H1: Evaluatie 3
1.1 Nederlandstalige spraakverstaantests 3
1.1.1 Methodologische aspecten 3
1.1.1.1 Type materiaal 3
1.1.1.2 Procedure 3
1.1.2 Overzicht testen 6
1.1.2.1 Zinnentests: HINT vs Matrix 6
1.1.2.2 Lijstequivalentie van LIST 7
1.1.2.3 LINT 8
1.1.2.4 HINT-achtig 9
1.1.2.5 Matrix type sentences (Hagerman) 9
1.1.2.6 Woorden: NVA (Vlaamse lijsten) 9
1.1.2.7 Spraakverstaantests 10
1. Kinderen: CVC, Gottinger (3-4 jaar en 5-6 jaar) 10
2. Lilliput: Leuven Intelligibility Peuter test -> open-set, CVC-test (4-6 jr) 11
1.1.3 Meer realistisch? 13
1.1.4 Conclusie 13
1.2 Vragenlijsten 14
1.2.1 Inleiding 14
1.2.2 Subjectieve ‘outcomes’ ivm auditief functioneren 14
1.2.2.1 IOI-HA: International Outcome Inventory for Hearing Aids 14
1.2.2.2 APHAB: Abbreviated Profile of Hearing Aid Benefit, Cox and Alexander (1995) 15
1.2.2.3 COSI: Client Oriented Scale of Improvement 16
1.2.2.4 SSQ: Speech, Spatial and Qualities of Hearing scale, Gatehouse/Noble 16
1.2.3 Conclusies 17
1.3 Screening en preventie 18
1.3.1 Neonatale gehoorscreening 18
1.3.1.1 Rapport gehoorscreening 19
1.3.1.2 Sensitiviteit en specificiteit: kenmerken van een procedure 20
1.3.2 GV en onderwijs 21
1.3.3 Digit triplet test 21
1.3.4 Sound ear check (SEC): adaptive sounds-in-noise test 22
1.3.5 Op middelbare leeftijd 22
1.3.6 Screening bij ouderen 23
1.3.7 Gehoorschade en preventie 23
H2: Zorgtraject kinderen 24
2.1 Voorspellers van gesproken taal: bilateraal dove kinderen met CI 25
2.1.1 Taalquotients van Reynell en Schlichting 25
2.1.2 Lokalisatie 25
2.1.3 Neurocognitieve factoren 26
2.1.4 Woordjes nazeggen in stilte en in ruis 26
2.1.5 Luistermoeite (studie Benson Hsu e.a) 27
2.2 Horen met een oor 27
1
, 2.2.1 Taalbegrip 28
2.2.2 Vocabulaire scores 28
2.2.3 Gramatica en morphosyntaxis 28
2.2.4 Spraakverstaan in ruis en lokalisatie 28
2.3 Evenwichts- en motorische problemen bij kinderen met GV 30
2.3.1 Motorische ontwikkeling 30
2.3.2 Rol van het evenwichtsorgaan in de motorische ontwikkeling 31
2.3.3 Impact van GV op de vestibulaire functie en motorische ontwikkeling 31
2.3.4 Vestibulaire screening bij kinderen met GV 32
2.3.5 Vestibulaire & motorische revalidatie bij kinderen met GV 32
H3: Gehoorverlies volwassenen 33
3.1 Dynamieke van spraakklanken 33
3.2 Conductie - perceptief - NIHL 34
3.3 Cochleair implantaat 34
3.4 Ouderen 35
3.5 Perifeer gehoorverlies 35
3.6 Central temporal processing abilities 35
3.7 Cognitie 36
3.8 MOCA bij NH en CI ouderen 37
H4: Tinnitus 37
4.1 Inleiding 37
4.2 Diagnostiek 38
4.2.1 Classificatie 38
4.2.2 Vragenlijsten 38
4.2.3 Audiologisch onderzoek 39
4.3 Behandeling & begeleiding 39
2
, Basis gehoorbegeleiding
H1: Evaluatie
1.1 Nederlandstalige spraakverstaantests
1.1.1 Methodologische aspecten
1.1.1.1 Type materiaal
Continuüm: van analytisch tot redundant -> we meten iets anders
● Analytisch materiaal:
○ Meer op foneemniveau
○ Geen invloed van de context: vb. /s/ hoogfrequente info, /m/ laagfrequente info,
korte of lange klanken…
■ Vb. hoge tonenverlies: 2de formant niet goed waarnemen -> /oe/ en /ie/
nauwelijks te onderscheiden
○ Alle klanken hebben kenmerken: temporele info, spectrale info, lengte, …
○ Om te weten welke kenmerken van spraakklanken waar worden verwerkt vb. cortex
○ Inzicht krijgen in het type fouten dat de cliënt maakt met analytisch materiaal
○ Maar dit is niet het dagelijks leven
● Redundant materiaal: zinnentest -> context meenemen
○ Bevatten veel info als je klank niet opgepikt hebt kan je via context wel meekrijgen
○ Taalkundige kennis vereist
● Tussenstappen:
○ Pseudowoorden:
■ Geen betekenis maar het zijn wel spraakklanken
■ Alle individuele klanken nodig (meer dan die ene foneem want is een woord)
om het juist te kunnen nazeggen
○ Monosyllaben: NVA (Nederlandse vereniging voor audiologie), CVC woorden
○ Getallen: ook een betekenis
○ Bisyllaben: 2 syllaben (BLU woordjes = brugse leuven utrecht) vb. handdoek
● Beslissing nemen obv vraagstelling: herbruikbaarheid afhankelijk van redundantie
○ Zinnen: maar 1x aanbieden over periode van enkele maanden (vaker aanbieden ->
context) => veel zinnen nodig om een test te ontwikkelen
○ Fonemen: dezelfde test meerdere keren afnemen zonder invloed context
1.1.1.2 Procedure
SRT en helling:
● SRT= spraakdrempel = Speech Reception Threshold (50%)
○ FIGUUR 1: opgemeten bij NH
■ Spraakniveau gemiddeld in het dagelijks leven: 60 dB SPL ongeveer
■ Woorden aanbieden of zinnen aanbieden op een goed niveau (rond 65 dB
SPL) en dan ook op 50 of op 40 en bij 20 ongeveer de drempel
■ Spraakaudiometriecurve:
● X-as: dB SPL
● Y-as: aantal correct geïdentificeerde zinnen
■ Naarmate niveau afneemt: curve wordt lager
● Bij 20 dB SPL: ongeveer 50% (SRT)
● Daar ligt meestal de drempel: net wel of net niet horen
● Drempel geeft aan wanneer je iets 50% wel of 50% niet hoort
● 20 dB SPL is gemiddelde drempel bij NH
○ FIGUUR 2:
■ 50% punt ongeveer -8 dB SNR -> ruis 8 dB hoger dan spraak
3
, ■ Doorgetrokken lijn: gesimuleerde lijn
■ Puntenlijn: echte metingen
● Helling: mate waarin iets toeneemt of afneemt met toename van intensiteit of SNR
○ Waarden staan aan rechterkant op eerste figuur (NVA woordjes -> per foneem
scoren of per woord scoren)
○ In % per dB:
■ Woorden: ~ 5%/dB
■ Zinnen in stilte: 8-12%/dB
■ Zinnen in ruis: 15-20%/dB
■ Getallen in ruis: 15-20%/dB
○ Hoe steiler de helling des te preciezer en efficiënter de test
■ Vb. 2 HA vergelijken (welke is beter?) waarbij model A een beter
spraakverstaan in ruis verzorgt dan B
■ Veel beter is nooit meer dan 1 of 2 dB
■ Klein verschil in dB brengt groot verschil in performantie mee
■ Zinnen gebruiken: spraakmateriaal dat zeer precies is
■ Stel algoritme van HA A beter -> vb. 30% beter scoren met A en dan met B
■ Vlakkere helling van vb. 4% per dB
● HA kan qua algoritme veel beter zijn in vergelijking met B maar je
kan dat nooit meten want het materiaal kan dat niet aan
● Als je hoger scoort moet je 4 à 5 dB verschil geven voordat je in
performantie een echt effect gaat zien
● Daarom streven om helling zo steil mogelijk te maken
● Waarom is helling zo steil bij een zin: lexicale kennis heb je nog -> als je hoort ‘de kinderen
gaan naar …’ je hoeft ‘school’ niet te horen
Vaste niveau versus adaptieve methode:
● Vaste niveaus: niveau van ruis blijft constant, verschillende niveaus voor spraakmateriaal
○ Taak: herhaal wat je hoort
○ Voordeel: volledige PI curve
● Adaptieve procedure: niveau hangt af van respons proefpersoon (Plomp and Mimpen, 1979)
○ Het geluidsniveau is constant (of spraakniveau constant)
○ Het niveau van de stimulus wordt met een vast bedrag verhoogd of verlaagd,
afhankelijk van het vermogen van de luisteraar om correct te reageren
● Procedure Plomp and Mimpen: houd het geluidsniveau op 65 dB SPL
○ Vanaf 55 dB SPL wordt het niveau verhoogd van de eerste zin van elke lijst totdat de
zin correct is geïdentificeerd
○ Varieer het intensiteitsniveau binnen een lijst met zinnen in stappen van 2 dB
adaptief in een 1-down, 1-up-procedure om het 50%-snijpunt te targeten
○ Voor 10 tokens in 1 lijst: na het bepalen van het niveau van de (denkbeeldige) 11e
wordt de SRT berekend als het gemiddelde van de laatste 6 tokenniveaus
○ -> Functie, eenvoudig SRT en hellingen bepalen, kost meer tijd dan adaptief
4
1.1 Nederlandstalige spraakverstaantests 3
1.1.1 Methodologische aspecten 3
1.1.1.1 Type materiaal 3
1.1.1.2 Procedure 3
1.1.2 Overzicht testen 6
1.1.2.1 Zinnentests: HINT vs Matrix 6
1.1.2.2 Lijstequivalentie van LIST 7
1.1.2.3 LINT 8
1.1.2.4 HINT-achtig 9
1.1.2.5 Matrix type sentences (Hagerman) 9
1.1.2.6 Woorden: NVA (Vlaamse lijsten) 9
1.1.2.7 Spraakverstaantests 10
1. Kinderen: CVC, Gottinger (3-4 jaar en 5-6 jaar) 10
2. Lilliput: Leuven Intelligibility Peuter test -> open-set, CVC-test (4-6 jr) 11
1.1.3 Meer realistisch? 13
1.1.4 Conclusie 13
1.2 Vragenlijsten 14
1.2.1 Inleiding 14
1.2.2 Subjectieve ‘outcomes’ ivm auditief functioneren 14
1.2.2.1 IOI-HA: International Outcome Inventory for Hearing Aids 14
1.2.2.2 APHAB: Abbreviated Profile of Hearing Aid Benefit, Cox and Alexander (1995) 15
1.2.2.3 COSI: Client Oriented Scale of Improvement 16
1.2.2.4 SSQ: Speech, Spatial and Qualities of Hearing scale, Gatehouse/Noble 16
1.2.3 Conclusies 17
1.3 Screening en preventie 18
1.3.1 Neonatale gehoorscreening 18
1.3.1.1 Rapport gehoorscreening 19
1.3.1.2 Sensitiviteit en specificiteit: kenmerken van een procedure 20
1.3.2 GV en onderwijs 21
1.3.3 Digit triplet test 21
1.3.4 Sound ear check (SEC): adaptive sounds-in-noise test 22
1.3.5 Op middelbare leeftijd 22
1.3.6 Screening bij ouderen 23
1.3.7 Gehoorschade en preventie 23
H2: Zorgtraject kinderen 24
2.1 Voorspellers van gesproken taal: bilateraal dove kinderen met CI 25
2.1.1 Taalquotients van Reynell en Schlichting 25
2.1.2 Lokalisatie 25
2.1.3 Neurocognitieve factoren 26
2.1.4 Woordjes nazeggen in stilte en in ruis 26
2.1.5 Luistermoeite (studie Benson Hsu e.a) 27
2.2 Horen met een oor 27
1
, 2.2.1 Taalbegrip 28
2.2.2 Vocabulaire scores 28
2.2.3 Gramatica en morphosyntaxis 28
2.2.4 Spraakverstaan in ruis en lokalisatie 28
2.3 Evenwichts- en motorische problemen bij kinderen met GV 30
2.3.1 Motorische ontwikkeling 30
2.3.2 Rol van het evenwichtsorgaan in de motorische ontwikkeling 31
2.3.3 Impact van GV op de vestibulaire functie en motorische ontwikkeling 31
2.3.4 Vestibulaire screening bij kinderen met GV 32
2.3.5 Vestibulaire & motorische revalidatie bij kinderen met GV 32
H3: Gehoorverlies volwassenen 33
3.1 Dynamieke van spraakklanken 33
3.2 Conductie - perceptief - NIHL 34
3.3 Cochleair implantaat 34
3.4 Ouderen 35
3.5 Perifeer gehoorverlies 35
3.6 Central temporal processing abilities 35
3.7 Cognitie 36
3.8 MOCA bij NH en CI ouderen 37
H4: Tinnitus 37
4.1 Inleiding 37
4.2 Diagnostiek 38
4.2.1 Classificatie 38
4.2.2 Vragenlijsten 38
4.2.3 Audiologisch onderzoek 39
4.3 Behandeling & begeleiding 39
2
, Basis gehoorbegeleiding
H1: Evaluatie
1.1 Nederlandstalige spraakverstaantests
1.1.1 Methodologische aspecten
1.1.1.1 Type materiaal
Continuüm: van analytisch tot redundant -> we meten iets anders
● Analytisch materiaal:
○ Meer op foneemniveau
○ Geen invloed van de context: vb. /s/ hoogfrequente info, /m/ laagfrequente info,
korte of lange klanken…
■ Vb. hoge tonenverlies: 2de formant niet goed waarnemen -> /oe/ en /ie/
nauwelijks te onderscheiden
○ Alle klanken hebben kenmerken: temporele info, spectrale info, lengte, …
○ Om te weten welke kenmerken van spraakklanken waar worden verwerkt vb. cortex
○ Inzicht krijgen in het type fouten dat de cliënt maakt met analytisch materiaal
○ Maar dit is niet het dagelijks leven
● Redundant materiaal: zinnentest -> context meenemen
○ Bevatten veel info als je klank niet opgepikt hebt kan je via context wel meekrijgen
○ Taalkundige kennis vereist
● Tussenstappen:
○ Pseudowoorden:
■ Geen betekenis maar het zijn wel spraakklanken
■ Alle individuele klanken nodig (meer dan die ene foneem want is een woord)
om het juist te kunnen nazeggen
○ Monosyllaben: NVA (Nederlandse vereniging voor audiologie), CVC woorden
○ Getallen: ook een betekenis
○ Bisyllaben: 2 syllaben (BLU woordjes = brugse leuven utrecht) vb. handdoek
● Beslissing nemen obv vraagstelling: herbruikbaarheid afhankelijk van redundantie
○ Zinnen: maar 1x aanbieden over periode van enkele maanden (vaker aanbieden ->
context) => veel zinnen nodig om een test te ontwikkelen
○ Fonemen: dezelfde test meerdere keren afnemen zonder invloed context
1.1.1.2 Procedure
SRT en helling:
● SRT= spraakdrempel = Speech Reception Threshold (50%)
○ FIGUUR 1: opgemeten bij NH
■ Spraakniveau gemiddeld in het dagelijks leven: 60 dB SPL ongeveer
■ Woorden aanbieden of zinnen aanbieden op een goed niveau (rond 65 dB
SPL) en dan ook op 50 of op 40 en bij 20 ongeveer de drempel
■ Spraakaudiometriecurve:
● X-as: dB SPL
● Y-as: aantal correct geïdentificeerde zinnen
■ Naarmate niveau afneemt: curve wordt lager
● Bij 20 dB SPL: ongeveer 50% (SRT)
● Daar ligt meestal de drempel: net wel of net niet horen
● Drempel geeft aan wanneer je iets 50% wel of 50% niet hoort
● 20 dB SPL is gemiddelde drempel bij NH
○ FIGUUR 2:
■ 50% punt ongeveer -8 dB SNR -> ruis 8 dB hoger dan spraak
3
, ■ Doorgetrokken lijn: gesimuleerde lijn
■ Puntenlijn: echte metingen
● Helling: mate waarin iets toeneemt of afneemt met toename van intensiteit of SNR
○ Waarden staan aan rechterkant op eerste figuur (NVA woordjes -> per foneem
scoren of per woord scoren)
○ In % per dB:
■ Woorden: ~ 5%/dB
■ Zinnen in stilte: 8-12%/dB
■ Zinnen in ruis: 15-20%/dB
■ Getallen in ruis: 15-20%/dB
○ Hoe steiler de helling des te preciezer en efficiënter de test
■ Vb. 2 HA vergelijken (welke is beter?) waarbij model A een beter
spraakverstaan in ruis verzorgt dan B
■ Veel beter is nooit meer dan 1 of 2 dB
■ Klein verschil in dB brengt groot verschil in performantie mee
■ Zinnen gebruiken: spraakmateriaal dat zeer precies is
■ Stel algoritme van HA A beter -> vb. 30% beter scoren met A en dan met B
■ Vlakkere helling van vb. 4% per dB
● HA kan qua algoritme veel beter zijn in vergelijking met B maar je
kan dat nooit meten want het materiaal kan dat niet aan
● Als je hoger scoort moet je 4 à 5 dB verschil geven voordat je in
performantie een echt effect gaat zien
● Daarom streven om helling zo steil mogelijk te maken
● Waarom is helling zo steil bij een zin: lexicale kennis heb je nog -> als je hoort ‘de kinderen
gaan naar …’ je hoeft ‘school’ niet te horen
Vaste niveau versus adaptieve methode:
● Vaste niveaus: niveau van ruis blijft constant, verschillende niveaus voor spraakmateriaal
○ Taak: herhaal wat je hoort
○ Voordeel: volledige PI curve
● Adaptieve procedure: niveau hangt af van respons proefpersoon (Plomp and Mimpen, 1979)
○ Het geluidsniveau is constant (of spraakniveau constant)
○ Het niveau van de stimulus wordt met een vast bedrag verhoogd of verlaagd,
afhankelijk van het vermogen van de luisteraar om correct te reageren
● Procedure Plomp and Mimpen: houd het geluidsniveau op 65 dB SPL
○ Vanaf 55 dB SPL wordt het niveau verhoogd van de eerste zin van elke lijst totdat de
zin correct is geïdentificeerd
○ Varieer het intensiteitsniveau binnen een lijst met zinnen in stappen van 2 dB
adaptief in een 1-down, 1-up-procedure om het 50%-snijpunt te targeten
○ Voor 10 tokens in 1 lijst: na het bepalen van het niveau van de (denkbeeldige) 11e
wordt de SRT berekend als het gemiddelde van de laatste 6 tokenniveaus
○ -> Functie, eenvoudig SRT en hellingen bepalen, kost meer tijd dan adaptief
4