De Geo, domein B, wereld (SE)
Arm & Rijk: H1, H2, H3
H1 Genoeg voor iedereen?
Het voedselvraagstuk
Het voedselvraagstuk houdt in dat ieder mens in theorie voldoende voedsel van
voldoende kwaliteit tot zijn beschikking heeft. Toch is voedsel niet toegankelijk voor
iedereen: in sommige delen van de wereld lijden mensen aan honger, terwijl mensen
sterven aan overgewicht in andere.
Er zijn twee soorten honger:
Kwantitatieve honger betekent dat de hoeveelheid beschikbaar voedsel niet
voldoende is. Mensen krijgen dagelijks niet genoeg calorieën binnen.
Kwalitatieve honger betekent dat het voedsel niet gevarieerde of gezond genoeg
is. Mensen krijgen dagelijks niet genoeg vitamines en andere voedingsstoffen
binnen.
In theorie zouden deze soorten honger los van elkaar kunnen bestaan. Er is dan
bijvoorbeeld genoeg voedsel, maar alleen van dezelfde soort. Vaak gaan de soorten
honger hand in hand. Honger (of ondervoeding) kan optreden door situaties als een
mislukte oogst, slecht overheidsbeleid of een conflict en het heeft negatieve gevolgen
voor het welzijn van de mensen die eraan lijden.
Als gevolg van honger:
Komt men terecht in een vicieuze cirkel van honger, armoede en ziekte:
Onvoldoende energie + slechte weerstand als gevolg van honger minder
kunnen werken, dus minder verdienen geen geld voor voedsel of
gezondheidszorg
Hebben kinderen meer kans op (aangeboren) groei- en ontwikkelingsstoornissen
waardoor ze meer risico lopen te overlijden.
Ontstaat een grotere kans op conflicten doordat voedseltekorten onenigheden in
de samenleving of tussen landen aanwakkeren.
Wereldhandel
De ongelijke toegang van voedsel wordt onder andere beïnvloed door het wereldtoneel.
Ontwikkelde centrumlanden hebben de wereldhandel namelijk in handen, en
, (semi-)perifere landen zijn afhankelijk van export voor hun ontwikkeling. Deze
opkomende landen doen veel aan commerciële- en exportlandbouw, waardoor veel
voedsel wordt geëxporteerd in plaats van gedistributeerd. Bovendien worden veel
perifere boerenbedrijven weggeconcurreerd door boeren in centrumlanden:
De VS en EU-landen geven hun boeren landbouwsubsidies om ze te helpen bij
het investeren in hun landbouwbedrijf. Zo worden de productiekosten van de
boeren verlaagd, zodat de verkoopprijs van hun gewassen daalt en de kwaliteit
van hun gewassen stijgt.
De VS en EU stellen hoge standaarden aan hun producten. Daarnaast stellen ze
tariefmuren in. Boeren buiten de VS of de EU betalen extra invoerbelastingen,
zodat hun verkoopprijs stijgt.
Er is sprake van dumping in (semi)-perifere landen als Ethiopië. Boeren uit de
EU leveren hun landbouwoverschotten aan Ethiopië om voedseltekorten te
verhelpen. Dit heeft echter als nevengevolg dat de Ethiopische markt wordt
verstoort. De verkoopprijs van Europese gewassen is namelijk lager, waardoor
de Ethiopische boeren worden weggeconcurreerd.
De Theorie van Ullman
Ullman stelde dat handel alleen plaatsvindt als er aan deze drie voorwaarden wordt
voldaan:
Complementariteit: twee gebieden vullen elkaar aan qua vraag en aanbod.
Transporteerbaarheid: Het moet economisch en fysiek mogelijk zijn om
producten te vervoeren. Bijvoorbeeld door een goed onderhouden wegennet.
Tussenliggende mogelijkheden: De aanwezigheid van andere mogelijke
handelspartners op de route kan de handel verminderen, veranderen of
stopzetten.
Voedselproductie
De bevolking in welvarende landen heeft een grotere voedselafdruk dan de bevolking in
(semi-)perifere landen. Dit houdt in dat haar voedselconsumptie meer impact heeft op
het milieu, eg. meer Co2-uitsoot en meer nodige landbouwgrond. Ook gebruiken vooral
welvarende landen steeds meer voedselgewassen voor biobrandstof om de
energietransitie in gang te zetten.
Er zijn mogelijkheden om te zorgen dat de mondiale voedselproductie toeneemt op
lange termijn en op een duurzame manier:
Een duurzame groene revolutie in opkomende landen met high-yielding
zaaizaad, milieuvriendelijke kunstmest en milieuvriendelijke
gewassenbeschermingsmiddelen.