Hoofdstuk 17
Cardiac output (CO (Q)) = hartminuutvolume → HF x SV
Meten van CO kan door 3 methodes
1. Directe Fick methode
2. Indirecte dilution methode
3. CO2 rebreathing methode
1
Twee variabelen die de CO beïnvloeden bij cardiovasculaire dynamica
- a- v̅O2 differentiaal → gemiddeld verschil zuurstof verzadiging van arterieel en gemengd
veneus bloed.
- Vo2 → zuurstof opname in 1 minuut.
V O 2( mL∙ min)
CO (mL∙ min) = x 100
a−v O2 differentiaal (mL per 100 mL bloed )
2
Doormiddel van contrast vloeistof wordt de CO gemeten
CO = hoeveelheid contrast injecties / (gemiddelde contrast concentratie x looptijd curve)
3
Bijna dezelfde methode als Fick, alleen wordt hier de CO 2 gemeten.
V CO 2(mL ∙ min)
CO = x 100
a−v O2 differentiaal (mL per 100 mL bloed)
Gemiddelde man (70kg) pompt 5L bloed per minuut, als CO normaal is.
Gemiddelde vrouw (56 kg) 4L bloed per minuut, als CO normaal is.
SV = Q / HR
Bij getrainde is de HF in rust lager. Dit komt door:
- ↑ acetylcholine (parasympatisch) en ↓ sympathetische prikkels
- ↑ myocardiale contractie en ↑ rek ventrikel bij vullen. Samen ↑ SV
Bij activiteit neemt de bloedstroom direct toe. Hierdoor stijgt de CO. CO blijft stijgen tot bloedstroming
gelijk is aan de metabole vraag.
Tijdens maximale inspanning: ongetraind 22 L bloed /min en getraind 35 L bloed / min, mits CO
normaal is.
Getrainde halen een ↑ CO door een toegenomen SV. De HF zal bij gelijke activiteit lager liggen dan
een ongetrainde.
Fysiologische mechanismes voor ↑ SV tijdens inspanning.
1. Betere vulling ventrikel in diastole + krachtigere contractie ventrikel in systole
2. Neuro hormonale invloed zorgt voor krachtigere contractie en het beter legen van de
ventrikels
3. Adaptatie door training ↑ bloedvolume en ↓ weerstand van perifeer weefsel.
Getrainde hebben dus een ↓ eind diastolisch volume (EDV)
Bloed verdeling in rust is ± 20% naar spieren tijdens activiteit waarbij grote spiergroepen worden
gebruikt kan dit wel 80-85% zijn. De bloedtoevoer naar nieren, ingewanden en lever wordt dan minder.
Hart en hersenen blijven altijd de zelfde hoeveelheid bloedtoevoer houden.
Herverdelen bloed onder de organen tijdens activiteit komt door re-distributie.
VO2 afhankelijk van
- O2 Opname in longen
- O2 Gehalte in bloed
Cardiac output (CO (Q)) = hartminuutvolume → HF x SV
Meten van CO kan door 3 methodes
1. Directe Fick methode
2. Indirecte dilution methode
3. CO2 rebreathing methode
1
Twee variabelen die de CO beïnvloeden bij cardiovasculaire dynamica
- a- v̅O2 differentiaal → gemiddeld verschil zuurstof verzadiging van arterieel en gemengd
veneus bloed.
- Vo2 → zuurstof opname in 1 minuut.
V O 2( mL∙ min)
CO (mL∙ min) = x 100
a−v O2 differentiaal (mL per 100 mL bloed )
2
Doormiddel van contrast vloeistof wordt de CO gemeten
CO = hoeveelheid contrast injecties / (gemiddelde contrast concentratie x looptijd curve)
3
Bijna dezelfde methode als Fick, alleen wordt hier de CO 2 gemeten.
V CO 2(mL ∙ min)
CO = x 100
a−v O2 differentiaal (mL per 100 mL bloed)
Gemiddelde man (70kg) pompt 5L bloed per minuut, als CO normaal is.
Gemiddelde vrouw (56 kg) 4L bloed per minuut, als CO normaal is.
SV = Q / HR
Bij getrainde is de HF in rust lager. Dit komt door:
- ↑ acetylcholine (parasympatisch) en ↓ sympathetische prikkels
- ↑ myocardiale contractie en ↑ rek ventrikel bij vullen. Samen ↑ SV
Bij activiteit neemt de bloedstroom direct toe. Hierdoor stijgt de CO. CO blijft stijgen tot bloedstroming
gelijk is aan de metabole vraag.
Tijdens maximale inspanning: ongetraind 22 L bloed /min en getraind 35 L bloed / min, mits CO
normaal is.
Getrainde halen een ↑ CO door een toegenomen SV. De HF zal bij gelijke activiteit lager liggen dan
een ongetrainde.
Fysiologische mechanismes voor ↑ SV tijdens inspanning.
1. Betere vulling ventrikel in diastole + krachtigere contractie ventrikel in systole
2. Neuro hormonale invloed zorgt voor krachtigere contractie en het beter legen van de
ventrikels
3. Adaptatie door training ↑ bloedvolume en ↓ weerstand van perifeer weefsel.
Getrainde hebben dus een ↓ eind diastolisch volume (EDV)
Bloed verdeling in rust is ± 20% naar spieren tijdens activiteit waarbij grote spiergroepen worden
gebruikt kan dit wel 80-85% zijn. De bloedtoevoer naar nieren, ingewanden en lever wordt dan minder.
Hart en hersenen blijven altijd de zelfde hoeveelheid bloedtoevoer houden.
Herverdelen bloed onder de organen tijdens activiteit komt door re-distributie.
VO2 afhankelijk van
- O2 Opname in longen
- O2 Gehalte in bloed