Inhoudsopgave
TENTAMENGUIDE PRIVAATRECHT ................................................................................................. 1
WEEK 1 : SCHULDEN EN VERBINTENISSEN .................................................................................... 4
LEERDOEL 1 – Juridische begrippen herkennen & toepassen .............................................................. 4
LEERDOEL 2 – Verbintenissen herkennen, analyseren en toepassen................................................... 5
LEERDOEL 3 – Overdracht van vorderingen en goedenrechtelijke constructies .................................... 6
LEERDOEL 4 – Eigendom & beperkte rechten..................................................................................... 6
LEERDOEL 5 – Faillissement & behandeling van verbintenissen .......................................................... 6
WEEK 2: VERBINTENISRECHTELIJKE ASPECTEN VAN SCHULD EN BETALING ................................... 8
LEERDOEL 1 – Het proces van wilsvorming en contractsvorming volgens het BW ................................ 8
LEERDOEL 2 – Welke bescherming biedt het recht voor voor een goede wilsvorming van consumenten?
....................................................................................................................................................... 9
LEERDOEL 3 – Hoe beïnvloeden ondernemingen de wilsvorming en in hoeverre verbiedt het recht dit? 10
LEERDOEL 4 – Beschrijf & pas toe: de behandelde rechtspraak .........................................................10
LEERDOEL 5 – De bijzondere zorgplicht van financiële dienstverleners ..............................................11
LEERDOEL 6 – Consumentenbescherming bij kredietverlening (totstandkoming en afwikkeling) .........12
LEERDOEL 8 – Buy now, Pay later: werking, verdienmodel en bescherming ........................................12
BIEMANS ........................................................................................................................................13
WEEK 3: Beginselen verhaalsrecht; afgescheiden vermogen; trust en trustachtige figuren ............. 14
LEERDOEL 1 – Je kunt de regels van het Nederlandse verhaalsrecht op hoofdlijnen toelichten ............14
LEERDOEL 2 – Je kunt reflecteren op de omvang van art. 3:276 BW en de consequenties van ‘geheel
vermogen instaat voor zijn schulden’ ...............................................................................................16
LEERDOEL 3 – je kunt de Engelsrechtelijke trust beschrijven .............................................................17
LEERDOEL 4 – Je kunt de argumenten van Meijers tegen invoering van de trust in Nederland beschrijven
......................................................................................................................................................18
LEERDOEL 5 – Je kunt een oordeel vormen over de wenselijkheid van het buiten de deur laten van de
trust ...............................................................................................................................................19
Aertsen...........................................................................................................................................20
WERKCOLLEGE 1 ......................................................................................................................... 21
WEEK 4: VERHANDELBAARHEID VAN SCHULDEN ......................................................................... 24
LEERDOEL 1 – Je kunt de verschillende (juridische) vormen van handel in schulden herkennen en
analyseren......................................................................................................................................24
, LEERDOEL 2 – Je kunt enkele economische aspecten gerelateerd aan het overdragen van vorderingen
analyseren......................................................................................................................................24
LEERDOEL 3 – Je kunt transacties beschrijven waarin overdracht van vorderingen centraal staan .......25
LEERDOEL 4 – Je kunt de (juridische) regels omtrent factoring en securitasation uiteenzetten .............26
LEERDOEL 5 – Je kunt verbanden leggen tussen juridische problemen en economische wensen.........26
LEERDOEL 6 – Je kunt een oordeel vormen over de wenselijkheid van deze transacties en de rol van het
recht ..............................................................................................................................................26
WERKCOLLEGE 2 ......................................................................................................................... 28
WEEK 5: THE BIG SHORT .............................................................................................................. 31
LEERDOEL 1 – Je kunt de economische aspecten van securitisationtransacties beschrijven ...............31
LEERDOEL 2 – Je kunt de rol van de verschillende betrokken partijen beschrijven ...............................32
LEERDOEL 3 – Je kunt beschrijven hoe securitizations hebben bijgedragen aan de kredietcrisis van 2008
......................................................................................................................................................32
LEERDOEL 4 – Je kunt een (ethisch) oordeel vormen over securitisations ...........................................33
Credit Default Swap (CDS):..............................................................................................................33
WEEK 6: HERSTRUCTURERING ONDER DE FAILLISSEMENTSWET ................................................... 35
LEERDOEL 1 – Je kunt de basisbeginselen van het insolventierecht uiteenzetten en uitleggen hoe dit
bijdraagt aan verhaalsmogelijkheden voor schuldeisers....................................................................35
LEERDOEL 2 – Je kunt de rechtsgevolgen van faillietverklaring en de rol van faillissement beschrijven .35
LEERDOEL 3 – Je kunt een eenvoudige insolventiecasus analyseren, met focus op bescherming en
herstructurering ..............................................................................................................................36
LEERDOEL 4 – Je kunt de herstructureringsmogelijkheden voor natuurlijke personen en rechtspersonen
beschrijven en toepassen ................................................................................................................36
Leerdoel 5 – Je kunt een gefundeerde mening vormen over verschillen tussen natuurlijke personen en
rechtspersonen ..............................................................................................................................40
LEERDOEL 6 – Je kunt beargumenteren welke wijzigingen nodig zijn om herstructurering van natuurlijke
personen te verbeteren ...................................................................................................................40
WEEK 7: GASTCOLLEGE INSOLVENTIERECHT ............................................................................... 41
LEERDOEL 1 – Je kunt de basisbeginselen van het insolventierecht uiteenzetten en uitleggen hoe dit
bijdraagt aan verhaalsmogelijkheden voor schuldeisers....................................................................41
LEERDOEL 2 – Wanneer is sprake van problematische schulden? (toegang tot WSNP) .......................41
LEERDOEL 3 – Rechtsgevolgen WSNP & rol als beschermingsinstrument...........................................42
LEERDOEL 4 – Minnelijk traject & art. 285 Fw ....................................................................................42
LEERDOEL 5 – goede-trouw-toets (art. 288 Fw) .................................................................................42
LEERDOEL 6 – Alternatief aanvangsmoment WSNP – art. 349a Fw .....................................................43
, LEERDOEL 7 – Omzetting faillissement à WSNP (art. 15b Fw) ...........................................................43
WEEK 8: GEDRAGSREGELS EN BEROEPSETHIEK ........................................................................... 45
LEERDOEL 1 – Juridisch en tuchtrechtelijk kader voor advocaten .......................................................45
LEERSTUK 2 – Ethiek vs recht ...........................................................................................................45
LEERDOEL 3 – Gewone ethiek vs beroepsethiek ...............................................................................46
LEERDOEL 4 – Ethische theorieën (kennen + toepassen!) ..................................................................46
LEERDOEL 5 – Standpunten in de literatuur ......................................................................................46
, WEEK 1 : SCHULDEN EN VERBINTENISSEN
1. Wat is een schuld?
Problematische schuld
- Schuld waar iemand niet meer zelfstandig uit kan komen à externe hulp noodzakelijk
- Gaat doorgaans samen met insolventie: schuldenaar kan opeisbare schulden niet meer
voldoen
- Bij natuurlijke personen: vaak cumulatie van schulden waardoor probleem onoplosbaar
wordt
Bedrijven kunnen ook problematische schulden hebben
Maar juridisch zijn de werelden vaak totaal verschillend:
- Regime voor natuurlijke personen is anders dan regime voor rechtspersonen
- Oorzaak is gelijk (onvermogen tot betalen), maar juridische afhandeling is anders
- Natuurlijke personen à morele aspecten spelen sterk: bestaansminimum,
zorgplichten
- Rechtspersonen à economische ratio: waarde maximaliseren, onderneming
voortzetten of liquideren
- Een rechtspersoon kan ophouden te bestaan, een mens niet
- Hulp voor natuurlijke personen: gemeentelijke schuldhulpverlening (Wet
gemeentelijke schuldhulpverlening)
- Hulp voor rechtspersonen: juridische herstructurering via de WHOA (Wet homologatie
onderhands akkoord)
2. Overheidsschuld
- De staat lost schulden niet via faillissement af, maar via uitgifte van staatsobligaties
- Beleggers lenen geld aan de staat in ruil voor rente
- Wordt gezien als zeer veilige investering, want de staat gaat niet snel failliet
3. Bankschuld (consument of bedrijf leent bij bank)
De leningsovereenkomst
- Zowel verbintenisrechtelijk (afspraken tussen partijen) als goedenrechtelijk
(zekerheidsrechten)
- Bank wil zekerheid: recht van hypotheek op het huis à goedenrechtelijk
zekerheidsrecht
Executierecht van de bank