Engels: hoofdstuk 2
Past simple
Werkwoord + -ed (we decided). Onregelmatig = 2e rijtje.
Iets is in het verleden gebeurd. Vaak zeg je ook wanneer dat was.
Wanneer:
Gewone zinnen
Used to / would, als handeling in verleden regelmatig is gedaan,
maar nu niet meer.
Past continuous
Was / were + werkwoord + -ing (I was watching).
Wanneer:
Iets was van korte duur in het verleden.
Iets was aan de gang (past continuous) en werd onderbroken (past
simple).
Opmerking: als 2 handelingen na elkaar plaatsvinden, dan 2x past
simple. Als 2 handelingen tegelijkertijd plaatsvinden, dan 2x past
continuous.
Present perfect
To have + voltooid deelwoord (I have slept).
Wanneer:
Toen t/m nu, vaak met for / since of vraagzinnen met How long ... ?
Bij korte bijwoorden als: always, never, ever, (not) yet, already of
just.
Nadruk van handeling uit verleden ligt op resultaat nu (I’ve read
your email).
Past perfect
Had + voltooid deelwoord (I had slept).
Wanneer:
Als het belangrijk is om aan te geven dat de ene handeling was
afgelopen toen de andere begon.
Iets heeft een tijdje geduurd in het verleden.
Zinnen met if: iets is niet gebeurd, je praat achteraf.
Indirecte rede (He told me (that) he hadn’t seen her.)
Comparisons
-er / -est:
Woord bestaat uit 1 lettergreep. (Woord eindigt op –y, dan i)
More / most:
Past simple
Werkwoord + -ed (we decided). Onregelmatig = 2e rijtje.
Iets is in het verleden gebeurd. Vaak zeg je ook wanneer dat was.
Wanneer:
Gewone zinnen
Used to / would, als handeling in verleden regelmatig is gedaan,
maar nu niet meer.
Past continuous
Was / were + werkwoord + -ing (I was watching).
Wanneer:
Iets was van korte duur in het verleden.
Iets was aan de gang (past continuous) en werd onderbroken (past
simple).
Opmerking: als 2 handelingen na elkaar plaatsvinden, dan 2x past
simple. Als 2 handelingen tegelijkertijd plaatsvinden, dan 2x past
continuous.
Present perfect
To have + voltooid deelwoord (I have slept).
Wanneer:
Toen t/m nu, vaak met for / since of vraagzinnen met How long ... ?
Bij korte bijwoorden als: always, never, ever, (not) yet, already of
just.
Nadruk van handeling uit verleden ligt op resultaat nu (I’ve read
your email).
Past perfect
Had + voltooid deelwoord (I had slept).
Wanneer:
Als het belangrijk is om aan te geven dat de ene handeling was
afgelopen toen de andere begon.
Iets heeft een tijdje geduurd in het verleden.
Zinnen met if: iets is niet gebeurd, je praat achteraf.
Indirecte rede (He told me (that) he hadn’t seen her.)
Comparisons
-er / -est:
Woord bestaat uit 1 lettergreep. (Woord eindigt op –y, dan i)
More / most: