Samenvatting Ruimtelijke onderzoeksmethodes
Examen:
- Schriftelijk zonder mondelinge toelichting
- Gesloten boek
- Meebrengen: Schrijfgerij + studentenkaart, GEEN rekenmachine
- Leerstof: Syllabus + dia’s (incl. oefeningen) + academische bronvermeldingen
Eindcompetenties
- Heeft basisinzicht in de filosofie van wetenschappelijke theorieën en kan een
onderscheid maken tussen normatieve en wetenschappelijke theorieën.
- Heeft inzicht in kwalitatieve en kwantitatieve wetenschappelijke methoden en
technieken typisch voor de ruimtelijke planning en stedenbouw, en kan de resultaten
interpreteren
- Is vertrouwd met wetenschappelijke media en kan de wetenschappelijke literatuur
raadplegen in functie van een concreet vraagstuk relevant voor de ruimtelijke planning
en stedenbouw
- Is in staat om zelfstandig een onderzoeksplan uit te werken om een complexe ruimtelijke
dynamiek te analyseren en om onderzoek te gebruiken in een planproces
- Heeft inzicht in de eigenheid, logica en toepassing van verschillende in de planning
gebruikte paradigma's (in het bijzonder actiegerichte en participatieve paradigma's)
- Heeft inzicht in ethische kwesties gerelateerd aan onderzoek en planning, en heeft
voldoende aandacht voor ethiek bij het uitwerken en uitvoeren van onderzoek.
Evaluatiecriteria:
- de mate waarin een student de resultaten van een analyse correct kan interpreteren en
specifieke vragen over de aanpak en resultaten kan beantwoorden en kan aangeven hoe
de resultaten kunnen worden gebruikt
- de mate waarin een student kan aangeven waar, en argumenteren waarom, een gegeven
beschrijving van een onderzoeksaanpak afwijkt van de gangbare toepassing van de
gebruikte methodologie en methode, en kan aangeven hoe dit kan worden verbeterd
- de mate waarin een student in het kader van onderzoek aandachtspunten kan
identificeren op het vlak van ethiek, en kan aangeven hoe er mee om te gaan
- de mate waarin een student inzicht heeft in het gebruik van een bepaald paradigma of
theorie in toepassingen
- de mate waarin een student correct academische vaardigheden zoals refereren en
rapporteren kan toepassen en fouten kan herkennen en verbeteren
- volledigheid (i.e. integrale behandeling van de vragen én voldoende uitwerking ,
argumentatie en onderbouwing van de geformuleerde antwoorden, doch zonder
redundante informatie), structuur (i.e. logische, goed navolgbare opbouw van de
antwoorden) en wetenschappelijke schrijfstijl van de antwoorden
,Examenvragen over:
- Regressieanalyse: interpreteren, formule geven,…
- Kwalitatief onderzoek: waar wijkt het af van conventies?
- Toegepaste vragen over steekproeven, ethiek, methodologie, wetenschapsfilosofie,
paradigma’s,…
- rapporteren, correct refereren
- Voorbeeldexamen: zie video
https://mediasite.uantwerpen.be/Mediasite/Play/8ed72c40f4334657ba0a7b1afdefe
fa61d
1. Een studiegebied verkennen
1.1. Beschrijving van een gebied in beleidsdocumenten
- Diverse schaalniveaus: plein/straat, buurt/wijk, gemeente/stad, provincie/regio,…
1.2. Secundaire (kwantitatieve) data
- Primaire data= dat die zelf verzamelt wordt
- Secundaire data= bestaande data
o Geografische afbakening!
Statische sectoren
• Bv. kaart mediaan inkomen
Postcode
Gemeente
Arrondissement, vervoerregio,…
o Bv. Statbel, Cijfers en statistieken over vlaanderen, Stad in cijfers: open
statistische data, provincies in cijfers, gemeentemonitor vlaanderen
1.3. Observatie
- Verkennend (bv. fietstocht, wandeling, rit doorheen studiegebied = eerste vorm van
observatie) vs. Systematisch (bv. in kaart brengen van looproutes = exact tellen op basis
van een vastgestelde procedure of trajecten in kaart brengen)
- Passief (alsof je er niet bent bv. van achter een raam ) vs. Actief (participerende
observatie)
- Foto’s, video’s, notities, schetsen,…
- Tijdstip, locatie, … noteren
- “Ondanks het gevaar op etikettering van mensen heb ik expliciet gekozen deze
categoriseringen toch te gebruiken omdat ze heel duidelijk weergeven dat het om een
multi-etnische setting gaat.” (mensen onderverdelen in hokjes is = wetenschappelijk)
,2. Een studiegebied beter leren kennen: interviews en focusgroepen
2.1. Expertinterviews/ bevoorrechte getuigen
- Expert interview
o Kennisbekomen
- Elite interview
o Sleutelactoren die bepalende rol speelden
- Onderscheid expert/ elite niet altijd duidelijk
- Gatekeeping = toegang tot informatie die weerhouden kan worden door mensen die je
interviewt
- Voorbereiding belangrijk -> verkennen zodat men kan communiceren
2.2. Diepte-interviews
- Goed interviewen = informatierijke data verzamelen
- Goed interviewen ≠ geïnterviewden woorden in de mond leggen
- Betekenis die geïnterviewden geven aan leefwereld > mensen zich zo vrij mogelijk laten
uitdrukken
- Consolidated criteria for reporting qualitative studies (COREQ)
o “Personal Characteristics
1. Interviewer/facilitator Which author/s conducted the interview or focus
group?
2. Credentials What were the researcher’s credentials? E.g. PhD, MD
3. Occupation What was their occupation at the time of the study?
4. Gender Was the researcher male or female?
5. Experience and training What experience or training did the researcher
have?
o Relationship with participants
6. Relationship established Was a relationship established prior to study
commencement?
7. Participant knowledge of the interviewer What did the participants
know about the researcher? e.g. personal goals, reasons for doing the
research
8. Interviewer characteristics What characteristics were reported about
the interviewer/facilitator? e.g. Bias, assumptions, reasons and interests
in the research topic”
o “Theoretical framework
o 9. Methodological orientation and Theory What methodological orientation was
stated to underpin the study? e.g. grounded theory, discourse analysis,
ethnography, phenomenology, content analysis
o Participant selection
10. Sampling How were participants selected? e.g. purposive,
convenience, consecutive, snowball
11. Method of approach How were participants approached? e.g. face-
to-face, telephone, mail, email
12. Sample size How many participants were in the study?
13. Non-participation How many people refused to participate or
dropped out? Reasons?
, o Setting
14. Setting of data collection Where was the data collected? e.g. home,
clinic, workplace
15. Presence of non-participants Was anyone else present besides the
participants and researchers?
16. Description of sample What are the important characteristics of the
sample? e.g. demographic data, date
o “Data collection
17. Interview guide Were questions, prompts, guides provided by the
authors? Was it pilot tested?
18. Repeat interviews Were repeat interviews carried out? If yes, how
many?
19. Audio/visual recording Did the research use audio or visual recording
to collect the data?
20. Field notes Were field notes made during and/or after the interview or
focus group?
21. Duration What was the duration of the interviews or focus group?
22. Data saturation Was data saturation discussed?
23. Transcripts returned Were transcripts returned to participants for
comment and/or correction?”
o “Data analysis
24. Number of data coders How many data coders coded the data?
25. Description of the coding tree Did authors provide a description of the
coding tree?
26. Derivation of themes Were themes identified in advance or derived
from the data?
27. Software What software, if applicable, was used to manage the data?
28. Participant checking Did participants provide feedback on the
findings?
Reporting
29. Quotations presented Were participant quotations presented to
illustrate the themes / findings? Was each quotation identified? e.g.
participant number
30. Data and findings consistent Was there consistency between the data
presented and the findings?
31. Clarity of major themes Were major themes clearly presented in the
findings?
32. Clarity of minor themes Is there a description of diverse cases or
discussion of minor themes?”
Examen:
- Schriftelijk zonder mondelinge toelichting
- Gesloten boek
- Meebrengen: Schrijfgerij + studentenkaart, GEEN rekenmachine
- Leerstof: Syllabus + dia’s (incl. oefeningen) + academische bronvermeldingen
Eindcompetenties
- Heeft basisinzicht in de filosofie van wetenschappelijke theorieën en kan een
onderscheid maken tussen normatieve en wetenschappelijke theorieën.
- Heeft inzicht in kwalitatieve en kwantitatieve wetenschappelijke methoden en
technieken typisch voor de ruimtelijke planning en stedenbouw, en kan de resultaten
interpreteren
- Is vertrouwd met wetenschappelijke media en kan de wetenschappelijke literatuur
raadplegen in functie van een concreet vraagstuk relevant voor de ruimtelijke planning
en stedenbouw
- Is in staat om zelfstandig een onderzoeksplan uit te werken om een complexe ruimtelijke
dynamiek te analyseren en om onderzoek te gebruiken in een planproces
- Heeft inzicht in de eigenheid, logica en toepassing van verschillende in de planning
gebruikte paradigma's (in het bijzonder actiegerichte en participatieve paradigma's)
- Heeft inzicht in ethische kwesties gerelateerd aan onderzoek en planning, en heeft
voldoende aandacht voor ethiek bij het uitwerken en uitvoeren van onderzoek.
Evaluatiecriteria:
- de mate waarin een student de resultaten van een analyse correct kan interpreteren en
specifieke vragen over de aanpak en resultaten kan beantwoorden en kan aangeven hoe
de resultaten kunnen worden gebruikt
- de mate waarin een student kan aangeven waar, en argumenteren waarom, een gegeven
beschrijving van een onderzoeksaanpak afwijkt van de gangbare toepassing van de
gebruikte methodologie en methode, en kan aangeven hoe dit kan worden verbeterd
- de mate waarin een student in het kader van onderzoek aandachtspunten kan
identificeren op het vlak van ethiek, en kan aangeven hoe er mee om te gaan
- de mate waarin een student inzicht heeft in het gebruik van een bepaald paradigma of
theorie in toepassingen
- de mate waarin een student correct academische vaardigheden zoals refereren en
rapporteren kan toepassen en fouten kan herkennen en verbeteren
- volledigheid (i.e. integrale behandeling van de vragen én voldoende uitwerking ,
argumentatie en onderbouwing van de geformuleerde antwoorden, doch zonder
redundante informatie), structuur (i.e. logische, goed navolgbare opbouw van de
antwoorden) en wetenschappelijke schrijfstijl van de antwoorden
,Examenvragen over:
- Regressieanalyse: interpreteren, formule geven,…
- Kwalitatief onderzoek: waar wijkt het af van conventies?
- Toegepaste vragen over steekproeven, ethiek, methodologie, wetenschapsfilosofie,
paradigma’s,…
- rapporteren, correct refereren
- Voorbeeldexamen: zie video
https://mediasite.uantwerpen.be/Mediasite/Play/8ed72c40f4334657ba0a7b1afdefe
fa61d
1. Een studiegebied verkennen
1.1. Beschrijving van een gebied in beleidsdocumenten
- Diverse schaalniveaus: plein/straat, buurt/wijk, gemeente/stad, provincie/regio,…
1.2. Secundaire (kwantitatieve) data
- Primaire data= dat die zelf verzamelt wordt
- Secundaire data= bestaande data
o Geografische afbakening!
Statische sectoren
• Bv. kaart mediaan inkomen
Postcode
Gemeente
Arrondissement, vervoerregio,…
o Bv. Statbel, Cijfers en statistieken over vlaanderen, Stad in cijfers: open
statistische data, provincies in cijfers, gemeentemonitor vlaanderen
1.3. Observatie
- Verkennend (bv. fietstocht, wandeling, rit doorheen studiegebied = eerste vorm van
observatie) vs. Systematisch (bv. in kaart brengen van looproutes = exact tellen op basis
van een vastgestelde procedure of trajecten in kaart brengen)
- Passief (alsof je er niet bent bv. van achter een raam ) vs. Actief (participerende
observatie)
- Foto’s, video’s, notities, schetsen,…
- Tijdstip, locatie, … noteren
- “Ondanks het gevaar op etikettering van mensen heb ik expliciet gekozen deze
categoriseringen toch te gebruiken omdat ze heel duidelijk weergeven dat het om een
multi-etnische setting gaat.” (mensen onderverdelen in hokjes is = wetenschappelijk)
,2. Een studiegebied beter leren kennen: interviews en focusgroepen
2.1. Expertinterviews/ bevoorrechte getuigen
- Expert interview
o Kennisbekomen
- Elite interview
o Sleutelactoren die bepalende rol speelden
- Onderscheid expert/ elite niet altijd duidelijk
- Gatekeeping = toegang tot informatie die weerhouden kan worden door mensen die je
interviewt
- Voorbereiding belangrijk -> verkennen zodat men kan communiceren
2.2. Diepte-interviews
- Goed interviewen = informatierijke data verzamelen
- Goed interviewen ≠ geïnterviewden woorden in de mond leggen
- Betekenis die geïnterviewden geven aan leefwereld > mensen zich zo vrij mogelijk laten
uitdrukken
- Consolidated criteria for reporting qualitative studies (COREQ)
o “Personal Characteristics
1. Interviewer/facilitator Which author/s conducted the interview or focus
group?
2. Credentials What were the researcher’s credentials? E.g. PhD, MD
3. Occupation What was their occupation at the time of the study?
4. Gender Was the researcher male or female?
5. Experience and training What experience or training did the researcher
have?
o Relationship with participants
6. Relationship established Was a relationship established prior to study
commencement?
7. Participant knowledge of the interviewer What did the participants
know about the researcher? e.g. personal goals, reasons for doing the
research
8. Interviewer characteristics What characteristics were reported about
the interviewer/facilitator? e.g. Bias, assumptions, reasons and interests
in the research topic”
o “Theoretical framework
o 9. Methodological orientation and Theory What methodological orientation was
stated to underpin the study? e.g. grounded theory, discourse analysis,
ethnography, phenomenology, content analysis
o Participant selection
10. Sampling How were participants selected? e.g. purposive,
convenience, consecutive, snowball
11. Method of approach How were participants approached? e.g. face-
to-face, telephone, mail, email
12. Sample size How many participants were in the study?
13. Non-participation How many people refused to participate or
dropped out? Reasons?
, o Setting
14. Setting of data collection Where was the data collected? e.g. home,
clinic, workplace
15. Presence of non-participants Was anyone else present besides the
participants and researchers?
16. Description of sample What are the important characteristics of the
sample? e.g. demographic data, date
o “Data collection
17. Interview guide Were questions, prompts, guides provided by the
authors? Was it pilot tested?
18. Repeat interviews Were repeat interviews carried out? If yes, how
many?
19. Audio/visual recording Did the research use audio or visual recording
to collect the data?
20. Field notes Were field notes made during and/or after the interview or
focus group?
21. Duration What was the duration of the interviews or focus group?
22. Data saturation Was data saturation discussed?
23. Transcripts returned Were transcripts returned to participants for
comment and/or correction?”
o “Data analysis
24. Number of data coders How many data coders coded the data?
25. Description of the coding tree Did authors provide a description of the
coding tree?
26. Derivation of themes Were themes identified in advance or derived
from the data?
27. Software What software, if applicable, was used to manage the data?
28. Participant checking Did participants provide feedback on the
findings?
Reporting
29. Quotations presented Were participant quotations presented to
illustrate the themes / findings? Was each quotation identified? e.g.
participant number
30. Data and findings consistent Was there consistency between the data
presented and the findings?
31. Clarity of major themes Were major themes clearly presented in the
findings?
32. Clarity of minor themes Is there a description of diverse cases or
discussion of minor themes?”