Het immuunsysteem, tumorontwikkeling & externe en interne
risicofactoren
Inleiding
Het uitwendige milieu bevat veel gevaren zoals: giftige stoffen, scherpe
voorwerpen, warmte en micro-organismen. Veel verschillende organen en
stelsels werken samen om ons in leven te houden en ook om ons gezond
te houden. Het immuunstelsel
speelt hierbij een centrale rol.
Immuniteit = vermogen om infectie en ziekte te weerstaan.
Het immuunstelsel bestaat uit: delen van de huid, beenderstelsel,
lymfestelsel, cardiovasculair, ademhaling en spijsverteringsstelsel.
Pathogenen organismen die ziekten veroorzaken
Het lymfestelsel bestaat uit cellen, weefsels en organen die
verantwoordelijk zijn voor de verdediging van het lichaam.
Belangrijkste cellen lymfestelsel lymfocyten (bieden weerstand bij
infectie en ziekte, deze te overwinnen en uiteindelijk immuun te worden
voor de ziekteverwekker.)
Immuunreactie = de verdedigingsreactie van het lichaam.
Twee soorten immuniteit:
1. Aangeboren (niet-specifieke) immuniteit:
verdedigingsmechanismen tegen ziekteverwekkers, waarmee we
geboren worden en deze zijn niet-specifiek. Maken geen onderscheid
tussen verschillende ziekteverwekkers.
2. Adaptieve (specifieke) immuniteit: lymfocyten, deze reageren
tegen specifieke ziekteverwekkers. Bijvoorbeeld tegen 1 specifieke
bacterie (= immuunreactie). Dit type zorgt voor bescherming tegen
daaropvolgende aanvallen door hetzelfde pathogeen.
Lymfestelsel
Het lymfestelsel bestaat uit 4 onderdelen:
1. Lymfevaten. Beginnen in de perifere weefsels en eindigen bij de
venen
2. Vloeistof: lymfe. Stroomt door de lymfevaten.
3. Lymfocyten: gespecialiseerde witte bloedcellen met specifieke
functies bij de verdediging van het lichaam.
4. Lymfoide weefsels en organen: bindweefsel en lymfocyten in
structuren: lymfefollikels (amandelen). Lymfoide organen met veel
, lymfocyten en verbonden met lymfevaten: lymfeknopen, milt en
thymus.
Primaire lymfoide weefsels en organen plekken waar lymfocyten
worden gevormd en rijpen. Zoals het rode beenmerg en de thymus.
Secundaire lymfoide weefsels en organen plekken waar
lymfocyten worden geactiveerd en zich vermenigvuldigen. Zoals de
appendix, milt, lymfeknopen, amandelen.
Functies van het lymfestelsel
1. Productie, onderhoud en transport van lymfocyten. Gevormd
in rode beenmerg en thymus. Opgeslagen in lymfoide organen, zoals
de milt. De lymfocyten reageren op de aanwezigheid van
ziekteverwekkers, afwijkende lichaamscellen en vreemde eiwitten.
2. Terugkeer van vloeistoffen en deeltjes uit de perifere
weefsels naar het bloed. Lymfestelsel brengt het weefselvocht
terug, waardoor het bloedvolume op peil wordt gehouden.
3. Transport van hormonen, voedingsstoffen en afvalstoffen
naar het bloed. Sommige stoffen worden via lymfevaten naar de
venen vervoerd. De meeste vetten bijvoorbeeld.
Lymfevaten vervoeren lymfe vanuit perifere weefsels naar het veneuze
systeem. De kleinste lymfevaten zijn lymfecapillairen. De lymfevaten
monden uiteindelijk in 2 grote vaten:
- Ductus thoracicus: verzamelt lymfe van onderste deel buikholte,
bekken en de benen, linkerhelft hoofd, hals en borst.
- Ductus lymphaticus dexter: verzamelt lymfe van rechterkant van het
lichaam.
Lymfoedeem: wanneer de afvoer van lymfe vanuit een arm of been is
geblokkeerd.
Lymfocyten
Lymfocyten vormen 20-40% van de leukocyten in de bloedsomloop. De
bloedsomloop dient als een snel transportsysteem. Ook bevinden zich erg
veel lymfocyten in de lymfoide organen en andere weefsels.
Antistoffen (immunoglobulinen): eiwitten die zich aan
ziekteverwekkers, afwijkende cellen etc, (antigenen) binden. Dit leidt
uiteindelijk tot vernietiging van de ziekteverwekker.
risicofactoren
Inleiding
Het uitwendige milieu bevat veel gevaren zoals: giftige stoffen, scherpe
voorwerpen, warmte en micro-organismen. Veel verschillende organen en
stelsels werken samen om ons in leven te houden en ook om ons gezond
te houden. Het immuunstelsel
speelt hierbij een centrale rol.
Immuniteit = vermogen om infectie en ziekte te weerstaan.
Het immuunstelsel bestaat uit: delen van de huid, beenderstelsel,
lymfestelsel, cardiovasculair, ademhaling en spijsverteringsstelsel.
Pathogenen organismen die ziekten veroorzaken
Het lymfestelsel bestaat uit cellen, weefsels en organen die
verantwoordelijk zijn voor de verdediging van het lichaam.
Belangrijkste cellen lymfestelsel lymfocyten (bieden weerstand bij
infectie en ziekte, deze te overwinnen en uiteindelijk immuun te worden
voor de ziekteverwekker.)
Immuunreactie = de verdedigingsreactie van het lichaam.
Twee soorten immuniteit:
1. Aangeboren (niet-specifieke) immuniteit:
verdedigingsmechanismen tegen ziekteverwekkers, waarmee we
geboren worden en deze zijn niet-specifiek. Maken geen onderscheid
tussen verschillende ziekteverwekkers.
2. Adaptieve (specifieke) immuniteit: lymfocyten, deze reageren
tegen specifieke ziekteverwekkers. Bijvoorbeeld tegen 1 specifieke
bacterie (= immuunreactie). Dit type zorgt voor bescherming tegen
daaropvolgende aanvallen door hetzelfde pathogeen.
Lymfestelsel
Het lymfestelsel bestaat uit 4 onderdelen:
1. Lymfevaten. Beginnen in de perifere weefsels en eindigen bij de
venen
2. Vloeistof: lymfe. Stroomt door de lymfevaten.
3. Lymfocyten: gespecialiseerde witte bloedcellen met specifieke
functies bij de verdediging van het lichaam.
4. Lymfoide weefsels en organen: bindweefsel en lymfocyten in
structuren: lymfefollikels (amandelen). Lymfoide organen met veel
, lymfocyten en verbonden met lymfevaten: lymfeknopen, milt en
thymus.
Primaire lymfoide weefsels en organen plekken waar lymfocyten
worden gevormd en rijpen. Zoals het rode beenmerg en de thymus.
Secundaire lymfoide weefsels en organen plekken waar
lymfocyten worden geactiveerd en zich vermenigvuldigen. Zoals de
appendix, milt, lymfeknopen, amandelen.
Functies van het lymfestelsel
1. Productie, onderhoud en transport van lymfocyten. Gevormd
in rode beenmerg en thymus. Opgeslagen in lymfoide organen, zoals
de milt. De lymfocyten reageren op de aanwezigheid van
ziekteverwekkers, afwijkende lichaamscellen en vreemde eiwitten.
2. Terugkeer van vloeistoffen en deeltjes uit de perifere
weefsels naar het bloed. Lymfestelsel brengt het weefselvocht
terug, waardoor het bloedvolume op peil wordt gehouden.
3. Transport van hormonen, voedingsstoffen en afvalstoffen
naar het bloed. Sommige stoffen worden via lymfevaten naar de
venen vervoerd. De meeste vetten bijvoorbeeld.
Lymfevaten vervoeren lymfe vanuit perifere weefsels naar het veneuze
systeem. De kleinste lymfevaten zijn lymfecapillairen. De lymfevaten
monden uiteindelijk in 2 grote vaten:
- Ductus thoracicus: verzamelt lymfe van onderste deel buikholte,
bekken en de benen, linkerhelft hoofd, hals en borst.
- Ductus lymphaticus dexter: verzamelt lymfe van rechterkant van het
lichaam.
Lymfoedeem: wanneer de afvoer van lymfe vanuit een arm of been is
geblokkeerd.
Lymfocyten
Lymfocyten vormen 20-40% van de leukocyten in de bloedsomloop. De
bloedsomloop dient als een snel transportsysteem. Ook bevinden zich erg
veel lymfocyten in de lymfoide organen en andere weefsels.
Antistoffen (immunoglobulinen): eiwitten die zich aan
ziekteverwekkers, afwijkende cellen etc, (antigenen) binden. Dit leidt
uiteindelijk tot vernietiging van de ziekteverwekker.