Verpleegkundige methodiek en vaardigheden DEEL 2
HOOFDSTUK 1 PARAMETERS
Niet vitale parameters: andere klinische kenmerken die gemeten
worden (glycemie,huidskleur,gewicht,lengte, omtrekkingen)
Vitale parameters: (def)
1. info over vitale functies die betrekking hebben tot levensreddend
handelen BLS. (uitval/ stoornissen bij functies leidt tot
levensbedreigende situatie)
2. klinische situatie: functies die door CZS worden gereguleers en van
essentieel belang zijn voor functioneren vh lichaam
5 VITALE PM: bloedcirculatie (pols,BD,), bewustzijn, ademhaling,
lichaamstemp, (pijn)
2.1 Factoren die invloed hebben op vitale parameters, metingen
o Leeftijd
o Geslacht
o Etniciteit
o Geneesmiddelen
o Pijn
o Circadiaans ritme
2.2 indicatie voor het meten vd vitale parameters
- uitgangswaarden
- Verandering in gzhtoestand/klachten
- Voorafgaand onderzoek/ingreep
- Bep medicatie, bep vpk handelingen
- Ontslag/overname
2.3 Ademhaling
- Normale ademhaling
Frequentie: 9–14/min (volwassene)
Regelmatig
Even diep in- en uitademen
Geen inspanning, geen geluiden
Kinderen/baby’s hebben snellere AH
,2.3.2 Factoren met invloed op ademhaling
1. Persoonlijk (koorts, pijn, emoties, conditie)
2. Omgeving (temperatuur, luchtkwaliteit)
3. Lichamelijke en psychische toestand
2.3.3 Afwijkende ademhaling (inhoud uit syllabus)
Tachypneu, bradypneu: versnelde ademhaling/vertraagde
ademhaling
Apneu: ademhalingsstilstand
Cheyne–Stokes, Kussmaul
Cyanose
Hypoventilatie: onvoldoende ademhaling met tekort aan 02 ih bloed
Hyperventilatie: te snelle en diepe ademhaling als gevolg van
spanning/hevige emoties
Snurkende ademhaling
Piepende ademhaling
2.3.4 Gegevens verzamelen
- Waarom?: beeld krijgen vd wijze waarop zv ademhaling zorgt/doet
- Inzicht krijgen un invloed vd ademhaling op andere activiteiten
- Vpkproblemen vaststellen op gebied van ademhaling
Anamnese: benauwdheid, hoesten, pijn, sputum
Observatie: thoraxexcursies, ritme, frequentie, diepte
Sputum observatie: kleur, hoeveelheid, viscositeit, geur
2.3.6 Technieken & technische onderzoeken
Meten: frequentie tellen, observatie
Pulse-oxymetrie (transcutane zuurstofsaturatiemeting):
saturatie (SpO₂): 95-100% parameter voor binding van zuurstof
aan hemoglobine= % dat verzadigd is met zuustof
- Factoren die onderzoek beinvloeden:
o Leeftijd
o Aandoeningen
o Conditie huid
o IV contrastof
o Lichtinval
o bewegingsartefacten
2.3.7 Verpleegkundige interventies
Ademhaling optimaliseren
Luchtweg vrijmaken
, Kussen in hoogzitten / orthopnoe-houding
Preventie hypostatische pneumonie & atelectase (mobiliseren!)
2.4 De Pols
2.4.3 Belang van polscontrole
1. informatie omrent hartwerking & circulatie
2. hulp diagnosestelling door geneesheer
3. Controle bij behandeling ziekte
4. volgen evolutie behandeling
2.4.4 Wat observeer je?
Frequentie: normaal ± 60–100/min, tachycardie,bradycaride
=> kan schommelen door: leeftijd, geslacht, rust/inspanning, spijsvertering,emoties
Ritme: regelmatig of onregelmatig
Slagvolume / kracht: zwak – krachtig
Symmetrie: links-rechts vergelijken
2.4.5.3 Plaatsen waar je pols kan voelen
1) Aan de slapen (arterie temporalis)
2) In de hals (a.carotis)
3) In de arm (a.brachialis)
4) Aan de pols (a.radialis)
5) In de lies (a.femoralis)
6) In de knieholte (a.poplitea)
7) Op de voetrug (a. dorsalis pedis)
8) Aan het onderbeen (a.tibialis posterior)
2.4.5.4 Meten van de pols
15 sec × 4 → bij normale pols
30–60 sec bij onregelmatige pols, kinderen
Vingertoppen gebruiken
Resultaten registreren en afwijkingen rapporteren
Wanneer? Bij voorschrift, flauwte, bewusteloosheid, voor,tijden/na ingreep
2.5 Bloeddruk (arteriële druk)
cursus
2.5.1 bepaling
druk die nodig is om bloed door het lichaam te stuwen
HOOFDSTUK 1 PARAMETERS
Niet vitale parameters: andere klinische kenmerken die gemeten
worden (glycemie,huidskleur,gewicht,lengte, omtrekkingen)
Vitale parameters: (def)
1. info over vitale functies die betrekking hebben tot levensreddend
handelen BLS. (uitval/ stoornissen bij functies leidt tot
levensbedreigende situatie)
2. klinische situatie: functies die door CZS worden gereguleers en van
essentieel belang zijn voor functioneren vh lichaam
5 VITALE PM: bloedcirculatie (pols,BD,), bewustzijn, ademhaling,
lichaamstemp, (pijn)
2.1 Factoren die invloed hebben op vitale parameters, metingen
o Leeftijd
o Geslacht
o Etniciteit
o Geneesmiddelen
o Pijn
o Circadiaans ritme
2.2 indicatie voor het meten vd vitale parameters
- uitgangswaarden
- Verandering in gzhtoestand/klachten
- Voorafgaand onderzoek/ingreep
- Bep medicatie, bep vpk handelingen
- Ontslag/overname
2.3 Ademhaling
- Normale ademhaling
Frequentie: 9–14/min (volwassene)
Regelmatig
Even diep in- en uitademen
Geen inspanning, geen geluiden
Kinderen/baby’s hebben snellere AH
,2.3.2 Factoren met invloed op ademhaling
1. Persoonlijk (koorts, pijn, emoties, conditie)
2. Omgeving (temperatuur, luchtkwaliteit)
3. Lichamelijke en psychische toestand
2.3.3 Afwijkende ademhaling (inhoud uit syllabus)
Tachypneu, bradypneu: versnelde ademhaling/vertraagde
ademhaling
Apneu: ademhalingsstilstand
Cheyne–Stokes, Kussmaul
Cyanose
Hypoventilatie: onvoldoende ademhaling met tekort aan 02 ih bloed
Hyperventilatie: te snelle en diepe ademhaling als gevolg van
spanning/hevige emoties
Snurkende ademhaling
Piepende ademhaling
2.3.4 Gegevens verzamelen
- Waarom?: beeld krijgen vd wijze waarop zv ademhaling zorgt/doet
- Inzicht krijgen un invloed vd ademhaling op andere activiteiten
- Vpkproblemen vaststellen op gebied van ademhaling
Anamnese: benauwdheid, hoesten, pijn, sputum
Observatie: thoraxexcursies, ritme, frequentie, diepte
Sputum observatie: kleur, hoeveelheid, viscositeit, geur
2.3.6 Technieken & technische onderzoeken
Meten: frequentie tellen, observatie
Pulse-oxymetrie (transcutane zuurstofsaturatiemeting):
saturatie (SpO₂): 95-100% parameter voor binding van zuurstof
aan hemoglobine= % dat verzadigd is met zuustof
- Factoren die onderzoek beinvloeden:
o Leeftijd
o Aandoeningen
o Conditie huid
o IV contrastof
o Lichtinval
o bewegingsartefacten
2.3.7 Verpleegkundige interventies
Ademhaling optimaliseren
Luchtweg vrijmaken
, Kussen in hoogzitten / orthopnoe-houding
Preventie hypostatische pneumonie & atelectase (mobiliseren!)
2.4 De Pols
2.4.3 Belang van polscontrole
1. informatie omrent hartwerking & circulatie
2. hulp diagnosestelling door geneesheer
3. Controle bij behandeling ziekte
4. volgen evolutie behandeling
2.4.4 Wat observeer je?
Frequentie: normaal ± 60–100/min, tachycardie,bradycaride
=> kan schommelen door: leeftijd, geslacht, rust/inspanning, spijsvertering,emoties
Ritme: regelmatig of onregelmatig
Slagvolume / kracht: zwak – krachtig
Symmetrie: links-rechts vergelijken
2.4.5.3 Plaatsen waar je pols kan voelen
1) Aan de slapen (arterie temporalis)
2) In de hals (a.carotis)
3) In de arm (a.brachialis)
4) Aan de pols (a.radialis)
5) In de lies (a.femoralis)
6) In de knieholte (a.poplitea)
7) Op de voetrug (a. dorsalis pedis)
8) Aan het onderbeen (a.tibialis posterior)
2.4.5.4 Meten van de pols
15 sec × 4 → bij normale pols
30–60 sec bij onregelmatige pols, kinderen
Vingertoppen gebruiken
Resultaten registreren en afwijkingen rapporteren
Wanneer? Bij voorschrift, flauwte, bewusteloosheid, voor,tijden/na ingreep
2.5 Bloeddruk (arteriële druk)
cursus
2.5.1 bepaling
druk die nodig is om bloed door het lichaam te stuwen