Wat zijn mediatheorieën?
Mediatheorieën geven inzicht in wat media doet met mensen en verklaren het verband tussen
de inhoud van media, het gebruik van media en de effecten daarvan op individu en
samenleving.
Het onderzoeken van de media kan de professional helpen om betere keuzes te maken op
het gebied van communicatie, journalistiek en mediaplanning.
Overzicht van de theorievorming: uitgevonden in Verenigde Staten
Fase 1: De almacht van de media
• Theorie: One-step-flow-theory (= reuzeninjectienaaldtheorie)
verleden
Fase 2: Beperkte macht van de media: invloed van de opinieleider
• Theorie: Two-step-flow-theory (stap 1: van zender naar opinieleider, stap 2: van
opinieleider naar leden van publiek in omgeving van opinieleider) of Multi-step-flow-
theory (meerdere stappen mogelijk met opinieleider als schakel)
Ontvanger
Fase 3: Aandacht voor de ontvanger
• Theorie: Zwamvlokmodel en uses en gratifications (Nut en beloningen)
Fase 4: Sturende macht van de media
• Theorievorming: agenda-setting, framing en discoursanalyse, kenniskloof, culturele
kritiek op
Zender +
van media
sturende
indicatoren, zwijgspiraal, cultuurindustrie, media en specifieke
invloed
mediawerking
Fase 5: Media in het informatieperk: de media-explosie
• Theorievorming: wederzijdse betrekking tussen zender en ontvanger staan in het
middelpunt (interactie, participatie, convergentie, cocreatie, user-generated content,
platformwerking)
• Onderzoek naar de 6 dimensies van de media-explosie: groei van aantal en
diversiteit van mediamiddelen, digitalisering van mediatechnologie, convergentie,
uitbreiding van zintuiglijke revaring, massa-zelf-communicatie en professionalisering
van communicatie- en mediaberoepen.
Intentionaliteit en effectiviteit waren in deze fasen de richtinggevende criteria.
Soorten onderzoek:
1. Praktijkgericht onderzoek (= je maakt gebruik van theorieën + er is een opdrachtgever)
(à studenten)
à Je wilt weten om te doen
à Gebruik je om praktische problemen op te lossen
à = toegepast onderzoek: je wilt kennis toepassen en een praktisch advies geven om
iets op te lossen.
2. Fundamenteel onderzoek (à mediaonderzoekers)
à Je kan de algemene kennis van de werkelijkheid vergroten
à Je stelt hypothesen op, deze probeer je vervolgens te bevestigen of te ontkrachten,
in het laatste geval probeer je iets nieuws en beters te bedenken dan de ontkrachte
hypothese.
à Je wilt weten om te weten
, 1e tijdperk: almachtige media
Fase 1: Almachtige media (1900) > One-step-flow (injectienaald- ) theorie
In de eerste fase van onderzoek naar media-effecten ontstond het beeld dat ontvangers
passief waren en gemakkelijk te manipuleren door massamedia als dagbladen en radio. De
communicatiewetenschappers veronderstelden dat de massamedia een direct effect hadden
op het publiek en dat media veel macht hadden.
Kenmerken Fase 1:
• Vanaf 1900 explosieve groei massamedia als gevolg van industrialisatie, urbanisatie,
alfabetisering, democratisering
• Komst massamedia: krant, tijdschrift, film en radio
• Massamedia krijgen invloed en wekken belangstelling wetenschappers
• Maatschappij van grote massa vs kleine elite
• Zender is actiegericht (communicatiestroom)
• Criterium: intentionaliteit (bedoeling zender staat voorop)
1900: uitvinding van de massa
Voor dat je een massamedia kan hebben, moet je een massa hebben = de maatschappij
VAN… NAAR…
Landbouw Massaproductie (industriële revolutie)
Handwerk Machines & elektra(stoomrotatiepers, radio, film)
Platteland Stad (urbanisatie)
Onwetendheid Kennis (schoolplicht, alfabetisering)
Absolute Monarchie Democratie (stemrecht, emancipatie)
Oude elite Arbeiders(vakbonden, socialsme) en nieuwe elite(ondernemers,
kapitalisme)