1.1 In het periodiek systeem staan in de horizontale rijen de perioden
in de verticale kolommen staan de groepen.
Groep 1: alkalimetalen, erg reactief
Groep 2: aardalkalimetalen
Groep 17: halogenen, niet-metalen zijn erg reactief en schadelijk
Groep 18: edelgassen, reageren niet
Metalen bestaan uit metaalatomen, geleiden vast en vloeibaar stroom en zijn bij
kamertemperatuur vast (behalve kwik)
Moleculaire stoffen bestaan uit niet-metaalatomen (vaak ontleedbaar, geleiden geen stroom)
Zouten zijn opgebouwd uit metalen en niet-metalen (verbinding en dus ontleedbaar, vast bij
kamertemperatuur) geleiden vleoibaar of opgelost
1.2 Moleculen zijn altijd in beweging en trekken elkaar aan. Bij een reactie hergroeperen
atomen tot nieuwe moleculen. De atomen blijven daarbij behouden. Je kan elektronen vrij
maken uit een atoom, dan is de rest van het atoom positief geladen. In de kern zitten
protonen (atoomnummer en neutronen. In de elektronenwolk zweven de elektronen in de
KLMNOP-schillen, maximaal 2 in de K-schil, 8 in de L-schil en 18 in de M-schil.
Neutronen hebben dezelfde massa als protonen, maar hebben geen lading.
Isotopen zijn atomen met hetzelfde atoomnummer maar met een ander aantal neutronen en
dus een ander massagetal (protonen+neutronen)
Een proton en een neutron hebben elk een massa van 1 u. Een massa van 1 u is gelijk aan
1,66 · 10−27 kg. De massa van een elektron is ongeveer 1/2000 u
Moleculaire stoffen: Als twee atomen die allebei nog een elektron nodig hebben elkaar
naderen, gaan hun elektronenschillen overlappen.
Door deze overlap delen beide waterstofatomen hun twee elektronen. Beide atomen hebben
nu een volle binnenste schil; eenzelfde configuratie als het edelgas helium.
Er is een atoombinding of covalente binding ontstaan.
De atoombinding wordt gevormd door een gemeenschappelijk elektronenpaar, dat in dit
voorbeeld de positief geladen waterstofkernen bij elkaar houdt
Het aantal bindingen dat een atoom kan vormen, heet de covalentie.
in de verticale kolommen staan de groepen.
Groep 1: alkalimetalen, erg reactief
Groep 2: aardalkalimetalen
Groep 17: halogenen, niet-metalen zijn erg reactief en schadelijk
Groep 18: edelgassen, reageren niet
Metalen bestaan uit metaalatomen, geleiden vast en vloeibaar stroom en zijn bij
kamertemperatuur vast (behalve kwik)
Moleculaire stoffen bestaan uit niet-metaalatomen (vaak ontleedbaar, geleiden geen stroom)
Zouten zijn opgebouwd uit metalen en niet-metalen (verbinding en dus ontleedbaar, vast bij
kamertemperatuur) geleiden vleoibaar of opgelost
1.2 Moleculen zijn altijd in beweging en trekken elkaar aan. Bij een reactie hergroeperen
atomen tot nieuwe moleculen. De atomen blijven daarbij behouden. Je kan elektronen vrij
maken uit een atoom, dan is de rest van het atoom positief geladen. In de kern zitten
protonen (atoomnummer en neutronen. In de elektronenwolk zweven de elektronen in de
KLMNOP-schillen, maximaal 2 in de K-schil, 8 in de L-schil en 18 in de M-schil.
Neutronen hebben dezelfde massa als protonen, maar hebben geen lading.
Isotopen zijn atomen met hetzelfde atoomnummer maar met een ander aantal neutronen en
dus een ander massagetal (protonen+neutronen)
Een proton en een neutron hebben elk een massa van 1 u. Een massa van 1 u is gelijk aan
1,66 · 10−27 kg. De massa van een elektron is ongeveer 1/2000 u
Moleculaire stoffen: Als twee atomen die allebei nog een elektron nodig hebben elkaar
naderen, gaan hun elektronenschillen overlappen.
Door deze overlap delen beide waterstofatomen hun twee elektronen. Beide atomen hebben
nu een volle binnenste schil; eenzelfde configuratie als het edelgas helium.
Er is een atoombinding of covalente binding ontstaan.
De atoombinding wordt gevormd door een gemeenschappelijk elektronenpaar, dat in dit
voorbeeld de positief geladen waterstofkernen bij elkaar houdt
Het aantal bindingen dat een atoom kan vormen, heet de covalentie.