die van volwassenen.
- Vertelt spontaan over wat hij meemaakte.
- Stelt vragen: wie, wat en waar.
- Herhaalt vaak woorden.
- Er zijn nog veel uitspraakfouten, voornamelijk in medeklinkerverbindingen.
- Sommige articulatiefouten zijn nog niet alarmerend bijvoorbeeld clusterreductie,
bijvoorbeeld ‘kaart’ wordt ‘kaat’.
- Er worden ook lidwoorden gebruikt en meer voorzetsels (nog niet altijd correct).
- Werkwoorden in de verleden tijd worden nog vaak fout vervoegd.
- 50% tot 75% van wat het kind zegt is verstaanbaar voor anderen.
4j – 5j - Maakt enkelvoudige zinnen.
- Stelt vragen: wie, wat, waar, welke, wanneer, waarom, hoe, hoeveel.
Taal in de brede basiszorg
1. Leerpad: mondelinge taal
Bekijk: Kennisclip ‘Taalontwikkeling’
Taalontwikkeling in de brede basiszorg
● Taal is overal
○ Taalvakken
○ Niet-taalvakken (WO, muzische vorming, rekenen)
● Belangrijk normale taalontwikkeling te kennen en begrijpen
● Taalbeleid (op school of in de eigen klas, eigen taalaanbod aanpassen en
verruimen)
Taalontwikkeling is multidimensionaal
Geboorte tem 12j
Sommige componenten lopen nog langer door
→ in secundair leer je nog veel woorden bij, ook als volwassene
Taalontwikkeling
TAALVERMOGEN
● Genetisch (kind intern)
● Individueel verschil
● Taaluniverseel (niet gebonden aan 1 taal
TAALAANBOD
● Wat het kind hoort
● Bepaald door omgeving
● Taalspecifiek (groei je op in Nederlandse omgeving, leer je dus
nederlands)
Wisselwerking tussen taalontwikkeling en aanbod
Kind dat veel wat en waarom vragen, krijgt veel antwoord dus versterkt hun
taalontwikkeling
Kinderen met zwakke taalontwikkeling, vragen minder taalaanbod, waardoor ze minder
taalaanbod krijgen
Componenten taalontwikkeling
Klankleer=
fonologie:
, en zelf
Taalvor Zinsbouw=
produceren
Taalbegrip= m syntaxis:
daarna
woorden, zinnen
lettergrepen
zinnen en maken en
en woorden
Woordvorming=
gesprekken woorden in
morfologie:
juiste
die het kind
Verbuigingen,
volgorde
begrijpt
meervouden,
zetten
Taalproducti
adjectieven,
e= woorden,
Taalinho Woordenschat=
verkleinwoorden
zinnen,
ud: semantiek
en vervoegingen
verhalen en
betekeni Passief: begrijpen
van werkwoorden
gesprekken
s van van woorden
die het kind Communicatie =
woorde Actief:
zelf pragmatiek:
n woordproductie
produceert manier waarop
woordenschat
iemand taal
Taalgebr gebruikt in
uik verschillende
Metalin situaties,
guïstiek aanpassen aan
=kind gesprekspartner,
gaat context en situatie
nadenke
n over
taal
Fasen in de taalontwikkeling
Voortalige fase 0-1j Vroegtalige fase 1-2,5j Differentiatiefase 2,5-5 Voltooiingsfase 5-10j LAGERE
KLEUTERSCHOOL SCHOOL
• Veel luisteren, • Al een goed begrip • Sprong in • Uitspraak van alle klanken
enkele klanken taalontwikkeling door en hun combinaties
onderscheiden • Eerste woordjes naar school te gaan:
• Geluidjes produceren; van
veel nieuwe
• Onregelmatige vormen
produceren en één- naar grotendeels vlot (≠ foutloos)
woordenschat
brabbelen tweewoordzinnen tegen het einde van de
• Geluiden hebben • Communicatieve • Nieuwe woordsoorten lagere school
nog geen intentie • Zinnen worden almaar • Verdere uitbreiding van
communicatieve • Telegramstijl complexer, woordenschat (passief +8
functie grammaticale regels per dag, actief +3 per dag)
, (beknopt, weinig worden toegepast • Correcte zinsconstructies
tot geen (syntaxis, morfologie)
grammatica) • Pragmatiek
• Spreken buiten hier en
• Taal over hier en nu nu • Leren schriftelijk
communiceren
• Metalinguïstisch
bewustzijn
Taalverwerving door taalaanbod
Link met omgeving die taal aanbiedt
● Taal om te sturen, verbieden, bevelen ↔ taal om te verduidelijken, ontdekken,
verklaren
● Lagere sociale milieus ↔ hogere sociale milieus (op 5-jarige leeftijd x7 minder
taalaanbod dan hogere sociale niveaus)
● Meertalige opvoeding ↔ eentalige opvoeding (niet nadelig, maar relatief minder
taalaanbod per taal)
○ minder taalaanbod: taalontwikkeling verloopt trager
○ Voldoende achtergrond: haal je dit in
Kinderen met voldoende aangeboren taalvermogen halen achterstand meestal in zodra
ze naar school gaan
7 principes taalkrachtig onderwijs
Meertaligheid
Meertalige opvoeding → niet nadelig, maar relatief minder taalaanbod per taal
Simultane taalverwerving ↔ successieve taalverwerving (blootstellingsachterstand
Meertalige opvoeding, zorgt niet altijd voor problemen,
Simultane: Wordt kind Tweetalig opgevoed, beide talen van bij geboorte aanwezig n
taalaanbod, ouders elk een andere taal met kind spreken (mama frans papa nederlands)
In marokkaans gezin beide ouders spreken frans als arabisch
, → in elke taal dezelfde ontwikkelingsfase
→ ze hebben snel door welke persoon ze in welke taal moeten aanspreken
Successieve: komt pas een tweede taal in het aanbod als de eerste taal (moedertaal) taal
gedeeltelijk is verworven
bij de tweede taal slagen ze de eerste twee fasen over, omdat ze dit al doorlopen hebben
bij de andere taal
→ geef de kinderen tijd en geef een rijk taalaanbod
→ lastig in het begin
Ijsbergen:
● Afzonderlijke ijsbergen zijn zichtbare en hoorbare aspecten van de talen die je
leert
● hoogte van toppen hangt af van talenkennis, niet elke taal verwerf je even grondig
● Contexten waarin je talen nodig hebt hoe diepgaand je ze leren
● taalkennis afh van hoe vaak je de taal gebruikt
● Onder ijsberg: niet talige kennisbasis, alle aspecten waarop je voor alle talen
beroep op doet
○ Abstract denken
○ Kennis van de wereld
● Inzichten in de ene taal helpen een andere taal te begrijpen
● Sterk ontwikkelende thuistaal zorgt voor een betere ontwikkelende nederlands
Bijlage: mijlpalen in de spraak- en taalontwikkeling
1j – 1j6m - Begrijpt opdrachtjes met twee woorden.
- Kan een of meer lichaamsdelen aanwijzen.
- Veel en gevarieerd brabbelen.
- Af en toe een herkenbaar woord (eenwoordzin).
1j6m – 2j - Zegt minimum 5-10 woordjes
2j – 3j - Vormt tweewoordzinnen (bijvoorbeeld: mama koek).
- Begrijpt zinnen met drie woorden.
- Woordvorming nog onvolledig.
- Woordenschat neemt explosief toe; de ik- en jij-vorm worden gebruikt.
3j – 4j - Spreekt in zinnen van 3 tot 5 woorden.
- Gebruikt op het einde van deze fase ongeveer 800 woorden en begrijpt ongeveer
1200 woorden.
- De opbouw van de zinnen wijkt nog af van die van volwassenen.
- Vertelt spontaan over wat hij meemaakte.
- Stelt vragen: wie, wat en waar.
- Herhaalt vaak woorden.
- Er zijn nog veel uitspraakfouten, voornamelijk in medeklinkerverbindingen.
- Sommige articulatiefouten zijn nog niet alarmerend bijvoorbeeld clusterreductie,
bijvoorbeeld ‘kaart’ wordt ‘kaat’.
- Er worden ook lidwoorden gebruikt en meer voorzetsels (nog niet altijd correct).
- Werkwoorden in de verleden tijd worden nog vaak fout vervoegd.
- 50% tot 75% van wat het kind zegt is verstaanbaar voor anderen.
4j – 5j - Maakt enkelvoudige zinnen.
- Stelt vragen: wie, wat, waar, welke, wanneer, waarom, hoe, hoeveel.