met oefeningen
Hoofdstuk 1 – Basisbegrippen en materie
Chemische verandering = een verandering in chemische samenstelling en structuur
fysische verandering = een verandering die de chemische structuur niet verandert
verschillende toestanden:
- vast → bv. ijs
- vloeibaar → bv. water
- gas → bv. waterdamp
Zuivere stof = een substantie die een gelijke chemische samenstelling heeft
- enkelvoudige stof → kan niet worden afgebroken
- samengestelde stof → kan afgebroken worden
Mengsel = een mengeling van 2 of meer substanties
- Homogeen mengsel = uniform mengsel met dezelfde samenstelling
- Heterogeen mengsel = niet-uniform mengsel met niet-dezelfde samenstelling
Reagentia = links van reactiepijl Reactieproducten = rechts van pijl Regels beduidende
cijfers:
- nullen in midden van het getal is beduidend
- nullen bij begin van het getal zijn niet beduidend
- nullen bij het einde zijn beduidend Regels afronden van kommagetallen:
- bij vermenigvuldiging en deling kan het antwoord niet meer beduidende
cijfers hebben dan de originele getallen
- bij som of verschil kan het antwoord niet meer cijfers bevatten na de
decimale komma dan de oorspronkelijke getallen
Soortelijke warmte = hoeveelheid warmte nodig om de temperatuur van 1 g van een stof
met 1 °C te doen stijgen
,Oefeningen
1. Geef drie voorbeelden van fysische veranderingen.
2. Waarom is smelten geen chemische verandering?
3. Rond af met correcte beduidende cijfers: 12,345 × 0,40.
Hoofdstuk 2 – Atomaire structuur
Protonen = positieve lading
Neutronen = neutrale lading, massa gelijk aan die van protonen
Elektronen = negatieve lading, massa wordt vaak als verwaarloosbaar beschouwd Protonen
en neutronen in de kern. Elektronen rond de kern.
Tegengestelde elektrische ladingen trekken elkaar aan, dezelfde elektrische ladingen stoten
elkaar af → protonen en elektronen trekken elkaar aan
Protonen en neutronen in de kern worden bijeengehouden door sterke kernkracht
Atoomnummer (Z) = is het aantal protonen van een gegeven element
Massagetal (A) = is de som van het aantal protonen en neutronen in een atoom. Aantal
positief geladen protonen en negatief geladen elektronen zijn gelijk → atoom neutraal
atoommassa = isotopische overvloed + isotopische massa
Isotopen = atomen met identieke atoomnummers maar verschillende massagetallen
(bv. Tropium, deuterium en tritium)
BLAUW → metaal
GROEN → metalloïden GOUD → niet
metalen
groep 1A = alkalimetalen
- laag smeltpunt
- reageert met water voor alkalische producten te vormen
- hoe reactiviteit groep 2A = aardalkalimetalen groep 7A = halogenen groep
8A = edelgassen
- chemisch niet reactief
- Helium, neon en argon combineren niet met andere elementen
, Elektronen in een atoom zijn gegroepeerd rond de kern in schillen
- 1ste schil: 2 elektronen → enkel s-subschil
- 2de schil: 8 elektronen → bevat s- en p-subschil
- 3de schil: 18 elektronen → bevat s-, p- en d-subschil
- 4de, 5de, 6de en 7de schil: 32 elektronen → bevat s-, p-, d- en f-subschil In
elke subschil worden de elektronen gegroepeerd in orbitalen:
- s → 1 orbitaal
- p → 3 orbitalen
- d → 5 orbitalen
- f → 7 orbitalen
Elektronenconfiguratie heeft 3 regels:
- Wet van minimum-energie → elektronen bezetten de laagst mogelijke
beschikbare energie-orbitalen
- Pauli-principe → orbitaal kan hoogstens 2 elektronen bevatten
- Regel van Hund → Bij het opvullen van orbitalen in hetzelfde subniveau,
wordt eerst één elektron geplaatst in elk beschikbaar orbitaal, alvorens een
2de elektron te plaatsen in hetzelfde orbitaal
Valentieschil = is de buitenste elektronenschil van een atoom
Valentie-elektronen = elektron in de valentieschil van een atoom
Oefeningen
4. Bepaal de elektronenconfiguratie van Na en Ca.
5. Wat is het verschil tussen isotopen?
6. Waarom zijn edelgassen weinig reactief?
Hoofdstuk 3 – Chemie van het menselijk lichaam
Lichaamsvloeistof (70% van lichaamsmassa)
- intracellulaire vloeistof (in de cellen, 55% van totale lichaamswater)
- extracellulaire vloeistof (buiten de cellen, 45% van totale lichaamswater)