Ortho-agogische thema’s
Deel 1: Sociaal-emotionele ontwikkeling als
inspiratiebron voor begeleiden
1. Aanknopend bij wat voorafging
1.1 Het doel van agogisch handelen:
QoL
Uitgangspunt 1 is het doel om het welzijn van individuen
en groepen te verbeteren adhv Quality of Life
(Schalock).
Wanneer zich een probleem voordoet willen we dit
wegwerken of verminderen. Daar zit een onuitgesproken beheersmatige visie:
het onder controle krijgen van een probleem, indammen, verminderen,
onmogelijk maken, gedrag afblokken,… Dit is de allesbehalve agogische term die
veelal wordt gebruikt.
1.2 Het belangrijkste werkinstrument bij agogisch
handelen: De relatie
In verbinding gaan (ook emotioneel) , wat is nodig om een goede band/relatie op
te bouwen?
Verbinding tussen C en HV is noodzakelijke voorwaarde om C te versterken.
Ter Horst
1.3 Opvoeder-
begeleider zijn vs. voor opvoeder-begeleider studeren
Niet op 1 iets focussen maar op alle vlakken kijken, anders kan je niet met
situatie aan de slag. Alles kan aangestast zijn.
Als HV inzichten en vaardigheden verwervan.
VINO = Van Inschatting/Inzicht Naar Ondersteuning
2. Wederzijdse emotionele beschikbaarheid als
bedding voor het ontwikkelen van een
veilige gehechtheidsrelatie
Grondhouding: Wederzijdse Emotionele Beschikbaarheid. Erik De
Belie schreef boek ‘emotionele ontwikkeling in verbinding’.
Begeleidingsdriehoek: afstemmen op de noden van de cliënt.
Begeleider initiatief nemen tot contact met anderen.
,Emotionele verbinding is noodzakelijk voor: herkennen van noden en emotionele
signalen bij de ander, voorbij gedrag kijken, gedrag kunnen zien als uiting van
mentale processen (frustraties, emoties, gedachten,…). Vandaar de term signaal
gedrag. Geld zowel voor het begrijpen van andermans al van het eigen gedrag.
Verder kijken dan buitenkant.
o Mentaliseren
Is dus noodzakelijk maar niet voldoende.
Mentaliseren is niet zuiver rationeel, het speelt zich niet enkel af in ons hoofd
maar erkent ook ons buikgevoel. Wat vaal ‘buikgevoel’ wordt genoemd heeft in
het vakjargon ‘intuïtie’ = een vorm van ‘impliciete kennis’ (over ander of
jezelf) vermengd met emotionele arousal.
Impliciete kennis over cliënt= je eerdere ervaringen van C vormen beeld van C.
Erik De Belie werkte het idee van WEB uit tot een kader om ouders en
begeleiders te ondersteunen in het zich nog beter afstemmen op de emotionele
ontwikkelingsnoden van hun kinderen/cliënten, in eerste instantie verstandelijke
beperking, maar veel ruimer inzetbaar. WEB biedt een bruikbaar kader om jouw
basishouding bewust vorm te geven en jouw begeleidingsstijl te verrijken en te
verfijnen in eender welke doelgroep.
De Belie onderscheidt 4 dimensies met betrekking tot EB van ouder en vertaalt
die naar positie van begeleider:
1. Sensitieve responsiviteit: aanvoelen en gepast reageren
2. Sensitief structureren: houvast en helpende grenzen
3. Niet-intrusiviteit: ruimte bieden en rekening houden met persoonlijke
grenzen
4. Niet-vijandigheid: mildheid
! het schema niet zien als een strategisch geheel, eigenheid van relatie ligt in
dynamiek, actief en circulair op elkaar inspelen.
2.1 Sensitieve responsiviteit
Sensitiviteit = aanvoelen, in staat zijn signalen juist te interpreteren
Responsiviteit = op passende wijze en tijdig reageren
2.2.1 Aanvaarden van de persoon
Onvoorwaardelijke acceptatie van persoon, liefde is gratis.
Wil daarom niet zeggen dat je elk storend gedrag ook moet accepteren.
Onwenselijk gedrag niet accepteren, persoon wel.
2.2.2 Delen van plezier en positieve perspectieven
Speelsheid en creativiteit vormen een basis-tool voor de begeleider. Na moeilijke
situatie stilstaan of je nog plezier kan delen met C.
2.1.3 Timen, doseren en anticiperen
Sommige C zitten gevangen in hier-en-nu en zijn zo gedreven dat de ingeschatte
negatieve langetermijn-gevolgen van hun gedrag hen weerhoudt dat gedrag te
stellen.
,2.1.4 Herkennen van intenties/ verlangens
Achter ‘lastig gedrag’ positieve intenties zien, belangrijk om stand te houden in
verbinding en het behouden van eigen veerkracht als begeleider.
2.1.5 Lichamelijke en basale zorg
Gepaste lichamelijk contact is een belangrijke toegangspoort tot emotionele
verbinding. Zorg hierbij voor een veilig lichaam = respecteren van lichamelijke
grenzen.
2.1.6 Spiegelen en empathisch reageren
Veilige ruimte biedt ruimte voor negatieve emoties. Al spiegelend kan je soms
veel opvangen, bv: Dirk mee met bierkaartjes spelen om contact te zoeken.
2.1.7 Bijsturen van ‘gemiste afstemming’
Goed bedoelde begeleiding kan soms verkeerd overkomen bij C. hierbij moet je in
staat zijn om eigen gedrag bij te sturen of toe te geven, je bent niet perfect.
Even terug naar MENTALISEREN: over de wisselwerking tussen de emoties van
cliënt en begl.
Onverdraaglijke gevoelens van C hebben de neiging op één of andere manier bij
begl te worden overgedragen. We moeten ons bewust zijn van dit mechanisme.
Kunst om ondraaglijke gevoelens die C op begl projecteert te kunnen verwerken
en te dragen, niet door laten overspoelen. Dit is de kunst van containment,
waarmee je C houvast biedt.
Splitting = doet zich voor wanneer een persoon niet in staat is tegenstrijdige
gevoelens die hij tegenover anderen voelt met elkaar te verzoenen. Positieve en
negatieve emoties kunnen niet verenigd worden in gevoelsleven, zwart-wit.
Splitting = copingmechanisme van C om om te gaan met emoties die hij moeilijk
kan verzoenen. Belangrijk handvat in het vermijden van de valkuil van daarvoor
veroorzaakte samenwerkingsproblemen en in bewaren van veerkracht. Zorgen
dat je je niet laat doen door C. Beter standvastig blijven en niet aan toegeven.
2.2 Sensitieve structuur / houvast en helpende grenzen
2.2.1 Betrouwbaarheid/ consistentie/ congruent
Consistent = lijn en samenhang in handelen. Grenzen kunnen stellen.
Congruent = verbale en non-verbale communicatie komen overeen. Indien niet
verwarrend.
2.2.2 Deelstappen
Doseren en faseren.
2.2.3 Gepaste dagstructuur en ritme
In het teken van versterken van persoon. Waar structuur ondersteunend of
remmend? Gepaste houvast. Nood aan meer sturing of grenzen losser maken?
2.2.4 Eigen ruimte en vluchtheuvel
Persoonlijke ruimte die veilig is, voldoende privacy, eigen hobby’s, vriendenkring,
persoonlijke voorwerpen,…
, Ruimte kan zowel fysieke als emotionele vluchtheuvel zijn.
Vluchtheuvel = een uitweg waar cliënt naartoe kan als het teveel wordt. Dit kan
een plaats, persoon, activiteit,… zijn die veiligheid biedt. Geen straf!
2.2.5 Holding: Hulp-ik: emotionele houvast
Holding environment = als zorgfiguur ‘speelt’ met afstand, kind soms bewust niet
meteen bedienen in zijn behoeftes en beschikbaar blijven als ‘vangnet’. Zo leert
kind niet te verzuipen als die wordt overvallen met frustraties/negatieve emoties.
2.2.6 Reguleren van stress/ emoties: containment
Containment = liefdevolle, troostende en geruststellende context die een
ouder/begl het kind kan bieden om angst te verdragen.
Het kind kan worden geconfronteerd met gevoelen die het kind niet aankan en
die worden op jou geprojecteerd. Het is aan de begl om die gevoelens te
incasseren/op te vangen en aan het kind terug te gene in een vorm die wel
verteerbaar is. Draagt bij aan ontwikkeling van zelfregulatie.
Vaardigheid die je moet bezitten als begeleider. Soort container voor C, zelf
stevig in schoenen staan wanneer iemand veel emoties heeft.
Bv: zullen we even naar buiten gaan? Knuffel bij verdriet,…
2.2.7 Transitionele objecten
Kan overgangen overbruggen, niet alleen in hechtingsfase. Ze bieden emotionele
houvast.
2.2.8 Waakzame zorg
Bewegen tussen verschillende niveaus van toezicht houden. Open dialoog
wanneer je gerust bent, gericht toezicht wanneer je signalen opvangt die
ongerustheid oproepen en eenzijdig ingrijpen wanneer je bezorgd bent om de
veiligheid van C of omgeving in gedrang komt.
2.2.9 ‘Helpende’ grenzen
Grenzen kunnen het best gecombineerd worden met positieve sturing = naast
duidelijk aangeven van het ongewenste gedrag, geef je aan wat je wel verwacht
of wat wanneer iets wel kan = kanaliseren.
Mentaliserende basishouding = voortdurend afstemmen op noden en emotionele
signalen van C
2.3 Niet-intrusiviteit / ruimte bieden of laten
Intruviteit = ‘te dichtbij komen’. Vaak gebeurt dit uit bezorgdheid en met goede
bedoelingen. Het is nodig om de grenzen van een kind te respecteren. Vandaar
NIET-intrusiviteit.
2.3.1 Veranderen moét niet
Het gevoel geven niet te moeten veranderen en er mogen te zijn zoals die nu is,
ruimte creëren voor verandering. Basis van elke begeleidingsrelatie is ont-
moeten. Je moet een middenweg zoeken, naar cliënt ook luisteren.
Deel 1: Sociaal-emotionele ontwikkeling als
inspiratiebron voor begeleiden
1. Aanknopend bij wat voorafging
1.1 Het doel van agogisch handelen:
QoL
Uitgangspunt 1 is het doel om het welzijn van individuen
en groepen te verbeteren adhv Quality of Life
(Schalock).
Wanneer zich een probleem voordoet willen we dit
wegwerken of verminderen. Daar zit een onuitgesproken beheersmatige visie:
het onder controle krijgen van een probleem, indammen, verminderen,
onmogelijk maken, gedrag afblokken,… Dit is de allesbehalve agogische term die
veelal wordt gebruikt.
1.2 Het belangrijkste werkinstrument bij agogisch
handelen: De relatie
In verbinding gaan (ook emotioneel) , wat is nodig om een goede band/relatie op
te bouwen?
Verbinding tussen C en HV is noodzakelijke voorwaarde om C te versterken.
Ter Horst
1.3 Opvoeder-
begeleider zijn vs. voor opvoeder-begeleider studeren
Niet op 1 iets focussen maar op alle vlakken kijken, anders kan je niet met
situatie aan de slag. Alles kan aangestast zijn.
Als HV inzichten en vaardigheden verwervan.
VINO = Van Inschatting/Inzicht Naar Ondersteuning
2. Wederzijdse emotionele beschikbaarheid als
bedding voor het ontwikkelen van een
veilige gehechtheidsrelatie
Grondhouding: Wederzijdse Emotionele Beschikbaarheid. Erik De
Belie schreef boek ‘emotionele ontwikkeling in verbinding’.
Begeleidingsdriehoek: afstemmen op de noden van de cliënt.
Begeleider initiatief nemen tot contact met anderen.
,Emotionele verbinding is noodzakelijk voor: herkennen van noden en emotionele
signalen bij de ander, voorbij gedrag kijken, gedrag kunnen zien als uiting van
mentale processen (frustraties, emoties, gedachten,…). Vandaar de term signaal
gedrag. Geld zowel voor het begrijpen van andermans al van het eigen gedrag.
Verder kijken dan buitenkant.
o Mentaliseren
Is dus noodzakelijk maar niet voldoende.
Mentaliseren is niet zuiver rationeel, het speelt zich niet enkel af in ons hoofd
maar erkent ook ons buikgevoel. Wat vaal ‘buikgevoel’ wordt genoemd heeft in
het vakjargon ‘intuïtie’ = een vorm van ‘impliciete kennis’ (over ander of
jezelf) vermengd met emotionele arousal.
Impliciete kennis over cliënt= je eerdere ervaringen van C vormen beeld van C.
Erik De Belie werkte het idee van WEB uit tot een kader om ouders en
begeleiders te ondersteunen in het zich nog beter afstemmen op de emotionele
ontwikkelingsnoden van hun kinderen/cliënten, in eerste instantie verstandelijke
beperking, maar veel ruimer inzetbaar. WEB biedt een bruikbaar kader om jouw
basishouding bewust vorm te geven en jouw begeleidingsstijl te verrijken en te
verfijnen in eender welke doelgroep.
De Belie onderscheidt 4 dimensies met betrekking tot EB van ouder en vertaalt
die naar positie van begeleider:
1. Sensitieve responsiviteit: aanvoelen en gepast reageren
2. Sensitief structureren: houvast en helpende grenzen
3. Niet-intrusiviteit: ruimte bieden en rekening houden met persoonlijke
grenzen
4. Niet-vijandigheid: mildheid
! het schema niet zien als een strategisch geheel, eigenheid van relatie ligt in
dynamiek, actief en circulair op elkaar inspelen.
2.1 Sensitieve responsiviteit
Sensitiviteit = aanvoelen, in staat zijn signalen juist te interpreteren
Responsiviteit = op passende wijze en tijdig reageren
2.2.1 Aanvaarden van de persoon
Onvoorwaardelijke acceptatie van persoon, liefde is gratis.
Wil daarom niet zeggen dat je elk storend gedrag ook moet accepteren.
Onwenselijk gedrag niet accepteren, persoon wel.
2.2.2 Delen van plezier en positieve perspectieven
Speelsheid en creativiteit vormen een basis-tool voor de begeleider. Na moeilijke
situatie stilstaan of je nog plezier kan delen met C.
2.1.3 Timen, doseren en anticiperen
Sommige C zitten gevangen in hier-en-nu en zijn zo gedreven dat de ingeschatte
negatieve langetermijn-gevolgen van hun gedrag hen weerhoudt dat gedrag te
stellen.
,2.1.4 Herkennen van intenties/ verlangens
Achter ‘lastig gedrag’ positieve intenties zien, belangrijk om stand te houden in
verbinding en het behouden van eigen veerkracht als begeleider.
2.1.5 Lichamelijke en basale zorg
Gepaste lichamelijk contact is een belangrijke toegangspoort tot emotionele
verbinding. Zorg hierbij voor een veilig lichaam = respecteren van lichamelijke
grenzen.
2.1.6 Spiegelen en empathisch reageren
Veilige ruimte biedt ruimte voor negatieve emoties. Al spiegelend kan je soms
veel opvangen, bv: Dirk mee met bierkaartjes spelen om contact te zoeken.
2.1.7 Bijsturen van ‘gemiste afstemming’
Goed bedoelde begeleiding kan soms verkeerd overkomen bij C. hierbij moet je in
staat zijn om eigen gedrag bij te sturen of toe te geven, je bent niet perfect.
Even terug naar MENTALISEREN: over de wisselwerking tussen de emoties van
cliënt en begl.
Onverdraaglijke gevoelens van C hebben de neiging op één of andere manier bij
begl te worden overgedragen. We moeten ons bewust zijn van dit mechanisme.
Kunst om ondraaglijke gevoelens die C op begl projecteert te kunnen verwerken
en te dragen, niet door laten overspoelen. Dit is de kunst van containment,
waarmee je C houvast biedt.
Splitting = doet zich voor wanneer een persoon niet in staat is tegenstrijdige
gevoelens die hij tegenover anderen voelt met elkaar te verzoenen. Positieve en
negatieve emoties kunnen niet verenigd worden in gevoelsleven, zwart-wit.
Splitting = copingmechanisme van C om om te gaan met emoties die hij moeilijk
kan verzoenen. Belangrijk handvat in het vermijden van de valkuil van daarvoor
veroorzaakte samenwerkingsproblemen en in bewaren van veerkracht. Zorgen
dat je je niet laat doen door C. Beter standvastig blijven en niet aan toegeven.
2.2 Sensitieve structuur / houvast en helpende grenzen
2.2.1 Betrouwbaarheid/ consistentie/ congruent
Consistent = lijn en samenhang in handelen. Grenzen kunnen stellen.
Congruent = verbale en non-verbale communicatie komen overeen. Indien niet
verwarrend.
2.2.2 Deelstappen
Doseren en faseren.
2.2.3 Gepaste dagstructuur en ritme
In het teken van versterken van persoon. Waar structuur ondersteunend of
remmend? Gepaste houvast. Nood aan meer sturing of grenzen losser maken?
2.2.4 Eigen ruimte en vluchtheuvel
Persoonlijke ruimte die veilig is, voldoende privacy, eigen hobby’s, vriendenkring,
persoonlijke voorwerpen,…
, Ruimte kan zowel fysieke als emotionele vluchtheuvel zijn.
Vluchtheuvel = een uitweg waar cliënt naartoe kan als het teveel wordt. Dit kan
een plaats, persoon, activiteit,… zijn die veiligheid biedt. Geen straf!
2.2.5 Holding: Hulp-ik: emotionele houvast
Holding environment = als zorgfiguur ‘speelt’ met afstand, kind soms bewust niet
meteen bedienen in zijn behoeftes en beschikbaar blijven als ‘vangnet’. Zo leert
kind niet te verzuipen als die wordt overvallen met frustraties/negatieve emoties.
2.2.6 Reguleren van stress/ emoties: containment
Containment = liefdevolle, troostende en geruststellende context die een
ouder/begl het kind kan bieden om angst te verdragen.
Het kind kan worden geconfronteerd met gevoelen die het kind niet aankan en
die worden op jou geprojecteerd. Het is aan de begl om die gevoelens te
incasseren/op te vangen en aan het kind terug te gene in een vorm die wel
verteerbaar is. Draagt bij aan ontwikkeling van zelfregulatie.
Vaardigheid die je moet bezitten als begeleider. Soort container voor C, zelf
stevig in schoenen staan wanneer iemand veel emoties heeft.
Bv: zullen we even naar buiten gaan? Knuffel bij verdriet,…
2.2.7 Transitionele objecten
Kan overgangen overbruggen, niet alleen in hechtingsfase. Ze bieden emotionele
houvast.
2.2.8 Waakzame zorg
Bewegen tussen verschillende niveaus van toezicht houden. Open dialoog
wanneer je gerust bent, gericht toezicht wanneer je signalen opvangt die
ongerustheid oproepen en eenzijdig ingrijpen wanneer je bezorgd bent om de
veiligheid van C of omgeving in gedrang komt.
2.2.9 ‘Helpende’ grenzen
Grenzen kunnen het best gecombineerd worden met positieve sturing = naast
duidelijk aangeven van het ongewenste gedrag, geef je aan wat je wel verwacht
of wat wanneer iets wel kan = kanaliseren.
Mentaliserende basishouding = voortdurend afstemmen op noden en emotionele
signalen van C
2.3 Niet-intrusiviteit / ruimte bieden of laten
Intruviteit = ‘te dichtbij komen’. Vaak gebeurt dit uit bezorgdheid en met goede
bedoelingen. Het is nodig om de grenzen van een kind te respecteren. Vandaar
NIET-intrusiviteit.
2.3.1 Veranderen moét niet
Het gevoel geven niet te moeten veranderen en er mogen te zijn zoals die nu is,
ruimte creëren voor verandering. Basis van elke begeleidingsrelatie is ont-
moeten. Je moet een middenweg zoeken, naar cliënt ook luisteren.