psychologie VUB (eerste bachelor) - Roos Van Hoof
INTRODUCTIE
ontwikkelingspsychologie= wetenschappelijke studie van de veranderingsprocessen &
stabiliteit bij (een) individu(en) vanaf de conceptie tot aan de dood op verschillende
domeinen (fysiek, cognitief, socio-emotioneel) in wisselwerking met de omgeving
onderzoekstypes
1. correlationeel = 2 zaken kunnen samenhangen, maar daarom niet elkaar veroorzaken
↪ vb: correlatie tussen kijken van gewelddadige programma's & agressie
2. experimenteel = onderzoekers grijpen in bij situatie (nature vs nurture, stilstaan bij ethiek)
↪ vb: drieling bij geboorte in verschillende adoptiegezinnen -> verandering door omgeving?
van conceptie (= bevruchting) tot dood
-DNA & invloeden vastgelegd in prenatale periode
-verschillende levensfases kunnen divers zijn, niet strikt gedefinieerd (regels, pubertijd)
↪ door culturele & sociologische invloeden
levensfases (door Erikson)
-nu opsplitsing: late volwassenheid = actieve 60-plussers + echte bejaarden
-verschillende domeinen: fysiek, cognitief, socio-emotioneel & wisselwerking met omgeving
prenatale periode conceptie - geboorte adolescentie 12 - 18 j
babytijd 0 - 18 m emerging adulthood 18 - 25 j
peutertijd 18 m - 2,5/3 j vroege volwassenheid 18 - 30 j
kleutertijd 2,5/3 - 6 j volwassenheid 30 - 60 j
kindertijd 6 - 12 j laat volwassenheid 60 +
basisthema’s
-continu= graduele toename van vaardigheid, geleidelijk/vloeiend/langzaam proces (◿)
-discontinu= verschillende stadia met verschillende fases, stapsgewijs met sprongen ( )
-universeel= voor iedereen hetzelfde
↪ kritieke periode= iedereen neemt dezelfde stappen op zelfde moment, anders niet
↪ gevoelige periode= bepaald moment geschikt voor leren van vaardigheid, anders ook
-individueel= verschilt van persoon tot persoon (unieke combinaties genen & omgeving)
🧬
🏡
-nature = genetische invloeden (aangeboren, biologisch)
-nurture = omgevingsinvloeden (fysische & sociale wereld, beïnvloedt ontwikkeling)
↪ nature + nurture = levensloop
, psychologie VUB (eerste bachelor) - Roos Van Hoof
THEORETISCHE KADERS (ontwikkelingen)
PSYCHOANALYTISCHE THEORIE - SIGMUND FREUD
-onderbewustzijn staat centraal (heeft grote invloed op persoonlijkheid & gedrag)
↪ freudiaanse verspreking (perongeluk anders uitdrukken dan bedoeld -> onthult gedachte)
kerncomponenten structuur persoonlijkheid:
1. es (id) -onbewust, vanaf geboorte
-instincten & verlangens (lustprincipe = geen rekening met realiteit)
↪ eros: levensinstinct (overleving, voortplanting, genot)
↪ thanatos: doodsinstinct (agressie, (zelf)destructieve neigingen)
vb: baby heeft honger en moet direct eten
2. ich (ego) -bewust, vroeg in babytijd
-rationaal deel van persoonlijkheid/psyche (realiteitsprincipe)
-kanaliseert impulsen van ‘es’ op realistische/aanvaardbare manier
vb: baby heeft honger maar kan wachten tot die thuis is
3. über-ich -het geweten, tussen 3 - 6j (streven naar perfectie & moraal)
(super-ego) -aangeleerd door interacties met ouders
vb: kind weet dat die geen koek mag pakken zonder vragen
-psychoseksuele ontwikkeling: bij te weinig/veel bevrediging tijdens fase => fixatie
-te veel problemen tijdens fases, problemen voor later => fixatie (voorbeelden niet kennen)
orale fase (0 - 1j) zuigen, bijten, eten, borstvoeding → roken
anale fase (1 - 3j) zindelijk worden, controle → ordelijk/rommelig
fallisch (3 - 6j) bewustwording verschillen meisje & jongen → superego
latentie (6 - 11j) seksuele energie is onderdrukt → weinig seksuele conflicten
genitaal (12 - …) zoeken naar intimiteit/liefde → moeilijke relaties/zelfexpressie
PSYCHOSOCIALE THEORIE - ERIK ERIKSON (!!)
-nadruk op sociale interactie (invloed door samenleving & cultuur)
-verdere ontwikkeling na adolescentie (<-> psychoanalytische theorie)
-8 ontwikkelingstaken (conflicten nooit opgelost)
, psychologie VUB (eerste bachelor) - Roos Van Hoof
1. baby (0 - 1j) basis vertrouwen/wantrouwen (weten dat er een steun is)
↪ eten krijgen wanneer honger
2. peuter (1 - 3j) autonomie vs schaamte/twijfel
↪ zelf kleren kiezen -> strenge ouders/geen steun => schaamte
3. kleuter (3 - 6j) initiatief vs schuld (durven experimenteren)
↪ verzint zelf een spel -> afwijzing => schuldgevoel
4. kind (6 - 11j) vlijt vs minderwaardigheid (goed willen worden in iets)
↪ succes bij sport -> bekritiseerd => minderwaardig gevoel
5. adolescentie (12 - 18j) identiteit vs identiteitsverwarring (zoeken naar jezelf)
↪ nieuwe hobby’s/stijl -> tegengehouden => rolverwarring
6. jonge volw. (18 - 30j) intimiteit vs isolement (vb: weten wie je bent)
↪ lange relatie => intimiteit, veel afstand => isolement
7. volwassenh. (30 - 60j) scheppend (kinderen opvoeden) vs stagnatie (egoïstisch)
8. ouderdom (60 +) ik-integriteit vs wanhoop (reflecteren op leven)
↪ acceptatie => integriteit, spijt => wanhoop
BEHAVIORISME - JOHN WATSON
= kwantitatieve ontwikkeling op basis van observeerbaar gedrag, minder op sociaal vlak
↪ geen levensfases, gedrag wordt gevormd door allerlei interacties => kwantitatief
-blanco blad -> externe stimuli/prikkels -> reactie/gedrag -> ontwikkelen tot bepaald persoon
↪ passieve rol van individu, omgeving staat centraal
-gedrag dat aangeleerd is, kan afgeleerd worden (basis voor gedragsmodificatie)
-klassieke conditionering: automatisch gedrag, geen controle (vb. hond van Pavlov)
-operante conditionering: gedrag aanleren door straf & beloning, controle (vb. B F skinner)
SOCIAAL-COGNITIEVE LEERTHEORIE - ALBERT BANDURA
-modelling = leren is gevolg van observatie, gedrag nabootsen of imiteren
↪ zonder trial & error (niet zelf uitproberen of zelf fouten maken)
↪ niet nodig om gevolgen te ervaren (gevolgen bij anderen zien & eigen gedrag aanpassen)
↪ experiment: monkey stepladder: groep apen zit in kooi met ladder & bananen → apen
leren ladder niet beklimmen door straf, nieuwe apen volgen regel zonder te weten waarom
observatie → herinneren → imiteren → accuraat herhalen → motivatie (uitvoeren of niet?)
-sociaal: bron van leren is andere mensen in sociale context (omgeving staat centraal)
-cognitief: vaardigheden nodig, actieve rol van individu
COGNITIEVE LEERTHEORIE - JEAN PIAGET (!!)
-cognitieve processen staan centraal
-cognitieve ontwikkeling in 4 fases → werken toe naar abstract denken
, psychologie VUB (eerste bachelor) - Roos Van Hoof
sensori-motorisch (0-2) -wereld leren kennen via zintuigen & bewegingen
-coördinatie van zintuigen door motorische responsen
-sensorische nieuwsgierigheid (dingen verkennen)
-taal wordt gebruikt voor vragen & categorisering (“bal”)
-objectpermanentie wordt ontwikkeld= inzicht dat object blijft
bestaan, ookal niet direct waarneembaar (zoeken naar bal)
pre-operationeel (2-7) -symbolisch denken, verbeelding, intuïtie (nog niet abstract)
-correct taalgebruik om concepten te benoemen
-ontwikkeling van conservatie (hoeveelheid blijft hetzelfde)
↪ bij laag breed en hoog dun glas beginnen nadenken dat het
eigenlijk hetzelfde is (anders denken dat hoge meer is)
concreet operationeel (7-11) -concepten worden begrepen in concrete situaties
↪ wat ze zelf kunnen zien/aanraken/voorstellen
-tijd, ruimte & hoeveelheid worden begrepen & toegepast
↪ nog niet in abstracte concepten (= niet waarneembaar)
formeel operationeel (11+) -theoretisch, hypothetisch & voorwaardelijk denken
-mogelijkheid tot abstract & logisch redeneren
-plannen & vooruitdenken wordt mogelijk (strategie)
-kennis & ideeën kunnen toepassen in nieuwe situaties
HUMANISTISCH PERSPECTIEF - CARL ROGERS
-unieke menselijke kwaliteiten & vrije wil staan centraal
-self-actualization is doel in leven (piramide van Maslow)
↪ toestand van ‘zelf vervulling’ door optimaal benutten van
eigen potentieel
↪ piramide later in vraag gesteld
CONTEXTUEEL PERSPECTIEF - URIE BRONFENBRENNER
bio-ecologisch model (moet begrepen zijn om
individu te kunnen begrijpen)
↪ individu: staat centraal
↪ microsysteem: interacties van kind met onmiddelijke
omgeving (vb: mensen die dichtbij staan)
↪ mesosysteem: interacties tussen microsystemen die
elkaar beinvloeden (vb: thuis, school, buurt)
↪ exosysteem: sociale situaties waartoe kind zelf niet
behoort (vb: job ouders)
↪ macrosysteem: culturele waarden & wetten (vb: land
waar je bent opgegroeid, sociale media)
↪ chronosysteem: veranderingen van omgeving
SOCIOCULTURELE THEORIE - LEV VYGOTSKY
= ontwikkeling ontstaat door interactie tussen kind & omgeving
↪ niet individu, niet biologische factoren
INTRODUCTIE
ontwikkelingspsychologie= wetenschappelijke studie van de veranderingsprocessen &
stabiliteit bij (een) individu(en) vanaf de conceptie tot aan de dood op verschillende
domeinen (fysiek, cognitief, socio-emotioneel) in wisselwerking met de omgeving
onderzoekstypes
1. correlationeel = 2 zaken kunnen samenhangen, maar daarom niet elkaar veroorzaken
↪ vb: correlatie tussen kijken van gewelddadige programma's & agressie
2. experimenteel = onderzoekers grijpen in bij situatie (nature vs nurture, stilstaan bij ethiek)
↪ vb: drieling bij geboorte in verschillende adoptiegezinnen -> verandering door omgeving?
van conceptie (= bevruchting) tot dood
-DNA & invloeden vastgelegd in prenatale periode
-verschillende levensfases kunnen divers zijn, niet strikt gedefinieerd (regels, pubertijd)
↪ door culturele & sociologische invloeden
levensfases (door Erikson)
-nu opsplitsing: late volwassenheid = actieve 60-plussers + echte bejaarden
-verschillende domeinen: fysiek, cognitief, socio-emotioneel & wisselwerking met omgeving
prenatale periode conceptie - geboorte adolescentie 12 - 18 j
babytijd 0 - 18 m emerging adulthood 18 - 25 j
peutertijd 18 m - 2,5/3 j vroege volwassenheid 18 - 30 j
kleutertijd 2,5/3 - 6 j volwassenheid 30 - 60 j
kindertijd 6 - 12 j laat volwassenheid 60 +
basisthema’s
-continu= graduele toename van vaardigheid, geleidelijk/vloeiend/langzaam proces (◿)
-discontinu= verschillende stadia met verschillende fases, stapsgewijs met sprongen ( )
-universeel= voor iedereen hetzelfde
↪ kritieke periode= iedereen neemt dezelfde stappen op zelfde moment, anders niet
↪ gevoelige periode= bepaald moment geschikt voor leren van vaardigheid, anders ook
-individueel= verschilt van persoon tot persoon (unieke combinaties genen & omgeving)
🧬
🏡
-nature = genetische invloeden (aangeboren, biologisch)
-nurture = omgevingsinvloeden (fysische & sociale wereld, beïnvloedt ontwikkeling)
↪ nature + nurture = levensloop
, psychologie VUB (eerste bachelor) - Roos Van Hoof
THEORETISCHE KADERS (ontwikkelingen)
PSYCHOANALYTISCHE THEORIE - SIGMUND FREUD
-onderbewustzijn staat centraal (heeft grote invloed op persoonlijkheid & gedrag)
↪ freudiaanse verspreking (perongeluk anders uitdrukken dan bedoeld -> onthult gedachte)
kerncomponenten structuur persoonlijkheid:
1. es (id) -onbewust, vanaf geboorte
-instincten & verlangens (lustprincipe = geen rekening met realiteit)
↪ eros: levensinstinct (overleving, voortplanting, genot)
↪ thanatos: doodsinstinct (agressie, (zelf)destructieve neigingen)
vb: baby heeft honger en moet direct eten
2. ich (ego) -bewust, vroeg in babytijd
-rationaal deel van persoonlijkheid/psyche (realiteitsprincipe)
-kanaliseert impulsen van ‘es’ op realistische/aanvaardbare manier
vb: baby heeft honger maar kan wachten tot die thuis is
3. über-ich -het geweten, tussen 3 - 6j (streven naar perfectie & moraal)
(super-ego) -aangeleerd door interacties met ouders
vb: kind weet dat die geen koek mag pakken zonder vragen
-psychoseksuele ontwikkeling: bij te weinig/veel bevrediging tijdens fase => fixatie
-te veel problemen tijdens fases, problemen voor later => fixatie (voorbeelden niet kennen)
orale fase (0 - 1j) zuigen, bijten, eten, borstvoeding → roken
anale fase (1 - 3j) zindelijk worden, controle → ordelijk/rommelig
fallisch (3 - 6j) bewustwording verschillen meisje & jongen → superego
latentie (6 - 11j) seksuele energie is onderdrukt → weinig seksuele conflicten
genitaal (12 - …) zoeken naar intimiteit/liefde → moeilijke relaties/zelfexpressie
PSYCHOSOCIALE THEORIE - ERIK ERIKSON (!!)
-nadruk op sociale interactie (invloed door samenleving & cultuur)
-verdere ontwikkeling na adolescentie (<-> psychoanalytische theorie)
-8 ontwikkelingstaken (conflicten nooit opgelost)
, psychologie VUB (eerste bachelor) - Roos Van Hoof
1. baby (0 - 1j) basis vertrouwen/wantrouwen (weten dat er een steun is)
↪ eten krijgen wanneer honger
2. peuter (1 - 3j) autonomie vs schaamte/twijfel
↪ zelf kleren kiezen -> strenge ouders/geen steun => schaamte
3. kleuter (3 - 6j) initiatief vs schuld (durven experimenteren)
↪ verzint zelf een spel -> afwijzing => schuldgevoel
4. kind (6 - 11j) vlijt vs minderwaardigheid (goed willen worden in iets)
↪ succes bij sport -> bekritiseerd => minderwaardig gevoel
5. adolescentie (12 - 18j) identiteit vs identiteitsverwarring (zoeken naar jezelf)
↪ nieuwe hobby’s/stijl -> tegengehouden => rolverwarring
6. jonge volw. (18 - 30j) intimiteit vs isolement (vb: weten wie je bent)
↪ lange relatie => intimiteit, veel afstand => isolement
7. volwassenh. (30 - 60j) scheppend (kinderen opvoeden) vs stagnatie (egoïstisch)
8. ouderdom (60 +) ik-integriteit vs wanhoop (reflecteren op leven)
↪ acceptatie => integriteit, spijt => wanhoop
BEHAVIORISME - JOHN WATSON
= kwantitatieve ontwikkeling op basis van observeerbaar gedrag, minder op sociaal vlak
↪ geen levensfases, gedrag wordt gevormd door allerlei interacties => kwantitatief
-blanco blad -> externe stimuli/prikkels -> reactie/gedrag -> ontwikkelen tot bepaald persoon
↪ passieve rol van individu, omgeving staat centraal
-gedrag dat aangeleerd is, kan afgeleerd worden (basis voor gedragsmodificatie)
-klassieke conditionering: automatisch gedrag, geen controle (vb. hond van Pavlov)
-operante conditionering: gedrag aanleren door straf & beloning, controle (vb. B F skinner)
SOCIAAL-COGNITIEVE LEERTHEORIE - ALBERT BANDURA
-modelling = leren is gevolg van observatie, gedrag nabootsen of imiteren
↪ zonder trial & error (niet zelf uitproberen of zelf fouten maken)
↪ niet nodig om gevolgen te ervaren (gevolgen bij anderen zien & eigen gedrag aanpassen)
↪ experiment: monkey stepladder: groep apen zit in kooi met ladder & bananen → apen
leren ladder niet beklimmen door straf, nieuwe apen volgen regel zonder te weten waarom
observatie → herinneren → imiteren → accuraat herhalen → motivatie (uitvoeren of niet?)
-sociaal: bron van leren is andere mensen in sociale context (omgeving staat centraal)
-cognitief: vaardigheden nodig, actieve rol van individu
COGNITIEVE LEERTHEORIE - JEAN PIAGET (!!)
-cognitieve processen staan centraal
-cognitieve ontwikkeling in 4 fases → werken toe naar abstract denken
, psychologie VUB (eerste bachelor) - Roos Van Hoof
sensori-motorisch (0-2) -wereld leren kennen via zintuigen & bewegingen
-coördinatie van zintuigen door motorische responsen
-sensorische nieuwsgierigheid (dingen verkennen)
-taal wordt gebruikt voor vragen & categorisering (“bal”)
-objectpermanentie wordt ontwikkeld= inzicht dat object blijft
bestaan, ookal niet direct waarneembaar (zoeken naar bal)
pre-operationeel (2-7) -symbolisch denken, verbeelding, intuïtie (nog niet abstract)
-correct taalgebruik om concepten te benoemen
-ontwikkeling van conservatie (hoeveelheid blijft hetzelfde)
↪ bij laag breed en hoog dun glas beginnen nadenken dat het
eigenlijk hetzelfde is (anders denken dat hoge meer is)
concreet operationeel (7-11) -concepten worden begrepen in concrete situaties
↪ wat ze zelf kunnen zien/aanraken/voorstellen
-tijd, ruimte & hoeveelheid worden begrepen & toegepast
↪ nog niet in abstracte concepten (= niet waarneembaar)
formeel operationeel (11+) -theoretisch, hypothetisch & voorwaardelijk denken
-mogelijkheid tot abstract & logisch redeneren
-plannen & vooruitdenken wordt mogelijk (strategie)
-kennis & ideeën kunnen toepassen in nieuwe situaties
HUMANISTISCH PERSPECTIEF - CARL ROGERS
-unieke menselijke kwaliteiten & vrije wil staan centraal
-self-actualization is doel in leven (piramide van Maslow)
↪ toestand van ‘zelf vervulling’ door optimaal benutten van
eigen potentieel
↪ piramide later in vraag gesteld
CONTEXTUEEL PERSPECTIEF - URIE BRONFENBRENNER
bio-ecologisch model (moet begrepen zijn om
individu te kunnen begrijpen)
↪ individu: staat centraal
↪ microsysteem: interacties van kind met onmiddelijke
omgeving (vb: mensen die dichtbij staan)
↪ mesosysteem: interacties tussen microsystemen die
elkaar beinvloeden (vb: thuis, school, buurt)
↪ exosysteem: sociale situaties waartoe kind zelf niet
behoort (vb: job ouders)
↪ macrosysteem: culturele waarden & wetten (vb: land
waar je bent opgegroeid, sociale media)
↪ chronosysteem: veranderingen van omgeving
SOCIOCULTURELE THEORIE - LEV VYGOTSKY
= ontwikkeling ontstaat door interactie tussen kind & omgeving
↪ niet individu, niet biologische factoren