100% de satisfacción garantizada Inmediatamente disponible después del pago Tanto en línea como en PDF No estas atado a nada 4,6 TrustPilot
logo-home
Resumen

Justitiële interventies Volledige Samenvatting literatuur justitiële interventies 25-26

Puntuación
-
Vendido
-
Páginas
92
Subido en
14-01-2026
Escrito en
2025/2026

Volledige Samenvatting van de literatuur van justitiële interventies studiejaar

Institución
Grado














Ups! No podemos cargar tu documento ahora. Inténtalo de nuevo o contacta con soporte.

Escuela, estudio y materia

Institución
Estudio
Grado

Información del documento

Subido en
14 de enero de 2026
Número de páginas
92
Escrito en
2025/2026
Tipo
Resumen

Temas

Vista previa del contenido

Samenvatting literatuur justitïele interventies
Hoorcollege 1: Wat werkt in straf- en civielrechtelijk kader?

“Wat Werkt Laten Werken – Landelijk Kwaliteitskader Effectieve Jeugdinterventies voor Preventie
van Jeugdcriminaliteit” van Hendriks & Stams (2024):

📘 Doel en achtergrond van het rapport

Het rapport is opgesteld in opdracht van het Ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV) om
een landelijk kwaliteitskader te ontwikkelen voor effectieve preventieve interventies tegen
jeugdcriminaliteit.
Het doel is om gemeenten en professionals handvatten te bieden voor:

 het selecteren van effectieve en wetenschappelijk onderbouwde interventies;
 het voorkomen van wildgroei aan ongetoetste programma’s;
 het stimuleren van kosten- en maatschappelijke effectiviteit.

Het kwaliteitskader richt zich vooral op secundaire (selectieve) en tertiaire
(geïndiceerde) preventie, gericht op jongeren tussen 8 en 27 jaar met een verhoogd risico op
criminaliteit.




⚖️
Kernprincipes van effectieve preventieve interventies

1. Wetenschappelijke onderbouwing:
Alleen interventies die theoretisch en empirisch onderbouwd zijn, moeten worden
toegepast. Nieuwe interventies zonder bewijs mogen enkel worden uitgerold als ze
gekoppeld zijn aan effectonderzoek.
2. Domeinoverstijgende samenwerking:
Effectieve aanpakken combineren zorg-, onderwijs-, en veiligheidsdomeinen en
werken gebiedsgericht en levensloopgericht.
3. Kinderrechtenperspectief:
Preventiebeleid moet in lijn zijn met het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het
Kind (IVRK), waarbij bescherming, participatie en ontwikkeling van jongeren centraal staan.
4. Balans tussen preventie en repressie:
Het rapport benadrukt dat preventie (“de zachte hand”) en handhaving (“de harde hand”)
elkaar versterken in plaats van uitsluiten.




🔍 Belangrijkste bevindingen uit onderzoek

1. Centrale risicodomeinen

Preventieve interventies moeten zich richten op zeven dynamische criminogene factoren:

1. Antisociale attitudes en disfunctionele cognities
2. Antisociale persoonlijkheid
3. Contact met deviante leeftijdsgenoten

, 4. Problemen op school of werk
5. Ongestructureerde vrijetijdsbesteding
6. Middelengebruik
7. Opvoedings- en gezinsproblemen

Hoe meer en hoe ernstiger jongeren aan deze factoren blootstaan, hoe groter de kans op
delinquentie.

2. Effectiviteit van verschillende interventietypen

 Opvoedingsinterventies: Werken vooral vóór de adolescentie; daarna neemt de invloed van
ouders sterk af.
 Interventies gericht op agressie, zelfcontrole en trauma: Hebben bewezen effect, vooral bij
jongeren met hoge risico’s.
 Interventies op school en werk: Laten weinig effect zien op criminaliteitsreductie.
 Mentorprogramma’s: Kunnen effectief zijn, vooral als ze deel uitmaken van een
multimodale aanpak en als de jongere zelf een vertrouwenspersoon kiest.
 Voorlichting en educatieprogramma’s: Werken nauwelijks of hebben soms zelfs negatieve
effecten.
 Sport en cultuur: Hebben een algemeen preventieve werking, mits deelname laagdrempelig
is en deel uitmaakt van een positieve opvoedcontext.

3. Multimodale systeeminterventies

Deze interventies combineren meerdere werkzame elementen en richten zich op diverse domeinen
(gezin, school, vrienden). Ze tonen bescheiden maar consistente positieve effecten en zijn
vaak kosteneffectief.




🧩 Wat werkt principes (“Wat Werkt Laten Werken”)

1. Interventies moeten aansluiten op de ontwikkelingsfase (8–12, 12–18, 18–27 jaar).
2. Risicotaxatie (zoals EARL-PC, LIJ of ERBIJ) is essentieel om interventies af te stemmen op het
risico- en behoefteprofiel.
3. Oplossingsgerichte methoden en actieve betrokkenheid van het sociale netwerk vergroten
de kans op succes.
4. Samenwerking met één vaste vertrouwenspersoon uit het eigen netwerk van de jongere is
effectiever dan formele netwerkberaden.
5. Interventies moeten multidisciplinair en langdurig worden ingezet, met aandacht voor
continuïteit en nazorg.




🏙️
Aanbevelingen voor beleid en praktijk

 Gemeenten moeten één centraal kwaliteitskader hanteren om interventies te selecteren,
monitoren en evalueren.
 Er moeten minder, maar beter onderzochte interventies worden ingezet.
 Nieuwe interventies alleen ontwikkelen bij aantoonbare leemte in het bestaande aanbod.

,  Stimuleer regionale samenwerking tussen gemeenten om effectonderzoek mogelijk en
betaalbaar te maken.
 Creëer laagdrempelige toegang tot sport, cultuur en onderwijs, vooral voor jongeren met
meervoudige risico’s.
 Gebruik wetenschappelijke kennis als uitgangspunt, niet politieke of maatschappelijke
aannames.




💡 Conclusie

Het rapport benadrukt dat jeugdcriminaliteit een complex, multicausaal fenomeen is dat vraagt
om integraal, wetenschappelijk onderbouwd beleid.
Een effectief preventiebeleid combineert:

 vroege signalering van risico’s,
 evidence-based interventies,
 samenwerking tussen zorg, onderwijs en veiligheid,
 en structurele evaluatie van resultaten.

Kortom: “Wat werkt, moet laten werken” – beleid en praktijk dienen te steunen op bewezen
effectieve methoden, gericht op het versterken van beschermende factoren en het terugdringen van
veranderbare risicofactoren.



Artikel van der put “Identifying Effective Components of Child Maltreatment Interventions: A
Meta-analysis”

🧩 Inleiding en theoretische achtergrond

Kindermishandeling is wereldwijd een ernstig maatschappelijk probleem dat miljoenen kinderen
treft. De prevalentie varieert sterk afhankelijk van de onderzoeksmethode: van slechts 0,3% in
officiële meldingen tot 36,6% in zelfrapportages (Stoltenborgh et al., 2014). De gevolgen zijn
ingrijpend: fysieke letsels, psychische stoornissen, gedragsproblemen en langdurige sociale en
economische schade. Zowel voor slachtoffers als voor de samenleving leidt dit tot hoge
maatschappelijke kosten (Alink et al., 2012; Gilbert et al., 2008; Jonson-Reid et al., 2012).

Door de ernst en omvang van het probleem is effectieve preventie en interventie cruciaal. In de
afgelopen decennia zijn talrijke programma’s ontwikkeld om kindermishandeling
te voorkomen (gericht op risicogroepen) of te reduceren(gericht op gezinnen waar mishandeling
reeds plaatsvindt). Toch laten eerdere meta-analyses zien dat de gemiddelde effectiviteit van deze
interventies beperkt is. De gevonden effecten zijn doorgaans klein en soms statistisch marginaal
(Euser et al., 2015; Geeraerts et al., 2004; MacLeod & Nelson, 2000).

De auteurs stellen dat het niet voldoende is om te weten óf een interventie werkt — het is
essentieel te begrijpen waarómen welke onderdelen verantwoordelijk zijn voor succes. In eerdere
literatuur worden zulke onderdelen vaak aangeduid als practice elements, core
components of behavior change techniques (Chorpita & Daleiden, 2009; Michie et al., 2013; Blase &
Fixsen, 2013).
Blase & Fixsen onderscheiden drie categorieën van zulke componenten:

, 1. Contextuele factoren – type gezin, setting (thuis, kliniek), of doelpopulatie.
2. Structurele elementen – duur en intensiteit van de interventie, type uitvoerder.
3. Inhoudelijke en didactische elementen – zoals opvoedvaardigheden, ouderlijke
zelfeffectiviteit, sociale steun of de gebruikte trainingsmethoden (modeling, rollenspel,
psycho-educatie, etc.).

Het doel van deze meta-analyse was om te bepalen welke specifieke inhoudelijke en structurele
componentenbijdragen aan effectieve interventies tegen kindermishandeling. Door inzicht te krijgen
in wat werkt (en wat niet), kan men:

 bestaande interventies verbeteren door effectieve elementen te integreren;
 ineffectieve of overbodige onderdelen schrappen;
 nieuwe programma’s ontwikkelen die doelgerichter en efficiënter zijn.

De auteurs maken ook gebruik van theoretische modellen zoals het Risk–Need–Responsivity (RNR)-
model (Andrews & Bonta, 2010). Dit model, bekend uit de criminologie, stelt dat interventies het
meest effectief zijn als hun intensiteit aansluit op het risiconiveau van de doelgroep: meer intensief
bij hoog risico, minder bij laag risico. Omdat kindermishandeling net als delinquentie voortkomt uit
een combinatie van risicofactoren in meerdere systemen (Belsky, 1980, 1993), veronderstellen de
auteurs dat dit principe ook hier toepasbaar is.

Belangrijke risicofactoren voor mishandeling zijn:

 armoede en stress in het gezin,
 psychische problemen of verslaving bij ouders,
 beperkte opvoedingsvaardigheden en lage ouderlijke zelfeffectiviteit.
Daartegenover staan beschermende factoren zoals sociale steun, veerkracht van ouders en
kinderen, en een positieve ouder-kindrelatie.

De studie onderscheidt twee hoofdtypen interventies:

1. Preventieve interventies, gericht op risicogezinnen of de algemene populatie.
2. Curatieve interventies, gericht op gezinnen waarin reeds mishandeling heeft
plaatsgevonden.




🧠 Belangrijkste inzichten uit de discussie en conclusie

De meta-analyse omvatte 121 onafhankelijke studies met in totaal ruim 39.000 deelnemers.
Hoewel de resultaten zelf buiten deze samenvatting blijven, worden in de discussie de theoretische
en praktische implicaties uitgebreid toegelicht.

1. Interventies werken – maar effectgroottes zijn bescheiden

De studie bevestigt dat interventies een significant positief effect hebben op het voorkomen en
verminderen van kindermishandeling, maar de effecten zijn over het algemeen klein tot matig (d ≈
0.26–0.36).
Curatieve interventies (gericht op reeds mishandelende gezinnen) laten doorgaans iets sterkere
effecten zien dan preventieve, vermoedelijk omdat de problematiek daar ernstiger is en verandering
dus beter meetbaar.

,2. Werkzame interventietypen

De meest effectieve interventievormen zijn:

 Cognitieve gedragstherapie (CGT)
 Huisbezoeken door getrainde professionals
 Oudertrainingen (zoals Triple P en ACT-Raising Safe Kids)
 Gezinsgerichte of multisysteeminterventies (zoals MST-CAN)
 Interventies gericht op verslavingsproblematiek van ouders
 Combinatieprogramma’s die meerdere aanpakken integreren

3. Werkzame componenten

Effectieve interventies bevatten vaak de volgende inhoudelijke elementen:

 Verbetering van opvoedingsvaardigheden
 Emotionele of sociale steun voor ouders
 Behandeling van psychische problemen of verslaving bij ouders
 Versterking van de ouderlijke zelfvertrouwen in preventieve programma’s
 Bevordering van het welzijn van het kind in curatieve programma’s

4. Interventieduur en intensiteit

Een opvallende bevinding is dat kortdurende preventieve interventies (tot 6 maanden) effectiever
blijken dan langere programma’s. Dit “less is more”-principe sluit aan bij eerdere bevindingen in de
jeugdzorg en ontwikkelingspsychologie: korte, gerichte interventies leiden tot meer
gedragsverandering, mits goed uitgevoerd.
Voor curatieve interventies speelt duur geen significante rol, maar de intensiteit moet worden
afgestemd op het risiconiveau (conform het RNR-model).

5. Professionele uitvoering

Interventies uitgevoerd uitsluitend door professionals waren effectiever dan die waarbij ook
vrijwilligers of niet-gespecialiseerde uitvoerders betrokken waren. Dit onderstreept het belang
van kwaliteit en training van hulpverleners.

6. Beperkingen

De auteurs wijzen op enkele methodologische beperkingen:

 Niet alle relevante studies konden worden opgenomen, ondanks een brede zoekstrategie.
 Sommige primaire studies rapporteerden onvoldoende over interventiekenmerken.
 Veel onderzoek is afkomstig uit westerse contexten, vooral de VS, waardoor
generaliseerbaarheid beperkt kan zijn.
 De relatie tussen meldingen bij jeugdbescherming en daadwerkelijke mishandeling is niet
altijd eenduidig.

7. Implicaties voor beleid en praktijk

De bevindingen leiden tot drie belangrijke aanbevelingen:

, 1. Kies interventies met bewezen effectiviteit – bij voorkeur evidence-based programma’s met
cognitief-gedragsmatige of systeemgerichte benadering.
2. Integreer effectieve componenten (zoals ouderlijke vaardigheden en sociale steun) in
bestaande interventies.
3. Pas interventies aan op risiconiveau en gezinscontext in plaats van standaardpakketten toe
te passen.

8. Conclusie

Interventies tegen kindermishandeling kunnen effectief zijn, maar de effectgroottes tonen
dat ruimte voor verbeteringgroot is. De sleutel ligt in het identificeren en combineren van bewezen
werkzame elementen in een geïntegreerde aanpak.
Een sterke theoretische basis, goed getrainde professionals, en maatwerk per gezin zijn cruciaal voor
duurzame resultaten.

📚 Kernboodschap

De studie van Van der Put et al. (2018) benadrukt dat effectieve aanpak van kindermishandeling niet
afhangt van één specifieke methode, maar van de juiste combinatie van wetenschappelijk
onderbouwde componenten – afgestemd op de unieke risico’s en behoeften van gezinnen.

Hoorcollege 2: Het justitiële jeugdstelsel: De raad voor de kinderbescherming als spin in het web
Hendriks hoofdstuk 20: Het landelijke instrumentarium jeugdstrafrechtketen (LIJ)
Samenvatting
het Landelijk instrumentarium jeugdstrafketen (LIJ) is ontwikkeld voor jongeren die met
verschillende partijen uit de keten te maken krijgen. Het bestaat uit de risico en behoeftetaxaties
door de politie, bureau HALT, De raad voor de kinderbescherming, de jeugdreclassering en de
justitiële jeugdinrichtingen. LIJ begon in 2009-2011 met de eerste testen en nu gaan we de laatste
versie van LIJ bespreken.
Inleiding
Risico en behoeftetaxatie is nodig voor de best passende interventie. Een risicotaxatie brengt in
kaart hoe groot het risico is op recidive en behoeftetaxatie brengt in beeld welke criminogene
factoren er aanwezig waren en die dus veranderbare risicofactoren zijn. De taxaties zijn nodig om te
werken volgens het Risk/Needs en responsivity model RNR. Interventies gebaseerd op dit model
laten 35% minder recidive zien. Het RNR model bestaat uit drie principes waaraan een interventie
moet voldoen
- Risk: risicobeginsel, de intensiteit van de interventie moet passen bij de hoogte van
het risico op recidive.
- Needs: Het behoeftebeginsel, stelt dat de interventie gericht moet zijn op
dynamische (veranderbare) risicofactoren die samenhangen met recidive.
- Responsivity, het responsiviteitbeginsel, de aanpak moet aansluiten op de motivatie,
leerstijl en intellectuele mogelijkheden van een dader om zo de effectiviteit zo groot
mogelijk te maken.
Het LIJ is gespecialiseerd in het verzamelen van gegevens van criminogene behoeften, responsiviteit,
zorgsignalen en beschermende factoren, je hebt drie fase
- De eerste fase (preselectie) begint op het moment dat jongeren na het plegen van
een strafbaar feit worden verhoord door de politie
- De tweede fase (selectie) start nadat er een proces verbaal is opgemaakt

, - Derde fase (interventie) start wanneer een jongeren is gevonnist.
Eerst vaak grotere groepen jongeren door middel van instrumenten gescreend daarna worden de
groepen kleiner. In de eerste fase met name risicotaxatie, later meer om het stellen van diagnoses,
advisering en indicering
Risicotaxatie in fase één (preselectie)
De informatie wordt verzamelt door de politie, de politie moet beslissen of een jongere naar HALT
gaat of dat er een proces verbaal wordt opgemaakt. Ook beslissen ze of er een zorgmelding moet
worden gedaan bij Veilig Thuis. De eerste beslissing wordt vooral gebaseerd op het recidive risico. In
deze fase wordt er nog niet gekeken naar de risicofactoren. Het instrument voor recidive is preselect
recidive voor de omstandigheden in de opvoeding en zorg voor de melding voor veilig thuis heb je
het instrument preselect zorg. Deze instrumenten gaan automatisch en gebruiken de informatie in
het meldingssysteem van de politie en hebben een terugzoektijd van vijf jaar.
Preselect recidive
Je hebt in dit instrument twintig verschillende risicogroepen van 91% risico op recidive als hoogst tot
17% risico op recidive als laagst. De risicogroepen zijn tot stand gekomen door CHAID dat is een
classifiseringssysteem waarmee interactie-effecten tussen onafhankelijke variabelen worden
opgespoord en daarmee combinaties van risicofactoren worden geïdentificeerd die leiden tot een
hoge of lage risico op recidive. Eerste stap is de hoeveelheid delicten die iemand heeft gepleegd,
daarmee heb je al vier groepen. vervolgens hebben alle subgroepen weer een sterkste samenhang
met een risicofactor en zo worden ze gesplitst tot twintig groepen in totaal. Om tot een bruikbare
risico-indeling te komen zijn de twintig groepen samengevoegd tot drie subgroepen, hoog, midden
en laag.
Preselect zorg
preselect zorg heeft een zelfde soort systeem, maar dan met zorg als uitkomstmaat. Zorg is
gedefinieerd als toekomstige ondertoezichtstelling , toekomstige zorgaanspraak, toekomstige
incidenten met huiselijk geweld of zedenmisdrijf met jongeren op dat adres. In de totale CHAID
output heb je zestien subgroepen. De belangrijkste voorspellers van zorg zijn anders dan de
voorspellers voor recidive. Recidive heeft vooral met eerdere delicten van de dader zelf te maken en
bij zorg heeft het te maken met eerdere meldingen van anderen op hetzelfde woonadres, zoals
huiselijk geweld. Uiteindelijk vijf subgroepen om het duidelijk te maken, wat is de kans dat
toekomstige zorg nodig is: zeer hoog, hoog, gemiddeld, laag, zeer laag. De kans varieert van 81% in
zeer hoog tot 9% in zeer laag.
Risicotaxatie in de tweede fase
De informatie wordt verzameld door HALT of de raad voor de kinderbescherming (RvdK) en zo nodig
jeugdreclassering (JR) en het Nederland instituut voor forensische Psychiatrie en psychologie (NIFP).
Deze risicotaxatie is schaars en moet daarom zuinig mee omgegaan worden. HALT maakt gebruik
van een screeninginstrument om te bepalen of doorverwijzing naar veilig thuis noodzakelijk is. RvdK
neemt een korte screening af, Ritax a, dient om risicoprofiel op te stellen en te bepalen of
aanvullend onderzoek nodig is. daarnaast ook onderzocht of er niet nog aanvullende diagnostiek van
de NIFP nodig is. lijken er wel zorgsignalen te zijn kan een breder screeningsinstrument worden
ingezet Ritax B, deze wordt ingezet wanneer:
- Als Ritax a een midden score en één hoog score geeft op dynamische risico profiel
- De totaalscore DRP Ritax a hoog is
- Er sprake is van een inbewaringstelling
De informatieverzameling voor Ritax a en b vindt plaats door middel van dossieranalyse en
gestructureerde interviews met de jongere en ouders/verzorgers, ook de mentor op school wordt
om informatie gevraagd. Het belangrijkste doel van instrument Ritax B is een meer diepgaande
$9.55
Accede al documento completo:

100% de satisfacción garantizada
Inmediatamente disponible después del pago
Tanto en línea como en PDF
No estas atado a nada

Conoce al vendedor
Seller avatar
laura-schouten

Documento también disponible en un lote

Conoce al vendedor

Seller avatar
laura-schouten Universiteit Utrecht
Seguir Necesitas iniciar sesión para seguir a otros usuarios o asignaturas
Vendido
1
Miembro desde
4 meses
Número de seguidores
0
Documentos
3
Última venta
1 hora hace

0.0

0 reseñas

5
0
4
0
3
0
2
0
1
0

Recientemente visto por ti

Por qué los estudiantes eligen Stuvia

Creado por compañeros estudiantes, verificado por reseñas

Calidad en la que puedes confiar: escrito por estudiantes que aprobaron y evaluado por otros que han usado estos resúmenes.

¿No estás satisfecho? Elige otro documento

¡No te preocupes! Puedes elegir directamente otro documento que se ajuste mejor a lo que buscas.

Paga como quieras, empieza a estudiar al instante

Sin suscripción, sin compromisos. Paga como estés acostumbrado con tarjeta de crédito y descarga tu documento PDF inmediatamente.

Student with book image

“Comprado, descargado y aprobado. Así de fácil puede ser.”

Alisha Student

Preguntas frecuentes