1.2 Het centrale economische probleem.
Alternatief aanwendbaar → GELD, TIJD, PRODUCTIEMIDDELEN
→ Voor verschillende doelen bruikbaar.
→ Kosten in de vorm van het niet gekozen alternatief.
Alternatieve kosten → gemiste opbrengsten. (Opportunity costs)
Welvaart
→ Alle goederen en diensten die in een land worden geproduceerd.
→ Bruto binnenlands product. (BBP)
Vrije goederen → Staan onbeperkt tot je beschikking.
→ Gebruik ervan brengt géén keuzeprobleem met zich mee.
1.3 Produceren en consumeren.
Productiefactoren → Productie middelen die nodig zijn voor productie (KANO)
Arbeid → Tijd en inspanning
Kapitaal → Geproduceerde middelen
Natuur → Lucht water grond- en delfstoffen
Ondernemerschap → Organisatie van productieproces
Primaire inkomen → loon, rente, huur en winst
Inkomen waar een tegenprestatie tegen over staat.
Economische orde → De manier waarop de afstemming van productie en
consumptie in een land is georganiseerd.
• Wie moet er produceren?
• Wat moet er geproduceerd worden?
• Hoe moet er geproduceerd worden?
• Waar vindt de productie plaats?
• Voor wie moet er geproduceerd worden?
Budgetmechanisme → overheid beslist welke goederen en diensten geproduceerd
worden, op welke manier de productie plaats vindt en tegen welke prijs.
Democratisch budgetmechanisme → Parlement en gemeenteraad stellen
productie vast.
Bureaucratisch budgetmechanisme → Staat bepaalt de productie.
→ Planeconomie → Noord-Korea
Marktmechanisme → Welke productie factoren voor welke goederen worden
gebruikt
→ Allocatie van productiefactoren → Het marktmechanisme bepaalt voor welke
goederen de productiefactoren worden gebruikt. Bij budgetmechanisme doet de
Overheid dit.
, 1.4 Economische wetenschappen.
Micro-economie
→ Hieronder verstaat men hoe consumenten en producerende bedrijven met
economische keuzeproblemen omgaan.
→ In de micro- economie zijn de kosten, alternatieve kosten
Meso-economie
→ Economische vraagstukken op bedrijfstakniveau.
Macro-economie
→ Economische vraagstukken van een land als een geheel.
H2. Vraag.
2.1 Vraagbepalende behoeftes
Individuele vraag → Vraag van een individuele vraag naar product.
Collectieve vraag → Vraag van alle consumenten gezamenlijk naar dat product.
Vraagbepalende factoren
→ Behoefte
→ Prijs en Product
→ Prijzen van andere goederen en diensten
→ Inkomen
Substitutie effect → Prijs van een (substitutie) product daalt, aantrekkelijker om het
vervangende product te nemen.
Inkomenseffect van de prijsverandering → De koopkracht daalt door prijsstijging.
2.2 Behoefte
Afgeleide vraag → de vraag naar producten
Behoeftes van mensen (In welvarende landen) gebaseerd op →
• Fysiologische factoren
• Psychologische factoren
• Sociaal culturele factoren
• Maatschappelijke trends
• Ethische aspecten
• Demografische factoren
Alternatief aanwendbaar → GELD, TIJD, PRODUCTIEMIDDELEN
→ Voor verschillende doelen bruikbaar.
→ Kosten in de vorm van het niet gekozen alternatief.
Alternatieve kosten → gemiste opbrengsten. (Opportunity costs)
Welvaart
→ Alle goederen en diensten die in een land worden geproduceerd.
→ Bruto binnenlands product. (BBP)
Vrije goederen → Staan onbeperkt tot je beschikking.
→ Gebruik ervan brengt géén keuzeprobleem met zich mee.
1.3 Produceren en consumeren.
Productiefactoren → Productie middelen die nodig zijn voor productie (KANO)
Arbeid → Tijd en inspanning
Kapitaal → Geproduceerde middelen
Natuur → Lucht water grond- en delfstoffen
Ondernemerschap → Organisatie van productieproces
Primaire inkomen → loon, rente, huur en winst
Inkomen waar een tegenprestatie tegen over staat.
Economische orde → De manier waarop de afstemming van productie en
consumptie in een land is georganiseerd.
• Wie moet er produceren?
• Wat moet er geproduceerd worden?
• Hoe moet er geproduceerd worden?
• Waar vindt de productie plaats?
• Voor wie moet er geproduceerd worden?
Budgetmechanisme → overheid beslist welke goederen en diensten geproduceerd
worden, op welke manier de productie plaats vindt en tegen welke prijs.
Democratisch budgetmechanisme → Parlement en gemeenteraad stellen
productie vast.
Bureaucratisch budgetmechanisme → Staat bepaalt de productie.
→ Planeconomie → Noord-Korea
Marktmechanisme → Welke productie factoren voor welke goederen worden
gebruikt
→ Allocatie van productiefactoren → Het marktmechanisme bepaalt voor welke
goederen de productiefactoren worden gebruikt. Bij budgetmechanisme doet de
Overheid dit.
, 1.4 Economische wetenschappen.
Micro-economie
→ Hieronder verstaat men hoe consumenten en producerende bedrijven met
economische keuzeproblemen omgaan.
→ In de micro- economie zijn de kosten, alternatieve kosten
Meso-economie
→ Economische vraagstukken op bedrijfstakniveau.
Macro-economie
→ Economische vraagstukken van een land als een geheel.
H2. Vraag.
2.1 Vraagbepalende behoeftes
Individuele vraag → Vraag van een individuele vraag naar product.
Collectieve vraag → Vraag van alle consumenten gezamenlijk naar dat product.
Vraagbepalende factoren
→ Behoefte
→ Prijs en Product
→ Prijzen van andere goederen en diensten
→ Inkomen
Substitutie effect → Prijs van een (substitutie) product daalt, aantrekkelijker om het
vervangende product te nemen.
Inkomenseffect van de prijsverandering → De koopkracht daalt door prijsstijging.
2.2 Behoefte
Afgeleide vraag → de vraag naar producten
Behoeftes van mensen (In welvarende landen) gebaseerd op →
• Fysiologische factoren
• Psychologische factoren
• Sociaal culturele factoren
• Maatschappelijke trends
• Ethische aspecten
• Demografische factoren