Hoofdstuk 6
Ralf Dahrendorf benadrukken centrale rol van conflicten
C. Wright Mills belichten van de machtsverhoudingen binnen het
institutionele systeem
Ralf Dahrendorf
Benadrukken van de normaliteit van groep conflict binnen een
samenleving, als tegenstelling op Parsons nadruk op waardenconsensus.
Volgens Dahrendorf bestaat de samenleving uit ongelijke macht en
strijdende groepsintresses en moet daarom begrepen worden vanuit de
termen van dwang en beperking in plaats van vrijwillige gehoorzaamheid
of consensus.
‘’macht is ongelijk verdeeld en daardoor een voortdurende bron van
frictie.’’
De dialectiek van macht en verzet is de drijfkracht van de geschiedenis.
Gerechtigheid is de constant veranderende uitkomst van de dialectiek van
macht en verzet.
Hij ziet conflict niet als een gevaar voor de samenleving, ook al zorgen
sommige conflicten voor geweld die de structuur van een bepaalde
gemeenschap of land ondermijnd.
Geweldloos conflict, is wat democratische samenlevingen karakteriseert,
het vormt een bestanddeel in het sociale leven, als resultaat van de
ongelijke verdeling van macht en autoriteit, en zorgt niet per se voor
wanorde of chaos.
Een belangengroep is een georganiseerde collectiviteit van individuen die
hun openbare interesses delen.
Latente interesses zijn interesses waar mensen zich niet van bewust zijn.
Voor Dahrendorf representeert de democratisering van conflict, structurele
verandering in de samenleving.
Dahrendorf benadrukt de functies van sociaal conflict.
Volgens Dahrendorf is het meer geschikt om naar hedendaagse
kapitalistische economie te refereren als geavanceerd of
postkapitalistische samenleving.
Hedendaagse kapitalisme heeft meerdere economische klassen en niet-
economische interesse groepen, waardoor er vervaging optreedt van
,klassenverhoudingen en conflicterende interesses, tussen verschillende
klassen en niet-economische interesse groepen.
Volgens Dahrendorf zijn er verschillende autoritaire structuren, gebaseerd
op diverse economische, politieke, sociale status en bureaucratische
middelen en interesses.
C. Wright Mills
Bekritiseerde de conceptuele abstracties in Parsons zijn werken,
sarcastisch ernaar refererend als ‘’grand theory’’.
Hij beargumenteerde dat, omdat sociologie zich bezighoudt (of bezig zou
moeten houden) met ‘’al de sociale werelden in welke men heeft geleefd,
leeft, of gaat leven’’, het noodzakelijkerwijs attent moet zijn op de
empirische realiteit in individuele levens en hun kruispunt met
geschiedenis en sociale structuren.
De nieuwe middenklasse bestaat uit: managers, betaalde vakmensen,
verkopers en kantoorwerkers.
De postindustriële samenleving benadrukt het dalende belang van
industriële productie en handarbeid voor de economie, en het toenemende
belang van informatie-uitwisseling en van dienstverlenende and
professionele werkers.
Mills benadrukt de dominerende controle uitgeoefend door economische
markten en bureaucratische organisaties.
De bureaucratisering van werk heeft een ‘’persoonlijkheden markt’’
geproduceerd waarin: werknemers gestandaardiseerde, zelf vervreemde
persoonlijkheden gevormd door ‘’de markt mentaliteit’’ zijn, die de
bureaucratische samenleving domineert.
Hij signaleerde de opkomst van het ‘’managementtype’’: de
gestandaardiseerde, management-ondernemerschap persoonlijkheid wie,
op den duur, hun eigen persoonlijkheid en interesses vormt en vervormt,
om bij de strategische interesses van de organisatie waar ze werken te
passen.
De in bureaucratische organisaties geïnstitutionaliseerde controle strekt
zich uit tot zelfbeheersing.
Mills belicht het tekort van macht van de middenklasse met een vast
salaris en van de arbeiders, tegen wat hij noemt de power elite: de
beslissing makers in de hogere regionen van politieke, economische en
militaire instituties.
, Er is sprake van een steeds grotere verwevenheid van economische,
militaire en politieke structuren die samen een ‘’Triangle of power’’
vormen.
Mills formuleerde een thesis over de massamaatschappij, het idee dat de
grote meerderheid buiten de machtsstructuur van het bedrijfsleven zowel
hulpeloos als ongeïnteresseerd is in het beïnvloeden van de beslissingen
die hun lot bepalen; er werd ook gezegd dat ze door de massamedia
gemanipuleerd en gecontroleerd worden tot passiviteit. Ook
beargumenteerde Mills dat onderwijs een gelijke functie vervult.
Hoofdstuk 13
Pierre Bourdieu
Zoals Durkheim, benadrukt Bourdieu het uitgesproken sociale karakter van
het sociale leven en hoe een bepaalde sociale orde in stand wordt
gehouden.
Maar anders dan Durkheim, maakte Bourdieu sociale hiërarchieën en
ongelijkheid een belangrijke focus. Om specifiek te zijn, benadrukte hij hoe
de objectieve structuur van de sociale klasse en klassenverhoudingen de
dagelijkse cultuur en sociale interactie van het individu bepalen.
Bourdieu zag economisch kapitaal als één, wel heel belangrijke, dimensie
van ongelijkheid.
Drie soorten kapitaal: economisch kapitaal, sociaal kapitaal, cultureel
kapitaal.
De verdeling van sociale klassen is daarom een functie van verschillen in
bezit en gebruik van ‘’de verschillende soorten kapitaal’’.
Wat het economische kapitaal precies inhoudt, is eenvoudig en
gemakkelijk te meten: geld op de bank, bezit van huizen en ander
onroerend goed, beleggingsactiva, etc.
Klasse fracties: sub componenten van sociale klassen.
Cultureel kapitaal kan bestaan in drie vormen: in de belichaamde staat,
dat wil zeggen in de vorm van langdurige gesteldheden van geest en
lichaam; in de objectieve vorm van culturele goederen (denk aan foto’s,
boeken, woordenboeken, instrumenten, etc.) en in de
geïnstitutionaliseerde staat, een vorm van objectivering zoals die wordt
verleend door onderwijskwalificaties.
Bourdieu is ook geïnteresseerd hoe formeel onderwijs en informele
alledaagse culturele gewoonten en ervaringen de culturele competentie
van een individu versterken.
Ralf Dahrendorf benadrukken centrale rol van conflicten
C. Wright Mills belichten van de machtsverhoudingen binnen het
institutionele systeem
Ralf Dahrendorf
Benadrukken van de normaliteit van groep conflict binnen een
samenleving, als tegenstelling op Parsons nadruk op waardenconsensus.
Volgens Dahrendorf bestaat de samenleving uit ongelijke macht en
strijdende groepsintresses en moet daarom begrepen worden vanuit de
termen van dwang en beperking in plaats van vrijwillige gehoorzaamheid
of consensus.
‘’macht is ongelijk verdeeld en daardoor een voortdurende bron van
frictie.’’
De dialectiek van macht en verzet is de drijfkracht van de geschiedenis.
Gerechtigheid is de constant veranderende uitkomst van de dialectiek van
macht en verzet.
Hij ziet conflict niet als een gevaar voor de samenleving, ook al zorgen
sommige conflicten voor geweld die de structuur van een bepaalde
gemeenschap of land ondermijnd.
Geweldloos conflict, is wat democratische samenlevingen karakteriseert,
het vormt een bestanddeel in het sociale leven, als resultaat van de
ongelijke verdeling van macht en autoriteit, en zorgt niet per se voor
wanorde of chaos.
Een belangengroep is een georganiseerde collectiviteit van individuen die
hun openbare interesses delen.
Latente interesses zijn interesses waar mensen zich niet van bewust zijn.
Voor Dahrendorf representeert de democratisering van conflict, structurele
verandering in de samenleving.
Dahrendorf benadrukt de functies van sociaal conflict.
Volgens Dahrendorf is het meer geschikt om naar hedendaagse
kapitalistische economie te refereren als geavanceerd of
postkapitalistische samenleving.
Hedendaagse kapitalisme heeft meerdere economische klassen en niet-
economische interesse groepen, waardoor er vervaging optreedt van
,klassenverhoudingen en conflicterende interesses, tussen verschillende
klassen en niet-economische interesse groepen.
Volgens Dahrendorf zijn er verschillende autoritaire structuren, gebaseerd
op diverse economische, politieke, sociale status en bureaucratische
middelen en interesses.
C. Wright Mills
Bekritiseerde de conceptuele abstracties in Parsons zijn werken,
sarcastisch ernaar refererend als ‘’grand theory’’.
Hij beargumenteerde dat, omdat sociologie zich bezighoudt (of bezig zou
moeten houden) met ‘’al de sociale werelden in welke men heeft geleefd,
leeft, of gaat leven’’, het noodzakelijkerwijs attent moet zijn op de
empirische realiteit in individuele levens en hun kruispunt met
geschiedenis en sociale structuren.
De nieuwe middenklasse bestaat uit: managers, betaalde vakmensen,
verkopers en kantoorwerkers.
De postindustriële samenleving benadrukt het dalende belang van
industriële productie en handarbeid voor de economie, en het toenemende
belang van informatie-uitwisseling en van dienstverlenende and
professionele werkers.
Mills benadrukt de dominerende controle uitgeoefend door economische
markten en bureaucratische organisaties.
De bureaucratisering van werk heeft een ‘’persoonlijkheden markt’’
geproduceerd waarin: werknemers gestandaardiseerde, zelf vervreemde
persoonlijkheden gevormd door ‘’de markt mentaliteit’’ zijn, die de
bureaucratische samenleving domineert.
Hij signaleerde de opkomst van het ‘’managementtype’’: de
gestandaardiseerde, management-ondernemerschap persoonlijkheid wie,
op den duur, hun eigen persoonlijkheid en interesses vormt en vervormt,
om bij de strategische interesses van de organisatie waar ze werken te
passen.
De in bureaucratische organisaties geïnstitutionaliseerde controle strekt
zich uit tot zelfbeheersing.
Mills belicht het tekort van macht van de middenklasse met een vast
salaris en van de arbeiders, tegen wat hij noemt de power elite: de
beslissing makers in de hogere regionen van politieke, economische en
militaire instituties.
, Er is sprake van een steeds grotere verwevenheid van economische,
militaire en politieke structuren die samen een ‘’Triangle of power’’
vormen.
Mills formuleerde een thesis over de massamaatschappij, het idee dat de
grote meerderheid buiten de machtsstructuur van het bedrijfsleven zowel
hulpeloos als ongeïnteresseerd is in het beïnvloeden van de beslissingen
die hun lot bepalen; er werd ook gezegd dat ze door de massamedia
gemanipuleerd en gecontroleerd worden tot passiviteit. Ook
beargumenteerde Mills dat onderwijs een gelijke functie vervult.
Hoofdstuk 13
Pierre Bourdieu
Zoals Durkheim, benadrukt Bourdieu het uitgesproken sociale karakter van
het sociale leven en hoe een bepaalde sociale orde in stand wordt
gehouden.
Maar anders dan Durkheim, maakte Bourdieu sociale hiërarchieën en
ongelijkheid een belangrijke focus. Om specifiek te zijn, benadrukte hij hoe
de objectieve structuur van de sociale klasse en klassenverhoudingen de
dagelijkse cultuur en sociale interactie van het individu bepalen.
Bourdieu zag economisch kapitaal als één, wel heel belangrijke, dimensie
van ongelijkheid.
Drie soorten kapitaal: economisch kapitaal, sociaal kapitaal, cultureel
kapitaal.
De verdeling van sociale klassen is daarom een functie van verschillen in
bezit en gebruik van ‘’de verschillende soorten kapitaal’’.
Wat het economische kapitaal precies inhoudt, is eenvoudig en
gemakkelijk te meten: geld op de bank, bezit van huizen en ander
onroerend goed, beleggingsactiva, etc.
Klasse fracties: sub componenten van sociale klassen.
Cultureel kapitaal kan bestaan in drie vormen: in de belichaamde staat,
dat wil zeggen in de vorm van langdurige gesteldheden van geest en
lichaam; in de objectieve vorm van culturele goederen (denk aan foto’s,
boeken, woordenboeken, instrumenten, etc.) en in de
geïnstitutionaliseerde staat, een vorm van objectivering zoals die wordt
verleend door onderwijskwalificaties.
Bourdieu is ook geïnteresseerd hoe formeel onderwijs en informele
alledaagse culturele gewoonten en ervaringen de culturele competentie
van een individu versterken.