Bacteriële en mycotische ziekten
Deel 1 Disease Ecology
Disease Triangle
Een dier wordt niet gewoon ziek omdat het dier een
infectie doormaakt.
Je hebt een gevoelige gastheer nodig, een virulente
pathogeen en een omgeving die ervoor zorgt dat de
ziekte in hevigheid kan losbarsten.
De combinatie van deze veroorzaken ziekte: vnl
belangrijk bij bacterien en schimmels, bij parasieten
iets minder belangrijk
Gastheer spectrum
• Over verschillende klassen heen <-> virussen !!: ziekte
veroorzaken bij meerdere gastheren en diersoorten
• Vb Salmonella, Campylobacter jejuni, Coxiella burnetii, Pasteurella multocida,
Listeria monocytogenes, (Clostridium tetani), Dermatophilus congolensis, Aspergillus
fumigatus, Cryptococcus neoformans
• Tot specifiek(er) (zeldzaam en dan nog!)
• Vb Taylorella equigenitalis (CEM), Streptococcus equi subsp. equi, Mycoplasma
hyopneumoniae
->vb salmonella: gram negatief(bijna alle bacterien die eindigen op Ella, bijna alle bacterien
die eindigen op coccus zijn gram postiief)= komt bij heel veel verschillende diersoorten voor
Gastheer gevoeligheid
● Genetische achtergrond (“lineage”, van klasse tot ras)
a. Carnivora (<-> andere soorten in deze lessenreeks): Honden zijn zo
geëvolueerd dat ze prooien gaan vangen: zwakke, zieke dieren->honden en
katten zijn weinig gevoelig aan de meeste bacteriele infecties want ze gaan
vaker zieke dieren opeten dus ze mogen niet gevoelig zijn. Vb anthrax:
miltvuur->carnivoren zijn hier minder gevoelig aan
i. Botulisme: gaat weinig problemen veroorzaken bij carnivoren: milde
symptomen
ii. Tetanus
iii. Listeria: gram positieve bacterie: HKW heel gevoelig aan, carnivoren
niet
b. Soort: Je zal tss soorten ook veel verschillen zien in ernstheid van ziektes: vb
rotkreupel-> manken bij schapen: productie verliezen en sterfte
i. Vb rotkreupel: Runderen zijn hier niet gevoelig aan: niet ziek van
worden, schapen vaak wel afh van de stam en wilde schapen worden dan
weer ziek van stammen waar schapen niet ziek van worden
c. Ras: Binnen bepaalde soorten zul je ook nog verschillen zien
i. Aspergillose: In de sinussen zie je witte proppen zitten. Langsnuitige
rassen zijn hier gevoeliger voor: vb collies : waarom precies weten ze
niet, wrschjinlijk omdat hun neus langer is
ii. Pyodermie: veel bij herders: zie je vaak in kliniek = ernstige
huidinfecties ->waarom dit meer voorkomt bij herders weten we niet:
genetische oorsprong
,● Anatomie
A. Raskenmerken:
i. Otitis: Vb katten: zelden otitis zien-> Opstaande oren zijn niet
interessant voor otitis, flapoortjes wel waarbij oorgang afgedekt is.
Het is daarbinnen warm en koud
ii. Pyodermie: Scharpei: huidplooien-> gaat schuren tegen elkaar: tss
plooien warm en vochtig= goed voor klinische infectie te veroorzaken 3. Anatomie
B. Geslacht(blaas/urethra): Vrouwen ontwikkelen makkelijker cystitis doordat de
urethra veel korter is. Bij de mannen is de urethra veel langer en moeten ze
langere weg afleggen dus minder kans op cytstiis
● Afweer: aangeboren, innate
a. Mechanisch:
i. barrières (huid, mucosae): Intacte huid: vanaf je een wondje hebt
kunnen bacterien koloniseren= wondinfectie
ii. Afdrijven (mucus, peristaltiek, tranen, mucociliaire clearance, urine,
hoesten/niezen)
b. Secreties (HCl, gal, AMP, lysozyme, vetzuren)
c. Microbioom: Microbioom: wordt veel misbruikt in DGK: veel verkoopt voor
dierenvoeders: soms niet waar-> je moet er kritisch in blijven ->microbioom is
heel belangrijk: wnnr je continu je handen wast gaat je microbioom daar
verdwijnen waardoor je gevoeliger bent voor infecties daar
d. AM factoren in lichaamsvloeistoffen (complement, lysozyme, transferrine enz)
e. Cellen
● Afweer: verworven
a. Actief en passief
b. YOPI: wnnr je tot YOPI behoort ben je sws gevoeliger voor alle bacteriele
infecties
● Leeftijd
a. Neonatale Septicemie: Kalf wordt geboren:
gaat snel drinken bij de moeder->belangrijk
om kalveren gezond te houden= maternale
immuniteit ->antistoffen dalen snel na een
aantal weken: dier blijft beschermt tot
bepaald punt via die antistoffen-> dier is
beschermd dus gaat pas laat zelf
antistoffen aanmaken: na aantal weken is
er eigen productie maar daartussen is er dus een gevoelige periode
waarbij er te weinig immuniteit is. Wanneer de dieren te weinig colostrum
hebben opgenomen is het zeker gevaarlijk : neonatale septicemie.
i. Het kan mislopen met de moeder: weinig antistoffen bij jonge moeder,
premature lactatie(colostrum verlies voor geboorte). Het kan mislopen
bij het jong dat te zwak is en niet wil drinken.
ii. Opportunistische bacterien lokken dit uit:
1. Infectiedruk: moeder, omgeving-> Vuile omgeving besmet met
vb e coli: grotere kans op neonatale septicemie
2. Gastheer: E coli(meeste zoogdieren en vogels), S. Equi subsp.
Zooepidemicus/actinobacillus equuli bij paard, S. Canis bij
hond
3. Hyperacute vorm: Vaak heb je acuut sterfte
, 4. Subacute vorm: Zwelling van gewrichten en zwakte
iii. Behandeling
1. Therapie neonaat: Hyperimmuun serum geven van ander
paard: concentraties herstellen+ behandeling met antibiotica
2. Preventie:
a. de moeder moet gevaccineerd worden
b. de neonaat moet goed verzorgd worden: ontsmetting
navel en hygiene. Je moet ze zo rap mogelijk laten
drinken
c. propere omgeving
b. Etec: enterotoxigene E coli: bevatten bepaalde
fimbriae: haartjes op oppervlak van bacterie= bacterie
hecht vast op microvili van jonge dieren(kalfjes jonger
dan 3D oud) ->bacterien binden: toxines produceren->
kalf met waterige diarree, Dehydratatie: moet je snel
behandelen
c. Paratuberculose: Mycobacterium: kruipen in cellen
->vb in een macrofaag: verstopt voor immuunsysteem
van gastheer. Jonge dieren zijn gevoelig voor infectie
maar ziekte breekt pas door bij eerste dracht
i. Paratuberculose gaat vermeerderen:
chronische ontstekingsreactie van de
darmwand = verdikking darmwand: leidt tot
waterige diarree met verlies van conditie, ruwe
vacht en sterfte
ii. Verschil tss infectie vs ziekte: een dier kan heel
zijn leven geinfecteerd zijn met een bacterie
zonder dat die ziek is
d. Droes: veroorzaakt door Streptococcus equi subspecies equi: abcedatie van
de lymfeklieren rond het hoofd
i. Keelontsteking en rhinitis, lymfadenitis
ii. Bij jonge paarden
iii. Behandeling: jonge paarden in groepen verdelen(oude paarden zijn
niet gevoelig): zieke dieren, mogelijks ziek en niet ziek
e. Rhodococcus equi(<6 maand): Gram negatieve bacterie die abcessen
veroorzaakt(granolumen)
i. Chronische ademhalingsproblemen ->dyspnee, sterfte
ii. Opsoniserend vermogen van jonge dieren zijn nog niet optimaal: gevoeliger
, f. Neonatale conjuctivitis oa chalymidia felis: pasgeboren katjes
die nog voordat oogjes openen conjuctivitis ontwikkelen: tegen
vaccineren
i. etterige ontsteking met andere bacterien die het
compliceert
ii. door tekort aan immuniteit
g. Kennelhoest: veroorzaakt door brodetella bronchiseptica(gram
negatief)
i. bij jonge hondjes die dicht op elkaar zitten: snotvalling ->vaak zelf
limiterend(week-10d)
ii. Vaccineren is belangrijk
h. Roetbiggen: veroorzaakt door staphylococcus door te weinig maternale
immuniteit/colostrum opname
7. Fysiologie: Elke afwijking van het normaal functioneren van een
orgaanstelsel verhoogt de kans op een bacteriele of schimmel
infectie. Vb gestoorde peristaltiek,…
a. Stoornissen in biofysische, biochemische processen,
homeostase (metabool, hormonaal, neurologisch, psychogeen…),
co-infecties
b. Respiratoir, spijsverteringsstelsel, cardiovasculair, huid, urinair…
c. Huid en adnexa: pyodermie / otitis: Elke pyodermie is secundair aan een
ander onderliggend probleem: je moet zoeken waarom dat dier een
pyodermie heeft ontwikkeld vb hormonaal, ectoparasieten,.. : je moet de
onderliggende oorzaak ook kunnen elimineren. Naargelang diersoort zijn
enkele staphyloccocen zeer belangrijk
i. Trauma, hormonaal, ectoparasieten, druk, vocht, metabool enz
d. Clostridium Perfringens enterotoxaemie: belangrijkste bacterie voor acute
sterfte bij het schaap
i. Gram positieve bacterie: anaeroob= warmte, weinig zuurstof en veel
eiwit nodig
1. zit sws in de darm: doet normaal niks tenzij er iets verstoord
wordt vb peristaltiek of overmate van eiwit opname:
predisponerende factoren voor vermeerdering van clostridium:
toxine productie-> hemorrhagische necrotizerende enteritis
2. meestal dunne darm, behalve bij paard(dikke darm:
hemorrhagische Colitis: vaak sterfte)
8. Dracht: moederdieren krijgen vaak opflakkeringen van bacteriële infecties.
a. Chlamydia abortus/C. Felis: obligaat intracellulair= lijkt een beetje op
herpesvirus->latentie: de bacterie in het dier zal aanwezig zijn zonder dat
je deze kan detecteren. Onder invloed van bepaalde factoren zoals vb
stress of dracht kan deze infectie opflakkeren. Dit treedt vaak op in het
laatste trimester van de dracht en dit veroorzaakt vaak abortus bij
schapen. Voor de rest zijn de ooien perfect gezond uitziend. Bij katten
treedt exact hetzelfde op bij chlamydia felis.
b. Paratuberculose: vanaf de eerste dracht zijn de dieren gevoelig hiervoor.
De bacteriele infectie zal opflakkeren en je krijgt klinisch
paratuberculose(verdikking ileum met chronische diarree en
conditieverlies, ruige vacht).
Deel 1 Disease Ecology
Disease Triangle
Een dier wordt niet gewoon ziek omdat het dier een
infectie doormaakt.
Je hebt een gevoelige gastheer nodig, een virulente
pathogeen en een omgeving die ervoor zorgt dat de
ziekte in hevigheid kan losbarsten.
De combinatie van deze veroorzaken ziekte: vnl
belangrijk bij bacterien en schimmels, bij parasieten
iets minder belangrijk
Gastheer spectrum
• Over verschillende klassen heen <-> virussen !!: ziekte
veroorzaken bij meerdere gastheren en diersoorten
• Vb Salmonella, Campylobacter jejuni, Coxiella burnetii, Pasteurella multocida,
Listeria monocytogenes, (Clostridium tetani), Dermatophilus congolensis, Aspergillus
fumigatus, Cryptococcus neoformans
• Tot specifiek(er) (zeldzaam en dan nog!)
• Vb Taylorella equigenitalis (CEM), Streptococcus equi subsp. equi, Mycoplasma
hyopneumoniae
->vb salmonella: gram negatief(bijna alle bacterien die eindigen op Ella, bijna alle bacterien
die eindigen op coccus zijn gram postiief)= komt bij heel veel verschillende diersoorten voor
Gastheer gevoeligheid
● Genetische achtergrond (“lineage”, van klasse tot ras)
a. Carnivora (<-> andere soorten in deze lessenreeks): Honden zijn zo
geëvolueerd dat ze prooien gaan vangen: zwakke, zieke dieren->honden en
katten zijn weinig gevoelig aan de meeste bacteriele infecties want ze gaan
vaker zieke dieren opeten dus ze mogen niet gevoelig zijn. Vb anthrax:
miltvuur->carnivoren zijn hier minder gevoelig aan
i. Botulisme: gaat weinig problemen veroorzaken bij carnivoren: milde
symptomen
ii. Tetanus
iii. Listeria: gram positieve bacterie: HKW heel gevoelig aan, carnivoren
niet
b. Soort: Je zal tss soorten ook veel verschillen zien in ernstheid van ziektes: vb
rotkreupel-> manken bij schapen: productie verliezen en sterfte
i. Vb rotkreupel: Runderen zijn hier niet gevoelig aan: niet ziek van
worden, schapen vaak wel afh van de stam en wilde schapen worden dan
weer ziek van stammen waar schapen niet ziek van worden
c. Ras: Binnen bepaalde soorten zul je ook nog verschillen zien
i. Aspergillose: In de sinussen zie je witte proppen zitten. Langsnuitige
rassen zijn hier gevoeliger voor: vb collies : waarom precies weten ze
niet, wrschjinlijk omdat hun neus langer is
ii. Pyodermie: veel bij herders: zie je vaak in kliniek = ernstige
huidinfecties ->waarom dit meer voorkomt bij herders weten we niet:
genetische oorsprong
,● Anatomie
A. Raskenmerken:
i. Otitis: Vb katten: zelden otitis zien-> Opstaande oren zijn niet
interessant voor otitis, flapoortjes wel waarbij oorgang afgedekt is.
Het is daarbinnen warm en koud
ii. Pyodermie: Scharpei: huidplooien-> gaat schuren tegen elkaar: tss
plooien warm en vochtig= goed voor klinische infectie te veroorzaken 3. Anatomie
B. Geslacht(blaas/urethra): Vrouwen ontwikkelen makkelijker cystitis doordat de
urethra veel korter is. Bij de mannen is de urethra veel langer en moeten ze
langere weg afleggen dus minder kans op cytstiis
● Afweer: aangeboren, innate
a. Mechanisch:
i. barrières (huid, mucosae): Intacte huid: vanaf je een wondje hebt
kunnen bacterien koloniseren= wondinfectie
ii. Afdrijven (mucus, peristaltiek, tranen, mucociliaire clearance, urine,
hoesten/niezen)
b. Secreties (HCl, gal, AMP, lysozyme, vetzuren)
c. Microbioom: Microbioom: wordt veel misbruikt in DGK: veel verkoopt voor
dierenvoeders: soms niet waar-> je moet er kritisch in blijven ->microbioom is
heel belangrijk: wnnr je continu je handen wast gaat je microbioom daar
verdwijnen waardoor je gevoeliger bent voor infecties daar
d. AM factoren in lichaamsvloeistoffen (complement, lysozyme, transferrine enz)
e. Cellen
● Afweer: verworven
a. Actief en passief
b. YOPI: wnnr je tot YOPI behoort ben je sws gevoeliger voor alle bacteriele
infecties
● Leeftijd
a. Neonatale Septicemie: Kalf wordt geboren:
gaat snel drinken bij de moeder->belangrijk
om kalveren gezond te houden= maternale
immuniteit ->antistoffen dalen snel na een
aantal weken: dier blijft beschermt tot
bepaald punt via die antistoffen-> dier is
beschermd dus gaat pas laat zelf
antistoffen aanmaken: na aantal weken is
er eigen productie maar daartussen is er dus een gevoelige periode
waarbij er te weinig immuniteit is. Wanneer de dieren te weinig colostrum
hebben opgenomen is het zeker gevaarlijk : neonatale septicemie.
i. Het kan mislopen met de moeder: weinig antistoffen bij jonge moeder,
premature lactatie(colostrum verlies voor geboorte). Het kan mislopen
bij het jong dat te zwak is en niet wil drinken.
ii. Opportunistische bacterien lokken dit uit:
1. Infectiedruk: moeder, omgeving-> Vuile omgeving besmet met
vb e coli: grotere kans op neonatale septicemie
2. Gastheer: E coli(meeste zoogdieren en vogels), S. Equi subsp.
Zooepidemicus/actinobacillus equuli bij paard, S. Canis bij
hond
3. Hyperacute vorm: Vaak heb je acuut sterfte
, 4. Subacute vorm: Zwelling van gewrichten en zwakte
iii. Behandeling
1. Therapie neonaat: Hyperimmuun serum geven van ander
paard: concentraties herstellen+ behandeling met antibiotica
2. Preventie:
a. de moeder moet gevaccineerd worden
b. de neonaat moet goed verzorgd worden: ontsmetting
navel en hygiene. Je moet ze zo rap mogelijk laten
drinken
c. propere omgeving
b. Etec: enterotoxigene E coli: bevatten bepaalde
fimbriae: haartjes op oppervlak van bacterie= bacterie
hecht vast op microvili van jonge dieren(kalfjes jonger
dan 3D oud) ->bacterien binden: toxines produceren->
kalf met waterige diarree, Dehydratatie: moet je snel
behandelen
c. Paratuberculose: Mycobacterium: kruipen in cellen
->vb in een macrofaag: verstopt voor immuunsysteem
van gastheer. Jonge dieren zijn gevoelig voor infectie
maar ziekte breekt pas door bij eerste dracht
i. Paratuberculose gaat vermeerderen:
chronische ontstekingsreactie van de
darmwand = verdikking darmwand: leidt tot
waterige diarree met verlies van conditie, ruwe
vacht en sterfte
ii. Verschil tss infectie vs ziekte: een dier kan heel
zijn leven geinfecteerd zijn met een bacterie
zonder dat die ziek is
d. Droes: veroorzaakt door Streptococcus equi subspecies equi: abcedatie van
de lymfeklieren rond het hoofd
i. Keelontsteking en rhinitis, lymfadenitis
ii. Bij jonge paarden
iii. Behandeling: jonge paarden in groepen verdelen(oude paarden zijn
niet gevoelig): zieke dieren, mogelijks ziek en niet ziek
e. Rhodococcus equi(<6 maand): Gram negatieve bacterie die abcessen
veroorzaakt(granolumen)
i. Chronische ademhalingsproblemen ->dyspnee, sterfte
ii. Opsoniserend vermogen van jonge dieren zijn nog niet optimaal: gevoeliger
, f. Neonatale conjuctivitis oa chalymidia felis: pasgeboren katjes
die nog voordat oogjes openen conjuctivitis ontwikkelen: tegen
vaccineren
i. etterige ontsteking met andere bacterien die het
compliceert
ii. door tekort aan immuniteit
g. Kennelhoest: veroorzaakt door brodetella bronchiseptica(gram
negatief)
i. bij jonge hondjes die dicht op elkaar zitten: snotvalling ->vaak zelf
limiterend(week-10d)
ii. Vaccineren is belangrijk
h. Roetbiggen: veroorzaakt door staphylococcus door te weinig maternale
immuniteit/colostrum opname
7. Fysiologie: Elke afwijking van het normaal functioneren van een
orgaanstelsel verhoogt de kans op een bacteriele of schimmel
infectie. Vb gestoorde peristaltiek,…
a. Stoornissen in biofysische, biochemische processen,
homeostase (metabool, hormonaal, neurologisch, psychogeen…),
co-infecties
b. Respiratoir, spijsverteringsstelsel, cardiovasculair, huid, urinair…
c. Huid en adnexa: pyodermie / otitis: Elke pyodermie is secundair aan een
ander onderliggend probleem: je moet zoeken waarom dat dier een
pyodermie heeft ontwikkeld vb hormonaal, ectoparasieten,.. : je moet de
onderliggende oorzaak ook kunnen elimineren. Naargelang diersoort zijn
enkele staphyloccocen zeer belangrijk
i. Trauma, hormonaal, ectoparasieten, druk, vocht, metabool enz
d. Clostridium Perfringens enterotoxaemie: belangrijkste bacterie voor acute
sterfte bij het schaap
i. Gram positieve bacterie: anaeroob= warmte, weinig zuurstof en veel
eiwit nodig
1. zit sws in de darm: doet normaal niks tenzij er iets verstoord
wordt vb peristaltiek of overmate van eiwit opname:
predisponerende factoren voor vermeerdering van clostridium:
toxine productie-> hemorrhagische necrotizerende enteritis
2. meestal dunne darm, behalve bij paard(dikke darm:
hemorrhagische Colitis: vaak sterfte)
8. Dracht: moederdieren krijgen vaak opflakkeringen van bacteriële infecties.
a. Chlamydia abortus/C. Felis: obligaat intracellulair= lijkt een beetje op
herpesvirus->latentie: de bacterie in het dier zal aanwezig zijn zonder dat
je deze kan detecteren. Onder invloed van bepaalde factoren zoals vb
stress of dracht kan deze infectie opflakkeren. Dit treedt vaak op in het
laatste trimester van de dracht en dit veroorzaakt vaak abortus bij
schapen. Voor de rest zijn de ooien perfect gezond uitziend. Bij katten
treedt exact hetzelfde op bij chlamydia felis.
b. Paratuberculose: vanaf de eerste dracht zijn de dieren gevoelig hiervoor.
De bacteriele infectie zal opflakkeren en je krijgt klinisch
paratuberculose(verdikking ileum met chronische diarree en
conditieverlies, ruige vacht).