Sociale Psychologie
1. SOCIALE WAARNEMING
2. GROEPSPERCEPTIE
3. COLLECTIEVE PROCESSEN: HOE DE AANWEZIGHEID VAN ANDEREN ONS
GEDRAG BEÏNVLOEDT
4. ATTITUDES
5. GROEPSNORMEN
6. VRIENDSCHAP, LIEFDE EN PROSOCIAAL GEDRAG
7. AANGELEERDE HULPELOOSHEID
8. SOCIALE ANGST
, 2
1. SOCIALE WAARNEMING
1.1. Hoe vormen we een beeld van mensen?
- BEWUST en ONBEWUSTE processen
o zorgen ervoor dat wij ons snel een beeld van iemand vormen
o Beïnvloedt de verdere interacties
- HOE we gaan REAGEREN op iemand hangt af van het beeld dat we hebben van die persoon
!! manier waarop deze beeldvorming gebeurt staat centraal !!
1.2. De eerste indruk
- Waarneming: een zeer grote hoeveelheid aan prikkels wordt door ons brein gefilterd tot een aantal patronen
waar we een betekenis aan toekennen.
- SOCIALE WAARNEMING:
1. Percept: Zintuiglijke waarneming.
2. Concept: Invulling van een percept.
1.2.1. Waarop baseren we ons voor deze eerste indruk?
- Mensen baseren de eerste indruk vooral het visuele, het zichtbare
o Uiterlijk, lichaamstaal en gedrag
- 7-38-55 regel van Mehrabian
o Een boodschap wordt voor 7 procent bepaald door de woorden (inhoud), 38 procent door de toon
(intonatie) en 55 procent door lichaamstaal.
Geldt enkel wanneer de boodschap ambigu is! Wanneer intonatie en inhoud elkaar
tegenspreken. (incogruentie)
- Waarneming is ook cultuurgebonden -> onderzoek van Jack
1.2.2. Spontane beeldvorming
- Onze evaluatie gebeurt in milliseconden, en loopt automatisch:
o Zonder dat het de bedoeling is.
o Zonder dat je je er noodzakelijk bewust van bent.
o Zonder dat het aandacht vergt.
o Zonder dat je het tegen kunt houden.
1.2.2.1 Cognitieve schema’s
= Innerlijke structuren over wijze waarop bepaalde zaken of gebeurtenissen samenhangen.
- Wanneer één aspect in het schema wordt getriggerd, gaan de andere aspecten AUTOMATISCH mee
geactiveerd worden
- Aan de hand van ERVARINGEN leren we dat bepaalde dingen samen voorkomen of elkaar opvolgen en deze
ervaringen vormen de basis voor cognitieve schema’s
o Bv: het woord kerst activeert al informatie in uw brein namelijk: feest, familie, vieren, cadeau,…
, 2
- De 3 Functies van psycholoog Roos Vonk:
o Schijnwerper: meest relevant
= zorgt ervoor dat je aandacht naar de juiste dingen gaat In de situatie, waarneming dan
kiest ons brein er een aantal prikkels uit waarvan ons brein vindt dat deze het meest relevant
zijn in deze situatie.
Bv: stel er staat een politieagent voor u dan ga je niet letten op zijn snor of haar
maar dan gaat je aandacht naar het uniform en op die perceptie ga je gepast
reageren.
o Gatenvuller: ontbrekende info invullen
= vriend vult ontbrekende informatie in aan de hand van de structuren en samenhang in ons
hoofd
Veel informatie die we niet hebben wordt toch betekenis aan gegeven door ons brein
Bv: wanneer we weten dat iemand net is verlaten door zijn partner dan gaan we ook
die informatie invullen met ideeën over hoe die persoon zich op dit moment voelt.
o Gedragswijzer: gedrag bepalen
= het activeren van bepaalde informatie zorgt ervoor dat we weten hoe we ons moeten
gedragen
We moeten niet lang nadenken over welk gedrag we gaan stellen
Bv: Mensen met een bakfiets zijn waarschijnlijk milieuvriendelijk met jonge kinderen
- Voordelen:
o We kunnen SNELLER REAGEREN op situaties zonder er te veel over na te denken.
o Het helpt ons om MAKKELIJKER en MINDER VERMOEIEND om te gaan met alle informatie en
prikkels om ons heen.
- Nadelen en gevaren:
o MINDER ACCURAAT = Omdat we snel conclusies trekken, kunnen we fouten maken en situaties
verkeerd inschatten.
o STEREOTYPERING en VERALGEMENING = We stoppen mensen in hokjes en denken dat iedereen uit
een bepaalde groep zich hetzelfde gedraagt.
Bv: (‘shooting’ experiment Corell) = In een experiment bleek dat politieagenten sneller een
zwarte man neerschoten als hij iets uit zijn zak haalde, omdat ze dachten dat het een wapen
was. In werkelijkheid was het gewoon een portefeuille. Dit laat zien hoe gevaarlijk verkeerde
attributies kunnen zijn.
1.2.2.2 Welke schema’s worden gemobiliseerd
- Wanneer een individu iets doet, dan wordt een bepaald schema getriggerd
o → dit schema zal sterk verschillen naarmate we onderstaande factoren mee in rekening zullen
brengen (=ATTRIBUTIE)
!!Schema’s komen niet zomaar naar boven, er is een soort van voorspelbaarheid!!
- NEGATIEVE STIMULI KRIJGEN VOORRANG (=schijnwerper + gedragswijzer)
o De schijnwerper gaat het makkelijkste naar negatieve stimuli
De snelle evaluatie heeft een adaptieve waarde = zorgt ervoor dat we snel kunnen handelen
o De gedragswijzer zal ook in actie treden bij negatieve stimuli
Iets positiefs vraagt minder om dwingende acties dan iets negatiefs = bij positieve zaken
worden er geen acties verwacht, maar bij negatieve zaken wel waardoor er meer aandacht
gaat naar de negativiteit