1 FILOSOFIE
Filosofie= wetenschappelijk streven naar kennis om de tijd en wereld te doorgronden
Philo= vriend
Sofie= wijsheid
Filosofie: Wijs begeerte, vriend van de wijsheid
1.1 KENMERKEN
Nadenken
- Reflecteren(=terug buigen). Vermogen tot
stilvallen bij en reflecteren op jezelf
- Filosofie= epochaal(=onderbreking om na te
denken)
- Epochaal= filosofie die zich dicht afspeelt bij het concrete leven.
Radicaal en fundamenteel nadenken
- An Sich vs. für mich (Kant)
o An sich= objectief
o Fur mich= subjectief
- Radicaal= tot op het bot gaan
- Fundamenteel= Iets dat aan de basis ligt
- Vb. olifant
o Verschillende elementen zijn maar kleine stukjes
o In het geheel bekijken
Radicaal en fundamenteel nadenken vanuit de ervaring van verwondering
- Verwondering= kracht die de mens in de richting van het filosoferen voortstuwt
1. Spontaan getroffen worden
2. Zekere wonde
3. Bewondering & fascinatie
- Wonder= onverwachte, onverklaarbare gebeurtenis
o Iemand geneest plots van een ongeneselijke ziekte
- Mirakel= een religieus geïnterpreteerd wonder (tussenkomst van god)
o Elk mirakel is een wonder, niet elk wonder is een mirakel.
o Water veranderd in wijn
- Mythen= symbolisch verhaal met betekenis
o Heldenverhaal
1.2 FILOSOFIE VAN ZIEKTE EN GEZONDHEID A.D.H.V. DE DRIE WERELDBEELDEN
Filosofie van de westerse cultuur
- Het wereldbeeld vormt fundament van de cultuur
- Pre-moderniteit > moderniteit > postmoderniteit
,Wereldbeelden
Het premoderne of traditionele wereldbeeld 500 – 1500 na chr.
Het moderne wereldbeeld 1500 – 1970 na chr.
Het postmoderne wereldbeeld 1970 - … na chr.
1.2.1 Premoderniteit
Wereldbeeld
- Hiërarchisch en organisch geheel
- Dominant in de christelijke middeleeuwen
Kernideeën
Werkelijkheid Als levend organisme: hiërarchisch en organisch geheel
De mens Afhankelijk van hogere krachten, niet autonoom
God Vanzelfsprekend, bepaalt alles
De tijd Cyclisch→ seizoenen, natuur
De moraal Gegeven door God, vaststaand en universeel
Het leven Platteland en dorpscultuur
Achtergronden
- Germaanse religie= Polytheïstisch, goden voor elk aspect van leven (dood, liefde…),
gebaseerd op offers en hiërarchie.
- Christelijke godsdienst= Monotheïsme, god is actief en transcedent, openbaart zich
aan de mens
- Plato, Griekse filosofie
o Dualisme: scheiding tussen stoffelijke wereld (waarneembaar) en onstoffelijke
wereld (geestelijk)
o Denken (ratio) is belangrijker dan waarneming (empirie)
Over ziekte & gezondheid
- Oudheid – religieuze laag= ziekte als straf of teken van verstoring met goden. Offers en
reinheid is belangrijk
- Middeleeuwen – een metafysische laag= lichaam is minder belangrijk dan ziel. Ziekte
heeft een spirituele betekenis. Focus op zielzorg en gastvrijheid. Geïnspireerd door
Plato’s dualisme.
1.2.2 Moderniteit
Wereldbeeld
- Wereld wordt gezien als machine: voorspelbaar en verklaarbaar.
- Sterk geloof in wetenschap, vooruitgang en individuele vrijheid
- Dominant in de Verlichting en industriële revolutie
Kernideeën
Werkelijkheid Een mechanisme dat te analyseren is. Focus op hoe, niet waarom
De mens Autonoom, rationeel en kritisch. Vertrekt vanuit twijfel: “ik denk dus ik
ben” (dubito ergo sum)
, God Van schepper naar afwezige naar niet-bestaand, wantrouwen
De tijd Lineair: alles gaat vooruit, gericht op vernieuwing en groei.
De moraal Zelf kiezen, vrijheid en zelfontplooiing staan centraal.
Het leven Stedelijk, gericht op werk en productie→ industrie
Religie en kritiek op religie
- God wordt gezien als klokkenmaker: hij zet de wereld in gang, maar bemoeit zich er niet
mee.
- Kritiek komt van de “meester van het wantrouwen”:
1. Karl Marx: religie onderdrukt, verhindert sociale verandering.
o Belooft paradijs in de hemel
2. Sigmund Freud: religie is een illusie, vervanging door ouderfiguur.
3. Nietzsche: God is dood → mens moet zelf zin geven aan het leven.
Achtergronden
- Historisch
o Renaissance & humanisme: mens als zelfstandig, kritisch wezen
o Kritiek op kerk, herwaardering van antieke kennis
o Centrale waarde: humanitas= menselijkheid.
- Verlichting (Kant)
o Sapere aude = durf zelf te denken.
o Sleutelwoorden:
▪ Kritische rede
▪ Emancipatie
▪ Vooruitgangsdenken
- Ontstaan moderne wetenschap
o 16e – 17e eeuw: breuk met oude wereldbeeld
o Empirische methode (observatie + experiment)
o Denk aan: Copernicus, Galilei, Kepler en Newton
▪ Copernicus en Galilei: Heliocentrische (zon in midden) ><geocentrische
(aarde in midden)
▪ Johannes Keplet: Planeten: ellipsbanen i.p.v. cirkelbanen
▪ Isaac Newton: Gedetermineerdheid: oorzaak – gevolg
o Alles wordt verklaarbaar → wetenschap en geloof raken losgekoppeld
- Filosofisch (Descartes)
o Mens= denkend ik.
o Dualisme: lichaam en geest zijn gescheiden, maar verbonden.
o Grondhouding: twijfel als beginpunt van zekere kennis
- Cultureel
o Symbolen van moderniteit:
▪ Vrijheidsbeeld→ autonomie en hoop
▪ Empire State Building → Menselijke controle, ‘Sky is the limit’.
Ziekte & gezondheid
- Geloof in maakbaarheid van het lichaam
- Gezondheid= ideaal, focus op controle, preventie, fitness.
- Lijden en dood worden weggestopt.
- Zorg wordt gemedicaliseerd: alles wordt een medisch probleem.