Hoofd- en bijzaken en kernzinnen
Hoofdzaken: belangrijkste informatie in een tekst.
Bijzaken: minder belangrijke informatie in een tekst.
Voorkeursplaatsen: inleiding en slot.
De hoofdzaak staat vaak in de kernzin. Een kernzin is meestal de
eerste zin van een alinea en soms de laatste. De kernzin kan ook de
tweede zin zijn.
Na de zin van de kernzin staat een voorbeeld of een uitleg.
Als er geen kernzin in een alinea staat moet je zelf een hoofdzaak
bepalen.
Als je een tekst moet onthouden: hoofdzaken in een schema of
samenvatting zetten.
Schema maken:
1. Hoofdzaken onderstrepen, daarbij letten op voorkeursplaatsen:
inleiding, slot en kernzinnen. Ook opvallend gedrukte woorden.
2. Noteer de belangrijkste informatie. Opsommende voorbeelden
aangeven met nummers.
Samenvatting maken:
1. Hoofdzaken onderstrepen, daarbij letten op voorkeursplaatsen:
inleiding, slot en kernzinnen. Ook opvallend gedrukte woorden.
2. Neem kernzinnen en hoofdzaken over.
Het onderwerp van een tekst
Onderwerp: waar een tekst over gaat. Je kunt met 1 of een paar woorden
zeggen wat het onderwerp is. Om het onderwerp te vinden lees je de
tekst oriënterend.
Oriënterend lezen:
1. Kijk naar de titel.
2. Kijk naar de illustraties.
3. Kijk naar eventuele tussenkopjes.
4. Let op anders gedrukte woorden.
5. Lees de eerste alinea (inleiding).
Inleiding, middenstuk en slot van een tekst
Inleiding: hier wordt duidelijk gemaakt waar een tekst over gaat. Het
gebeurt vaak met een verhaaltje, een voorbeeld of een bijzondere
situatie.
Hoofdzaken: belangrijkste informatie in een tekst.
Bijzaken: minder belangrijke informatie in een tekst.
Voorkeursplaatsen: inleiding en slot.
De hoofdzaak staat vaak in de kernzin. Een kernzin is meestal de
eerste zin van een alinea en soms de laatste. De kernzin kan ook de
tweede zin zijn.
Na de zin van de kernzin staat een voorbeeld of een uitleg.
Als er geen kernzin in een alinea staat moet je zelf een hoofdzaak
bepalen.
Als je een tekst moet onthouden: hoofdzaken in een schema of
samenvatting zetten.
Schema maken:
1. Hoofdzaken onderstrepen, daarbij letten op voorkeursplaatsen:
inleiding, slot en kernzinnen. Ook opvallend gedrukte woorden.
2. Noteer de belangrijkste informatie. Opsommende voorbeelden
aangeven met nummers.
Samenvatting maken:
1. Hoofdzaken onderstrepen, daarbij letten op voorkeursplaatsen:
inleiding, slot en kernzinnen. Ook opvallend gedrukte woorden.
2. Neem kernzinnen en hoofdzaken over.
Het onderwerp van een tekst
Onderwerp: waar een tekst over gaat. Je kunt met 1 of een paar woorden
zeggen wat het onderwerp is. Om het onderwerp te vinden lees je de
tekst oriënterend.
Oriënterend lezen:
1. Kijk naar de titel.
2. Kijk naar de illustraties.
3. Kijk naar eventuele tussenkopjes.
4. Let op anders gedrukte woorden.
5. Lees de eerste alinea (inleiding).
Inleiding, middenstuk en slot van een tekst
Inleiding: hier wordt duidelijk gemaakt waar een tekst over gaat. Het
gebeurt vaak met een verhaaltje, een voorbeeld of een bijzondere
situatie.