Internationale handel
Hoofdstuk 1: Internationale handel in een open economie
1. Het ontstaan van internationale handel
Specialisatie verhoogt productiviteit van arbeid (A) en kapitaal (K)
Landen specialiseren in de productiefactor waar ze het best in zijn
Verschillende theorieën over internationale handel
o Geven geen antwoord op complex vraagstuk
Merkanteïsme Goud en zilver zijn de maatstaf in elk land. Hoe meer export hoe rijker het land wordt. Wat het ene
land verliest wint de ander. Zero sum activiteit, positive sum?
1.1.De klassieke theorie van de absolute kostenverschillen van Adam Smith
Oudste en eerste theorie
Vertrekt van de arbeidswaardeleer
o Waarde van een product hangt af van de hoeveelheid A die nodig
was om het product te vervaardigen
Negeren van schaalvoordelen
Beperking Geen internationale beweging van productiefactoren mogelijk
Essentie Vrije handel ontstaat tussen twee landen wanneer beide landen
voordeel hebben bij het specialiseren Ieder land specialiseert zich in het
goed of dienst waar hij een absoluut voordeel heeft bij produceren
Voorbeeld
o Voor specialisatie
o Na specialisatie
o Conclusie Er zijn meer goederen ter beschikking voor behoeftebevrediging
1.2.De theorie van de comparatieve kostenverschillen van David Ricardo
Specialisatie in goed of dienst waarvoor het land de laagste kosten kent,
ook al is deze kost hoger dan het buitenland
Een land legt zich het beste toe op dat wat het land het beste kan
Een land dat minder efficiënt is dan andere landen, kan toch zijn plaats in
de internationale handel hebben
Beperkingen
o Geen rekening met K
o Veronderstelt volmaakte mobiliteit van A binnen grenzen
o Geen mobiliteit A over grenzen
o Onveranderde kostenverhoudingen
o Afwezigheid schaalvoordelen
o Eenzelfde behoeftestructuur
o Geen rekening gehouden met transportkosten
Voorbeeld
o Voor specialisatie
o Na specialisatie
, o Conclusie Er zijn meer goederen ter beschikking voor behoeftebevrediging
Waarom comparatieve voordelen?
o Relatieve beschikbaarheid van productiefactoren
Natuurlijke oorzaken Klimaat, geografische ligging, aanwezigheid
van grondstoffen, vruchtbaarheid bodem
Bevolkingsdichtheid
Scholingsgraad
Aanwezigheid kapitaalgoederen en infrastructuur
o Toenemende schaalvoordelen
Hogere productie kan leiden tot daling van gemiddelde kosten
waardoor schaalvoordelen ontstaan
Productie op grote schaal Afzet op grote markten
Kleine binnenlandse markt Werken met internationale handel
o Monopolistische concurrentie
Factoren die marktpositie versterken en die onder monopolistische
concurrentie ondergebracht worden
Marketing
Productdifferentiatie
Consumentenvoorkeur
Comparatieve voordelen
o Technologische voorsprong
Beïnvloed de export naar het buitenland
Innovaties worden snel geïmiteerd
Blijven innoveren
o Politieke beslissingen in binnen- en buitenland
Overheid kan binnenlandse markt afschermen of bevoordelen
Budgettaire maatregelen
Belangrijke contracten voorbehouden
1.3.De theorie van de relatieve factorbegiftiging van Heckscher en Ohlin
Veronderstelt eveneens volmaakte mobiliteit A en K binnen landen
Volmaakte immobiliteit van A en K over grenzen heen
Land relatief kapitaalovervloediger dan ander land wanneer de #K op #A
hoger is Relatieve factorintensiteit
Essentie
o Landen hebben comparatief voordeel in producten die relatief intensief zijn
in hun relatief overvloedige productiefactor
o Schaarse productiefactor zal duurder zijn dan de overvloedige
productiefactor
o Prijzen van producten weerspiegelen die kosten in de verkoopprijs
Bij openen grenzen Meer beroep doen op overvloedige productiefactor,
waardoor die schaarser wordt en schaarse wordt overvloediger
Internationale handel brengt op LT de verhoudingen van
factorvergoedingen naar elkaar toe bij handeldrijvende landen
Voorbeeld
o
, o
1.4.De exportmultiplicator van J.F. Giblin
Geeft weer met welke factor het nationale inkomen (BBP) stijgt, wanneer
de investeringen in export met 1 eenheid stijgen
∆Y
k x=
∆X
Export stijgt Inkomen exportsector stijgt V naar G&D stijgt
Vermenigvuldigingseffect (Hangt af van spaargerag en hoeveelheid import)
Veronderstellingen
o Binnenlandse investeringen constant
o Vaste wisselkoers tussen landen
o Volledige tewerkstelling in eigen economie
Ruwe benadering van de economische werkelijkheid
1.5.De Nieuwe Productiviteitstheorie van Michael Porter
Dynamische theorie van ondernemingsstrategie
Bedrijven moeten zich binnen de sector positioneren Kostenleiderschap
versus differentiatie
Essentie Bedrijven moeten duidelijke keuze maken m.b.t. competitieve
strategie
o Grootste fout ‘To be stuck in the middle’
Multidomestic industries versus global industries
o Multidomestic industries
Concurrentie onafhankelijk van de concurrentie in een ander land
Concurrentie en competitieve voordeel wordt land per land bepaald
Bijna geen internationale handel
o Global industries
Competitieve positie in een land beïnvloedt door competitieve
positie in een ander land
Hevige internationale concurrentie en belangrijke internationale
handel
Het zijn de nationale omstandigheden die het competitief proces van een
onderneming actief in global industries bepalen o.b.v.
o Positie verschillende productiefactoren in een land
o Vraag naar het product in thuismarkt
o Aan- en afwezigheid in thuisland van verbonden of ondersteunende
ondernemingen en sectoren
o Wijze waarop ondernemingen georganiseerd en geleid worden en de vorm
van lokale concurrentie
4 determinanten samengevoegd in de ruit / diamant van Porter
o
o Toeval en de overheid beïnvloeden bovenstaande determinanten
, o Determinanten zijn dynamisch en interactief
Hoeveelheid productiefactoren niet meer belangrijk na bepaald niveau
maar wel wijze waarop gecreëerd en verbeterd worden (Upgrading)
Overvloed van bepaalde productiefactor competitief voordeel afbreekt
i.p.v. versterkt
Productiefactoren volgens Porter
o Human resources
o Physical
o Knowledge
o Capital
o Infrastructure
Conclusies Voorsprong in internationale handel als
o Productiefactoren effectief en zinvol aangewend worden Belangrijker dan
de beschikbaarheid er van op zich
o Competitief voordeel in bepaalde sector als vraag thuismarkt duidelijk
beeld geeft van de wensen van klanten of waar klanten aanzetten/eisen tot
innoveren Zet aan tot maken van goed product wat kan anticiperen op
behoeften buitenland
o Grootte en groei thuisland van belang om schaalvoordelen te bevorderen
en competitief voordeel te ontwikkelen Maakt dat je gunstig aanbod ook
hebt voor buitenland
o Toerisme, media, politieke en historische banden kunnen nationale
preferenties overdragen naar buitenlandse markten
o Verbonden of ondersteunende sectoren zorgen voor kostenefficiënte inputs
Wederzijds proces van innovatie en opwaardering
o Manier waarop onderneming wordt gecreëerd, georganiseerd en geleid
stimuleert/beperkt competitieve voordelen
o Aanwezigheid lokale concurrentie
2. Internationale handel in cijfers
Verschil tussen interindustriële handel en intraindustriële handel
o Interindustriële handel
Landen ruilen producten die behoren tot verschillende industrietak
o Intraindustriële handel
Verhandelde producten behoren tot dezelfde industrietak
2.1.De invoer- en uitvoerquote en de dekkingscoëfficiënt
2.1.1. Invoerquote (m)
Geeft de verhouding weer van de waarde van de import van G&D
tegenover de waarde van het BBP
M
m=
BBP
2.1.2. Uitvoerquote (x)
Geeft de verhouding weer van de waarde van de export van G&D
tegenover de waarde van het BBP
X
x=
BBP
2.1.3. Dekkingscoëfficiënt
Geeft de verhouding weer van de export van G&D ten opzichte van de
import van G&D
o Import kan gezien worden als gemiste verkoopkansen van bedrijven aan
eigen bevolking
Hoofdstuk 1: Internationale handel in een open economie
1. Het ontstaan van internationale handel
Specialisatie verhoogt productiviteit van arbeid (A) en kapitaal (K)
Landen specialiseren in de productiefactor waar ze het best in zijn
Verschillende theorieën over internationale handel
o Geven geen antwoord op complex vraagstuk
Merkanteïsme Goud en zilver zijn de maatstaf in elk land. Hoe meer export hoe rijker het land wordt. Wat het ene
land verliest wint de ander. Zero sum activiteit, positive sum?
1.1.De klassieke theorie van de absolute kostenverschillen van Adam Smith
Oudste en eerste theorie
Vertrekt van de arbeidswaardeleer
o Waarde van een product hangt af van de hoeveelheid A die nodig
was om het product te vervaardigen
Negeren van schaalvoordelen
Beperking Geen internationale beweging van productiefactoren mogelijk
Essentie Vrije handel ontstaat tussen twee landen wanneer beide landen
voordeel hebben bij het specialiseren Ieder land specialiseert zich in het
goed of dienst waar hij een absoluut voordeel heeft bij produceren
Voorbeeld
o Voor specialisatie
o Na specialisatie
o Conclusie Er zijn meer goederen ter beschikking voor behoeftebevrediging
1.2.De theorie van de comparatieve kostenverschillen van David Ricardo
Specialisatie in goed of dienst waarvoor het land de laagste kosten kent,
ook al is deze kost hoger dan het buitenland
Een land legt zich het beste toe op dat wat het land het beste kan
Een land dat minder efficiënt is dan andere landen, kan toch zijn plaats in
de internationale handel hebben
Beperkingen
o Geen rekening met K
o Veronderstelt volmaakte mobiliteit van A binnen grenzen
o Geen mobiliteit A over grenzen
o Onveranderde kostenverhoudingen
o Afwezigheid schaalvoordelen
o Eenzelfde behoeftestructuur
o Geen rekening gehouden met transportkosten
Voorbeeld
o Voor specialisatie
o Na specialisatie
, o Conclusie Er zijn meer goederen ter beschikking voor behoeftebevrediging
Waarom comparatieve voordelen?
o Relatieve beschikbaarheid van productiefactoren
Natuurlijke oorzaken Klimaat, geografische ligging, aanwezigheid
van grondstoffen, vruchtbaarheid bodem
Bevolkingsdichtheid
Scholingsgraad
Aanwezigheid kapitaalgoederen en infrastructuur
o Toenemende schaalvoordelen
Hogere productie kan leiden tot daling van gemiddelde kosten
waardoor schaalvoordelen ontstaan
Productie op grote schaal Afzet op grote markten
Kleine binnenlandse markt Werken met internationale handel
o Monopolistische concurrentie
Factoren die marktpositie versterken en die onder monopolistische
concurrentie ondergebracht worden
Marketing
Productdifferentiatie
Consumentenvoorkeur
Comparatieve voordelen
o Technologische voorsprong
Beïnvloed de export naar het buitenland
Innovaties worden snel geïmiteerd
Blijven innoveren
o Politieke beslissingen in binnen- en buitenland
Overheid kan binnenlandse markt afschermen of bevoordelen
Budgettaire maatregelen
Belangrijke contracten voorbehouden
1.3.De theorie van de relatieve factorbegiftiging van Heckscher en Ohlin
Veronderstelt eveneens volmaakte mobiliteit A en K binnen landen
Volmaakte immobiliteit van A en K over grenzen heen
Land relatief kapitaalovervloediger dan ander land wanneer de #K op #A
hoger is Relatieve factorintensiteit
Essentie
o Landen hebben comparatief voordeel in producten die relatief intensief zijn
in hun relatief overvloedige productiefactor
o Schaarse productiefactor zal duurder zijn dan de overvloedige
productiefactor
o Prijzen van producten weerspiegelen die kosten in de verkoopprijs
Bij openen grenzen Meer beroep doen op overvloedige productiefactor,
waardoor die schaarser wordt en schaarse wordt overvloediger
Internationale handel brengt op LT de verhoudingen van
factorvergoedingen naar elkaar toe bij handeldrijvende landen
Voorbeeld
o
, o
1.4.De exportmultiplicator van J.F. Giblin
Geeft weer met welke factor het nationale inkomen (BBP) stijgt, wanneer
de investeringen in export met 1 eenheid stijgen
∆Y
k x=
∆X
Export stijgt Inkomen exportsector stijgt V naar G&D stijgt
Vermenigvuldigingseffect (Hangt af van spaargerag en hoeveelheid import)
Veronderstellingen
o Binnenlandse investeringen constant
o Vaste wisselkoers tussen landen
o Volledige tewerkstelling in eigen economie
Ruwe benadering van de economische werkelijkheid
1.5.De Nieuwe Productiviteitstheorie van Michael Porter
Dynamische theorie van ondernemingsstrategie
Bedrijven moeten zich binnen de sector positioneren Kostenleiderschap
versus differentiatie
Essentie Bedrijven moeten duidelijke keuze maken m.b.t. competitieve
strategie
o Grootste fout ‘To be stuck in the middle’
Multidomestic industries versus global industries
o Multidomestic industries
Concurrentie onafhankelijk van de concurrentie in een ander land
Concurrentie en competitieve voordeel wordt land per land bepaald
Bijna geen internationale handel
o Global industries
Competitieve positie in een land beïnvloedt door competitieve
positie in een ander land
Hevige internationale concurrentie en belangrijke internationale
handel
Het zijn de nationale omstandigheden die het competitief proces van een
onderneming actief in global industries bepalen o.b.v.
o Positie verschillende productiefactoren in een land
o Vraag naar het product in thuismarkt
o Aan- en afwezigheid in thuisland van verbonden of ondersteunende
ondernemingen en sectoren
o Wijze waarop ondernemingen georganiseerd en geleid worden en de vorm
van lokale concurrentie
4 determinanten samengevoegd in de ruit / diamant van Porter
o
o Toeval en de overheid beïnvloeden bovenstaande determinanten
, o Determinanten zijn dynamisch en interactief
Hoeveelheid productiefactoren niet meer belangrijk na bepaald niveau
maar wel wijze waarop gecreëerd en verbeterd worden (Upgrading)
Overvloed van bepaalde productiefactor competitief voordeel afbreekt
i.p.v. versterkt
Productiefactoren volgens Porter
o Human resources
o Physical
o Knowledge
o Capital
o Infrastructure
Conclusies Voorsprong in internationale handel als
o Productiefactoren effectief en zinvol aangewend worden Belangrijker dan
de beschikbaarheid er van op zich
o Competitief voordeel in bepaalde sector als vraag thuismarkt duidelijk
beeld geeft van de wensen van klanten of waar klanten aanzetten/eisen tot
innoveren Zet aan tot maken van goed product wat kan anticiperen op
behoeften buitenland
o Grootte en groei thuisland van belang om schaalvoordelen te bevorderen
en competitief voordeel te ontwikkelen Maakt dat je gunstig aanbod ook
hebt voor buitenland
o Toerisme, media, politieke en historische banden kunnen nationale
preferenties overdragen naar buitenlandse markten
o Verbonden of ondersteunende sectoren zorgen voor kostenefficiënte inputs
Wederzijds proces van innovatie en opwaardering
o Manier waarop onderneming wordt gecreëerd, georganiseerd en geleid
stimuleert/beperkt competitieve voordelen
o Aanwezigheid lokale concurrentie
2. Internationale handel in cijfers
Verschil tussen interindustriële handel en intraindustriële handel
o Interindustriële handel
Landen ruilen producten die behoren tot verschillende industrietak
o Intraindustriële handel
Verhandelde producten behoren tot dezelfde industrietak
2.1.De invoer- en uitvoerquote en de dekkingscoëfficiënt
2.1.1. Invoerquote (m)
Geeft de verhouding weer van de waarde van de import van G&D
tegenover de waarde van het BBP
M
m=
BBP
2.1.2. Uitvoerquote (x)
Geeft de verhouding weer van de waarde van de export van G&D
tegenover de waarde van het BBP
X
x=
BBP
2.1.3. Dekkingscoëfficiënt
Geeft de verhouding weer van de export van G&D ten opzichte van de
import van G&D
o Import kan gezien worden als gemiste verkoopkansen van bedrijven aan
eigen bevolking