Les 1:
Overzicht Les 1:
o Introductie
➢ Definitie
➢ Basisthema’s
o Theoretische kaders (jaartallen niet)
o Prenatale periode
➢ Gedragsgenetica
➢ G-O/GxO
➢ Risicofactoren voor ontwikkeling
o Handboek
➢ Hoofdstuk 1 & 2
➢ Niet: 1.2.3.2-3, 1.3.3.2-3, 2.1.1-7, 2.2.3, 2.2.4, 2.3.1-3
Introductie:
Definitie:
Ontwikkelingspsychologie = wetenschappelijke studie van veranderingsprocessen en stabiliteit bij
individu(en) vanaf conceptie tot aan dood op verschillende domeinen in wisselwerking met omgeving
o wetenschappelijke studie o vanaf de conceptie tot aan de dood
o veranderingsprocessen en stabiliteit o op verschillende domeinen
o bij (een) individu(en) o in wisselwerking met de omgeving
Wetenschappelijke studie:
o Stellen van vragen
o Verklaring formuleren
o Onderzoek voeren dat ofwel de verklaring steunt ofwel verwerpt
Twee populaire types van onderzoek:
o Correlationeel
o Experimenteel
Correlationeel onderzoek:
o Er is een verband tussen 2 gebeurtenissen maar
NIET causaal, oorzakelijk
o Bv. Correlatie tussen het kijken van gewelddadige
programma’s en agressie →kan samenhangen
maar er kunnen ook andere verklaringen zijn
,Experimenteel onderzoek: (slide 15)
o Je gaat groepen/condities maken en gaat deze testen
o Bv: Nature versus nurture: welke mate beïnvloed genetica gedrag en welke mate opvoeding
➢ Meerlingen bij verschillende adoptiegezinnen plaatsen
➢ Three identical strangers (documentaire): identieke 3ling die geadopteerd zijn bij
geboorte en in arm, gemiddeld en rijk gezin geplaats = niet oke
o Stilstaan bij ethiek →Bv. Een controle groep geen zorg verlenen
Van conceptie tot dood:
o Verschillende levensfases
o Niet strikt gedefinieerd
➢ Culturele invloeden
Bvb. Overgangsrite naar volwassenheid, formele educatie
➢ Sociologische invloeden
Bvb. Meer instroom hoger onderwijs, economische situatie
o Op verschillende domeinen
o In wisselwerking met omgeving
➢ Zie verder nature-nurture, bio ecologisch model
Basisthema’s:
o Continu of discontinu? (elke dag beetje meer of bv in 1 week opeens meer)
➢ continu: graduele toename van zelfde soort vaardigheid – kwantitatieve verandering
(= iets meer maar niets anders, bv kind loopt 5m vandaag en morgen 10)
➢ discontinu: verschillende stadia met verschillende specifieke kenmerken –
kwalitatieve verandering (= iets anders, bv: kind loopt niet vandaag en morgen wel)
o Universeel of individueel? (wat allemaal of wat verschillend, bv: start wandelen peuter)
➢ universeel: kritieke/gevoelige perioden
➢ individueel: verschillende contexten
o Nature-Nurture debat
➢ Genetische en/of omgevingsinvloeden
Universeel versus individueel:
, o Kritieke/gevoelige periode
➢ Iedereen neemt dezelfde stappen op ongeveer dezelfde moment
➢ Eén bepaald moment is uitermate geschikt voor het leren van een vaardigheid
Bvb. Taal in de periode tussen 0 en 6/7 jaar
o Unieke combinaties van genen en omgeving
→Individuele paden van ontwikkeling met gemeenschappelijke trends
Nature-Nurture:
o Nature: o Nurture
➢ Aangeboren, biologische predisposities ➢ Fysische en sociale wereld
➢ Gebaseerd op genetische overdracht ➢ Beïnvloedt biologische en psychologische
ontwikkeling
Nature EN nurture bepalen levensloop
Theoretische kaders:
Psychoanalytische theorie:
Sigmund Freud (1856-1939): veel in het onderbewuste (slide 24)
o Onderbewustzijn heeft grote invloed persoonlijkheid en gedrag
➢ Freudiaanse verspreking
➢ “Ik wil iedereen graag welkom heten en verklaar bij deze de vergadering dan ook
gesloten…’
eros = drift leven, thanatos =
drift sterven →Es is niet
gecontroleerd
wat is goed, wat is slecht
o Psychoseksuele ontwikkeling
➢ Als er te weinig/veel bevrediging is tijdens een bepaalde fase
→Fixatie
o Bvb. Te weinig/veel bevrediging tijdens orale fase
→ Roken op latere leeftijd
orale: baby’s steken alles in hun mond
anale: potjestraining, pipi ophouden
fallisch: onderscheid jongen en meisje leren
latentie: gebeurt niet veel naar seksuele organen
genitaal: puberteit en hormonale veranderingen →Freud: hierna volledig
ontwikkeld
→idee was dat fases bevredigt moesten worden en als er iets misliep ging
dit later voor problemen zorgen
, Psychosociale theorie:
Erik Erikson (1902-1994): mens ontwikkelde door conflicten die sociale aard hadden
o Nadruk op sociale interactie
➢ Samenleving en cultuur
beïnvloeden ons
o Verdere ontwikkeling na de
adolescentie
➢ Itt psychoanalytische theorie
o 8 ontwikkelingstaken
➢ 8 ‘conflicten’ die opgelost
moeten worden
➢ Nooit volledig opgelost
Behaviorisme:
John Watson (1878-1958): iemand is leeg blad en wordt gevormd door alles wat je tegen komt
o Inspiratie bij Pavlov(‘s hond)
➢ klassieke conditionering
o Behaviorisme: ontwikkeling kan begrepen worden in termen van observeerbaar gedrag en
externe stimuli die dit gedrag uitlokken
➢ Geen levensfases
➢ Kwantitatieve ontwikkeling
o bvb. Little albert: baby onderzoek: bij wit dekentje gingen ze luid lawaai maken, hij kreeg erna
ook schrik als hij konijn zag of de sint door zijn baard
o Klassieke conditionering verklaart geen actief gedrag
➢ Eerder reacties
➢ Automatisch gedrag
o Operante conditionering
➢ B.F. skinner
➢ Gedrag aanleren door straf en beloning
➢ Individu nog steeds passief
➢ Stimulus → gedrag
o Gedrag dat aangeleerd is, kan ook afgeleerd worden
➢ Basis voor gedragsmodificatie
Slide 34: duiven leren pingpongen met deze theorie
Sociaal-cognitieve leertheorie:
Albert Bandura (1925-2021): hoe ontwikkeld cognitieve/denkvermogen + leren dmv sociale interactie
Slide 36: groep apen werd een ladder gezet met bananen maar er werd altijd water over hen gegooid.
Dit deden ze 1 per 1 en de latere apen hadden geleerd van de andere en deden het niet meer
o Leren is gevolg van observatie →‘modelling’ = nadoen
➢ Niet trial and error
➢ Niet nodig om gevolgen te ervaren
o Gedrag