= H3 Stoffen
Materie bestaat uit stoffen en heeft massa. Materie -> verdelen in twee groepen: zuivere
stoffen en mengsels.
Zuivere stoffen: niet verder scheiden, één soort bouwsteen. Zout, suiker, ijzer, zuurstof en
gedestilleerd water zijn zuivere stoffen. Mengsels: verschillende stoffen door elkaar.
Kraanwater, glas, pindakaas, cola en lucht zijn mengsels.
Stofeigenschappen: eigenschap waaraan je een stof kunt herkennen. Voorbeelden van
stofeigenschappen zijn smaak, kleur, hardheid, brandbaarheid, dichtheid, kookpunt en
smeltpunt. Vorm en massa zijn geen stofeigenschappen. Dichtheid: ρ
=massa/volume= g/cm³ of kg/dm³ of 1*10³/m³
Water: kun je slaan Kast: kun je niet doorheen slaan De moleculen in een kast zitten dichter
bij elkaar.
Er zijn 3 soorten stoffen: vloeistof (l) vaste stof (s) en gas (g)Een stof in de vaste fase heeft
een eigen vorm en een eigen volume. Het ijs op de sloot verandert niet
van vorm als je erop schaatst. Ook het volume verandert niet.
● Een stof in de vloeibare fase heeft geen eigen vorm, maar wel
een eigen volume. Als je limonade uit een fles in een glas
schenkt, neemt de limonade de vorm van het glas aan. Het
volume verandert hierbij niet.
● Een stof in de gasvormige fase heeft geen eigen vorm en ook
geen eigen volume. In een fasediagram zie je hoe de
temperatuur verloopt van een stof als je hem vanuit de vaste
toestand verwarmt.
Faseovergangen:
● s-l=smelten
● s-g=vervluchtigen
● l-g=verdampen
● l-s=stollen
● g-l=condenseren
● g-s=rijpen
Mengsels: w
● s+s= legering; alleen bij metalen. vb: brons, soldeer 1
● s+l= oplossing; helder 2 of suspensie; troebel (stukjes), kan bezinking komen maar
emulgator houdt dat tegen 3
● s+g=rook 4
● l+l= oplossing; helder 2 of emulsie, kan bezinking komen maar emulgator gaat dat
tegen 5
● l+g=nevel vb mist 6
● g+l= oplossing, helder 2 of schuim 7
Materie bestaat uit stoffen en heeft massa. Materie -> verdelen in twee groepen: zuivere
stoffen en mengsels.
Zuivere stoffen: niet verder scheiden, één soort bouwsteen. Zout, suiker, ijzer, zuurstof en
gedestilleerd water zijn zuivere stoffen. Mengsels: verschillende stoffen door elkaar.
Kraanwater, glas, pindakaas, cola en lucht zijn mengsels.
Stofeigenschappen: eigenschap waaraan je een stof kunt herkennen. Voorbeelden van
stofeigenschappen zijn smaak, kleur, hardheid, brandbaarheid, dichtheid, kookpunt en
smeltpunt. Vorm en massa zijn geen stofeigenschappen. Dichtheid: ρ
=massa/volume= g/cm³ of kg/dm³ of 1*10³/m³
Water: kun je slaan Kast: kun je niet doorheen slaan De moleculen in een kast zitten dichter
bij elkaar.
Er zijn 3 soorten stoffen: vloeistof (l) vaste stof (s) en gas (g)Een stof in de vaste fase heeft
een eigen vorm en een eigen volume. Het ijs op de sloot verandert niet
van vorm als je erop schaatst. Ook het volume verandert niet.
● Een stof in de vloeibare fase heeft geen eigen vorm, maar wel
een eigen volume. Als je limonade uit een fles in een glas
schenkt, neemt de limonade de vorm van het glas aan. Het
volume verandert hierbij niet.
● Een stof in de gasvormige fase heeft geen eigen vorm en ook
geen eigen volume. In een fasediagram zie je hoe de
temperatuur verloopt van een stof als je hem vanuit de vaste
toestand verwarmt.
Faseovergangen:
● s-l=smelten
● s-g=vervluchtigen
● l-g=verdampen
● l-s=stollen
● g-l=condenseren
● g-s=rijpen
Mengsels: w
● s+s= legering; alleen bij metalen. vb: brons, soldeer 1
● s+l= oplossing; helder 2 of suspensie; troebel (stukjes), kan bezinking komen maar
emulgator houdt dat tegen 3
● s+g=rook 4
● l+l= oplossing; helder 2 of emulsie, kan bezinking komen maar emulgator gaat dat
tegen 5
● l+g=nevel vb mist 6
● g+l= oplossing, helder 2 of schuim 7